13 jaar geleden

Zendings- en evangelisatieconferentie (IV)

Deze toespraken werden in de jaren ’80 van de vorige eeuw gehouden tijdens een zendings- en evangelisatieconferentie. Degenen die ook verlangen om de heerlijke boodschap van “de Heer Jezus Christus en die gekruisigd” uit te dragen, beveel ik dit van harte aan. Velen die deze conferentie bijwoonden, zijn aangespoord en bemoedigd om zich ook in dit opzicht aan de Heer toe te wijden. Hopelijk hebt u de eerste twee artikelen ook gelezen. Zo niet, dan raad ik u aan dat toch eerst te doen.

2. Ons eigen huis, gezin

Dan het tweede punt: “Ons eigen huis”. We mogen ook wat dat betreft het evangelie uitstralen. Allereerst is het zo, dat wanneer we nog thuis wonen bij onze ouders, we een ‘inwonend discipel’ mogen zijn in plaats van een ‘dwingeland’. Dit is iemand die een nare sfeer verspreidt in huis, maar als het gaat om ons thuis moeten we een ‘nederige discipel’ zijn. Ten opzichte van ons thuis – ons ouderlijk huis – hebben we de verantwoordelijkheid ten opzichte van onze ouders en ten opzichte van eventuele broers en zussen. Eén van de apostelen, Andréas – nadat hij de Heer had leren kennen – zag zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van Petrus en “hij leidde hem tot Jezus” (Johannes 1:43). De Heer Jezus gaf aan de man die een legioen demonen had, en die de kracht van het evangelie ervaren had, de opdracht: “Ga naar uw huis tot de uwen, en bericht hun alles wat de Heer aan u heeft gedaan” (Markus 5:19). Maar hoe dichter mensen bij ons wonen, hoe minder we moeten praten en hoe meer we moeten laten zien. Dat heb ik niet van mijzelf maar dat heb ik eens een broeder horen zeggen. En dat is waar!

Een voorbeeld daarvan vinden we in 1 Petrus als het gaat om de man die ongehoorzaam is aan het Woord. “Evenzo, vrouwen, weest aan uw eigen mannen onderdanig, opdat, ook als sommigen ongehoorzaam zijn aan het Woord, zij door de wandel van hun vrouwen zonder woord gewonnen worden, wanneer zij uw kuise wandel in vrees hebben opgemerkt” (1 Petrus 3:1). Hier gaat het natuurlijk om het huwelijk, om de man en de vrouw. Maar de man staat toch heel nauw bij deze vrouw, en andersom. En zo kan het ook zijn als het gaat om kinderen ten opzichte van ongelovige ouders. Er is een tijd van spreken maar ook een tijd van zwijgen. En dan is het goed om die ouders te winnen door ons gedrag, door de wijze waarop we wandelen met God. Zoals deze vrouw haar man – haar ongehoorzame man – kon winnen, niet door haar woord maar door haar wandel. Als het gaat om mensen die een eigen gezin hebben, dan is het belangrijk dat wil iemand gebruikt kunnen worden om het evangelie te brengen – of dat zo iemand evangelist is-, dat allereerst de situatie in het gezin zó is, dat hij gebruikt kan worden. In de 1e Timotheüsbrief krijgen we daarover enige informatie. Het gaat daar weliswaar om een opziener maar ik denk wel dat we vele dingen kunnen leren die ook betrekking hebben op ons. In 1 Timotheüsbrief 3:4 staat: “… iemand die zijn eigen huis goed bestuurt, zijn kinderen in onderdanigheid houdt met alle eerbaarheid, – maar als iemand zijn eigen huis niet weet te besturen, hoe zal hij zorg dragen voor de gemeente van God?” Het is duidelijk dat het hier niet om een evangelist gaat, maar toch geeft het onze enige aanwijzing hoe belangrijk het is dat ook als we een gezin hebben, het daar in orde is – goed is – en dat het een getuigenis is. Dat we met ons gedrag niet afbreken wat we met onze mond spreken. Zoals iemand eens gezegd heeft: Uw daden spreken luider dan uw woorden. En door de daden hoorde men de woorden nooit meer. Dus wat betreft ons eigen huis hebben we ook een verantwoordelijkheid.

Er is nog één gedeelte daarover uit Handelingen 10. Een goed voorbeeld van iemand die wat betreft zijn eigen huis een goede wandel had en dat is een zekere Cornelius. Allereerst lezen we in vers 7 dat bij hem een Godvrezende soldaat in dienst was. Ten tweede lezen we in vers 24 dat toen Petrus daar kwam hij zijn bloedverwanten en vertrouwde vrienden had bijeengeroepen. Die kwamen onder het gehoor van de prediking van de apostel Petrus. Dus als het gaat om het evangelie, om zending, dan is het zo dat in dit geval hij vanwege zijn gedrag, zijn bloedverwanten en vertrouwde vrienden onder het gehoor kreeg van Petrus, de apostel. Aan het eind van het hoofdstuk lezen we dat de Heilige Geest viel op allen die het Woord hoorden (vers 45). Het is te hopen dat het bij ons ook zo is, dat wij zo’n goed getuigenis hebben ten opzichte van ons eigen gezin, maar ook in een iets wijdere kring ten opzichte van bloedverwanten en vertrouwde vrienden, dat ze allereerst komen wanneer we ze uitnodigen, en ze wanneer ze het Woord horen dat ook werkelijk geloven. Bij Cornelius was dat dus het geval.

3. Onze buurt, stad of dorp waar wij wonen

We hebben al gezien (zie 1e artikel over dit onderwerp) dat Jeruzalem de plaats is waar we moeten beginnen. Dat mogen we ook wel toepassen op onze eigen omgeving.
Onze buurt, stad of dorp. Als het gaat om ons gedrag ten opzichte van de buurt waar wij wonen, dan wordt uit verschillende plaatsen uit het Woord van God duidelijk dat we een goed getuigenis moeten hebben en zijn ten opzichte van hen die ‘buiten’ zijn, zodat ze niets op ons aan te merken hebben. Als dat zo is, dan heeft natuurlijk de prediking van het evangelie ten opzichte van onze eigen omgeving invloed. Want ze ‘zien’ de kracht van het evangelie in mijn leven en in het leven – hoop ik – van mijn gezin. Ik hoop ook in uw leven en als u een gezin hebt in het leven van uw gezin. Dan hebben we ook in zekere zin ‘recht’ van spreken. Maar wanneer we zó leven dat we geen getuigenis zijn, dan hebben we eigenlijk geen recht van spreken. Dan zouden we ons eigenlijk moeten schamen voor dat evangelie dat in mijn leven niets heeft uitgewerkt. Dat is natuurlijk niet de bedoeling.

Als we het hebben over Jeruzalem – onze eigen omgeving – dan kunnen we natuurlijk denken aan de school waar we zitten. We kunnen denken aan onze werkkring. Ik kan me nog herinneren dat toen ik tot geloof gekomen was, (echt tot geloof gekomen was), dat ik het verlangen had om ook op school het evangelie te brengen. Maar ik schaamde mij daar voor. En ik heb gedacht: Hoe moet ik dat nu doen? Toen dacht ik: Het minste wat ik natuurlijk kan doen, is achter op mijn auto een sticker plakken. Toen reed ik met mijn sticker achter op mijn auto naar school en onderweg begon mijn hart steeds harder te bonzen. Toen heb ik de auto drie straten van de school verwijderd neergezet. Maar ik had wel het verlangen om het te doen. En als we het verlangen hebben om te doen, dan komt het uitwerken daarvan echt wel. Dus de volgende keer zal ik maar zeggen twee straten verder en toen kwam het moment dat ik vlak voor de school mijn auto heb neergezet. Maar God weet altijd wel een situatie te creëren waarin je uiteindelijk toch jezelf bloot moet geven. Op een bepaalde dag kwam dat ook. Ik wilde het wel maar ik durfde het nog niet. Toen heeft de Heer het zó gedaan. We hadden in de hele grote conversatiezaal, de kantine, een cabaret van een politieke partij uit Nederland (de PSP: Pacifistische Socialistische Partij; deze bestaat anno 2005 niet meer). De hele zaal was gevuld en toen hebben ze in het cabaret allerlei godslasterlijke dingen gezegd. Toen kwam natuurlijk het moment dat ik mezelf bloot moest geven, want in mijn klas wisten de meesten wel iets. En toen heeft God werkelijk de kracht gegeven om op te staan, nadat het cabaret klaar was, en iets te zeggen. Ik weet nog goed dat op dat moment er werkelijk een blijdschap was, hoewel ik met knikkende knieën daar voor de zaal stond. Eén van mijn klasgenoten kwam naderhand naar mij toe – iemand met hele lange haren en een lange baard – en die zei: Als jij niet was opgestaan dan was dat Christen-zijn van jou van geen enkele waarde geweest. En dat was de meest pacifistische socialistische student van die school. En ik ben altijd heel blij geweest, dat dit zo gepasseerd is. Als ik het nu weer zou moeten doen, dan zou ik misschien zorgen dat ik op dat moment niet aanwezig was … want uit mijzelf zou ik het beslist niet durven. Maar dan is het heerlijk dat we de toevlucht hebben in het gebed tot God en dat we mogen bidden dat God ons vrijmoedigheid wil geven om het Woord te brengen, zoals het ook in het boek Handelingen staat. Ze baden om vrijmoedigheid en toen ze dat gezamenlijk deden, toen gaf God ook vrijmoedigheid want dat lezen we ook verderop: “… zij spraken het Woord van God met vrijmoedigheid” (zie Handelingen 4:24-31). En ik denk dat altijd die drempel daar zal zijn. Maar als de wens er is en de afhankelijk er is, dan wil God ook kracht geven om het Woord te brengen.
In onze werkkring hebben we natuurlijk ook de verantwoordelijkheid om allereerst te laten zien wat een Christen is, rekenschap te geven aan hen die vragen en wanneer het gelegen komt een bepaalde vorm van agressieve evangelisatie plegen. Het Woord brengen aan hen die ons omringen.

Even herhalen

“Aanschouwt de velden” begint heel dichtbij. Een eerste veld. Het is als met een steen die je in het water gooit en er ontstaan allerlei kringen, steeds verder weg.
Het eerste veld: Ons eigen hart. Wij moeten het evangelie hebben ervaren. Dan moeten we op onszelf toezien, op ons eigen hart, zodat we in staat zijn het te allen tijde te brengen.
De tweede cirkel: Ons eigen huis. Ouders, bloedverwanten, vertrouwde vrienden. Ten derde: Onze werkkring, school en de directe omgeving waar we wonen. Dan kunnen we natuurlijk op allerlei wijze ook meer naar buiten treden. Niet alleen passief, afwachten, maar er op uitgaan. Zoals iemand eens gezegd heeft: ‘De akker komt niet naar het zaad toe, maar het zaad moet naar de akker toe’. Zoals de Heer Jezus zegt: “Een zaaier ging uit om te zaaien” (Markus 4:3). Dat mogen we allereerst individueel doen.
Dan komen we bij het tweede onderwerp: Agressieve evangelisatie. Dit hopen we D.V. de volgende keer te publiceren.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol