13 jaar geleden

Zendings- en evangelisatieconferentie (III)

Deze toespraken werden in de jaren ’80 van de vorige eeuw gehouden tijdens een zendings- en evangelisatie-conferentie. Degenen die ook verlangen om de heerlijke boodschap van “de Heer Jezus Christus en die gekruisigd” uit te dragen, beveel ik dit van harte aan. Velen die deze conferentie bijwoonden, zijn aangespoord en bemoedigd om zich ook in dit opzicht aan de Heer toe te wijden. Hopelijk heb je de eerste twee artikelen in de vorige nummers ook gelezen. Zo niet, dan raad ik je aan dat toch eerst te doen. Enkele uitspraken uit dát artikel: – De Heer wil dat we aandachtig onze ogen opslaan en de velden, de zendingsvelden, in ons opnemen. Als we dat niet doen, weten we ook niet welk werk er is … – Voordat onze mond ‘geopend’ wordt, moet eerst onze mond ‘gesloten’ worden … – Veel evangelisatie-werk wordt gedaan als een elfde gebod. “Gij zult Mijn getuige zijn en wie dat doet zal leven, en wie dat niet doet valt uit de gunst van God”! …

De velden die dichtbij liggen

Ik wilde beginnen met een tekst uit Johannes 4, waar de Heer Jezus zegt. “Zie, Ik zeg u: Slaat uw ogen op en aanschouwt de velden” (vers 35). Allereerst mag je een streepje zetten onder het woordje ‘zie’. De Heer Jezus vraagt onze aandacht. Vervolgens: ‘Ík’ zeg u. Dat betekent: Het is niet belangrijk wat ‘men’ denkt, maar wat de Heer denkt en zegt. En: Ik zeg ‘Ú’, Hij heeft iets tot ons te zeggen, nu. En Hij zegt: “Slaat uw ogen op”, dat betekent: we moeten niet met onze ogen op zak lopen want dan zien we zelfs onze buurman niet. Als het gaat om zending dan moeten we onze ogen ‘opslaan’. En wanneer we onze ogen opslaan, zijn we in staat om aandachtig te kijken. Want het volgende woord is: “aanschouwt”. Niet alleen maar ‘zie’, maar ‘aanschouwt’. Dat is aandachtig bekijken! Het in je opnemen. In 1 Johannes 1:1 wordt onderscheid gemaakt tussen ‘zien’ en ‘aanschouwen’. De apostel zegt: “… wat wij gezien hebben met onze ogen, wat wij aanschouwd hebben”. Dat maakt het onderscheid duidelijk. Aandachtig bekijken, het in je opnemen.

En wat moeten we dan in ons opnemen? “Aanschouwt de velden”. Niet aanschouwt hét veld of sommige velden, maar aanschouwt ‘dé’ velden. De Heer wil dat we aandachtig onze ogen opslaan en de velden, de zendingsvelden, in ons opnemen. Als we dat niet doen, weten we ook niet welk werk er is. Kunnen we ook niet bidden voor werk wat misschien niet dichtbij ligt, maar ver weg ligt. Dat wil ik zeggen als inleiding voor mijn onderwerp.

Passieve evangelisatie

De velden die ik nu mag bespreken, zijn de velden die dichtbij liggen. Maar ook daarvoor kunnen we blind zijn. Dus ook als het daarom gaat, moeten wij onze ogen ‘opslaan’ en aandachtig bekijken: Wat is voor mij te doen voor de Heer Jezus? Dan wil ik onderscheid maken tussen twee vormen van evangelisatie. De eerste vorm is: ‘Passieve evangelisatie’. Een tekst daarbij vinden we in 1 Petrus ..:15. [Het is altijd belangrijk om te weten waar iets staat. Ik heb eens een mooi voorbeeldje gehoord van iemand die zei, als je naar de stad wilt en op een bepaald adres wilt zijn, dan moet je:

  • a. de stad weten;
  • b. de straat weten, en
  • c. het nummer weten.

Anders kom je er niet. De stad is de Petrusbrief, de straat het 3e hoofdstuk, en het nummer vers 15]. Daar staat: “… altijd bereid tot verantwoording aan ieder die u rekenschap vraagt van de hoop die in u is”. Hier wordt dus niet gesproken over ‘verkondiging’, ‘uitgaan’, maar ik ben thuis of ik ben op mijn werk of ik ben op school, en men vraagt mij iets. En ik moet altijd bereid zijn om rekenschap te geven van de hoop die in mij is. De apostel Paulus zegt: “gelegen of ongelegen” (2 Timotheüs 4:2). Soms komt het mij niet gelegen. Toch als het mij niet gelegen komt, moet ik rekenschap geven van de hoop die in mij is. Dat is passieve evangelisatie.

‘Actieve’ of ‘agressieve’ evangelisatie vinden we bijvoorbeeld in Handelingen 1:8: “Maar u zult kracht ontvangen wanneer de Heilige Geest over u komt en u zult Mijn getuigen zijn, zowel in Jeruzalem als in geheel Judéa en Samaria en tot aan het einde van de aarde”. Maar ook in Markus 16 bijvoorbeeld, waar staat: “Gaat heen in de hele wereld en predikt het evangelie aan de hele schepping” (vers 15-16). Dat is meer ‘agressief’, men vraagt mij niets maar ik zeg iets, ongevraagd. Een proclamatie, een verkondiging van de blijde boodschap.

Wat betreft de ‘passieve’ evangelisatie wil ik dat onderwerp verdelen in een aantal punten.

  1. Ons eigen hart;
  2. Ons eigen huis, gezin;
  3. Onze buurt, stad of dorp waar wij wonen.

Dat is wat betreft ‘passieve’ evangelisatie.

Als het gaat om ‘agressieve’ evangelisatie, dan is mij gevraagd om dat onder te verdelen in ‘samen evangeliseren’ – of we dat als gemeente moeten doen of niet, dat laten we nu nog even in het midden – of ‘het samen met andere gelovigen evangeliseren die niet zoals wij samenkomen’. Of dat kan of dat dit niet kan. Mij is gevraagd om te behandelen of ‘actief’ evangeliseren een onderwerp is voor de gemeente als geheel, of dat dit bijvoorbeeld alleen voorbestemd is voor een evangelist. Voor een deel zal ik daarop misschien een antwoord kunnen geven.

Dan nu de ‘passieve’ evangelisatie.

1. Ons eigen hart

Zijn wij zelf dan een voorwerp van evangelisatie? Eigenlijk niet. Als wij de Heer Jezus kennen, dan hebben we het evangelie aangenomen. Toch is het zo, dat willen wij het evangelie kunnen brengen, dat het eerst door onszelf moet zijn heengegaan. Het moet als het ware ‘mijn evangelie’ worden, zoals de apostel Paulus zegt: “mijn evangelie”. Dat heeft natuurlijk ook nog een andere betekenis, maar ik wil dat nu zo toepassen. Wat is het evangelie? Romeinen 1:16 geeft daarop een heel duidelijk antwoord. Daar zegt de apostel: “Want ik schaam mij niet voor het evangelie; want het is Gods kracht tot behoudenis voor ieder die gelooft, eerst voor de Jood, en ook voor de Griek”. Waarom schaamde de apostel zich niet voor dat evangelie? Omdat hij de kracht daarvan had ervaren in zijn eigen leven. Want het evangelie is Gods kracht tot ‘behoud’. Niet alleen tot vergeving maar tot behoud. Uit de macht van de zonde, zodat we zoals die man in Handelingen 3 staan in de genade van God, in de gunst van God wandelen, terwijl we ons bewust zijn dat de glimlach van de hemel op ons rust, vanwege het feit dat we “in Christus” zijn, een ‘nieuwe schepping’. Daarom schaamde hij zich niet voor dat evangelie; hij had de kracht daarvan in zijn eigen leven ondervonden.

Wat is de inhoud van dat evangelie?
De kracht Gods. Daarop geeft de apostel in 1 Korinthe 1 een antwoord. Die kracht is als het ware samengebald in één persoon. Die persoon is Christus. In 1 Korinthe 1:24 wordt Christus genoemd: “de kracht van God”. Maar het is niet alleen de levende Christus zoals Hij op aarde was, want Die kon ons zonder te sterven niet redden. Het is het “woord van het kruis” wat uiteindelijk de kracht van God is. We lezen dat in vers 18 van hetzelfde hoofdstuk: “Want het woord van het kruis is voor hen die verloren gaan, dwaasheid; maar voor ons die behouden worden, is het kracht van God”. Alleen door de dood en opstanding van de Heer Jezus is het zo dat die kracht werkzaam wordt en geworden is in de levens van allen die geloven. Het voorbeeld daarvan – dat wil ik toch nog even aanhalen – zien we in Handelingen 3:1-11, als het gaat om de Jood. In vers 2 zien we de man die kreupel was van de schoot van zijn moeder af. Hij werd gedragen en zat daar aan de ingang van de tempel. Dan komen Petrus en Johannes. Hij verwacht een ‘aalmoes’, zoals ook nu de mensen zich druk maken om een aalmoes, een auto, een prachtig huis, en allerlei andere zaken … aalmoezen dus … Maar hij ontvangt iets heel anders. De transformerende kracht van God wordt werkzaam in zijn leven; en in plaats van een aalmoes wordt hij een ‘geheel ander mens’, die door de kracht van God, door de naam van Jezus Christus, staat. Die kreupele benen worden krachtig. Eerst kon hij de wil van God niet doen – “zij die in het vlees zijn kunnen God niet behagen” (Romeinen 8:8) – en nu kan hij de wil van God doen. Eerst kon hij de tempel niet in, en nu kan hij door het bloed van Jezus ingaan in het heiligdom om daar God te prijzen, geestelijke offeranden te brengen. Dat wat betreft de Jood.

In Handelingen 14:8 zien we die kracht van God werkzaam in een man die in Lystra zit en geen kracht heeft in zijn voeten, kreupel van de schoot van zijn moeder af. Nooit gelopen! Ook hier wordt de kracht van God openbaar door de redding – de lichamelijke gezondmaking – van deze man die géén Jood was. De kracht van God, eerst voor de Jood, óók voor de Griek. En iemand die dat in zijn leven ervaren heeft, schaamt zich ook niet meer. Ik moet dus eerst vergeving ontvangen hebben in mijn leven, ik moet vrij gemaakt zijn uit de macht van de zonde (niet langer een slaaf), ik moet in staat zijn de wil van God te doen, door de Geest te wandelen (Romeinen 8:4) – en pas dan schaam ik mij niet meer en kan ik de blijde boodschap, het evangelie, brengen. Voordat onze mond ‘geopend’ wordt, moet eerst onze mond ‘gesloten’ worden. De apostel zegt: “… de gehele wereld strafschuldig wordt voor God”. En God sluit iedere mond (Romeinen 3:20). En iemand die dat in zijn leven ervaren heeft, het “wee mij”, kan ook het “wee u” uitspreken over hen die God nog niet kennen. Dan wordt onze mond pas geopend en mogen wij de blijde boodschap brengen.

Ik heb voor mijzelf een voorbeeldje opgeschreven van John Wesley – een hele bekende evangelist uit de 18e eeuw – die naar de Verenigde Staten wilde gaan om daar het evangelie te brengen, maar die nog niet werkelijk zelf de kracht van het evangelie ondervonden had. In een levensbeschrijving van John Wesley staat dat hij toen als het ware ‘in de lucht geslagen’ heeft; hij kreeg geen reactie op de prediking. Teleurgesteld kwam hij terug in Engeland en wist dat hem iets ontbrak … geen toewijding, dát had hij genoeg. Bijbellezen deed hij dagelijks. Hij was lid van de zogenaamde “Holyness Club” met vele andere jonge mannen. Hij werkte zich als het ware toe naar God en werd voortdurend zichzelf bewust van ‘tekort schieten’ aan die heilige eis van God, de wet. En hij wist uit de Romeinenbrief dat het door geloof alleen is; dat predikte hij ook maar hij ervoer het nog niet. Toen kreeg hij een ontmoeting met iemand van de Moravische broeders, een zekere Pieter Böhler (of zoiets). Die heeft toen tegen hem gezegd: “Preach faith till you have it and then because you have it. You wil preach faith”. Ga door met te prediken: het is door geloof alleen, ook al ervaar je dat zelf nog niet. Maar als je het ervaren hebt, dan wordt dát de prediking waardoor mensen gered worden. Kort daarna heeft hij dat ook mogen ervaren nadat hij, meen ik, iets gelezen had van Luther over de Romeinenbrief. Vanaf dát moment had hij de boodschap “door geloof alleen”, niet door mijn inspanning of wat dan ook.

Ik denk dat dat voor ons ook belangrijk is. Veel evangelisatiewerk – zoals ik dat zelf ook heb moeten ervaren in mijn eigen leven – wordt gedaan als een elfde gebod. “Gij zult Mijn getuige zijn en wie dat doet zal leven, en wie dat niet doet valt uit de gunst van God”! Als wij zó evangeliseren dan wordt het een dwang. Daardoor worden er ook geen mensen gered. Het gevolg is, dat wanneer anderen niet zo toegewijd evangeliseren, we als vanzelf op hen neerkijken, want wij presteren toch maar iets en zij niet. Zij zitten als het ware stil, leeg. Dat is niet fijn om zo het evangelie te brengen. Maar pas als we ons bewust zijn, dat we in de gunst van God staan, dat er voor mij geen veroordeling is omdat ik in Christus Jezus ben; en dat Christus voor God mijn heiligheid is, mijn rechtvaardigheid is, mijn wijsheid is en mijn verlossing is, en dat alles uit God is en niet uit mij – dan breng ik een goede boodschap. Dan pas ben ik in staat om het evangelie te brengen. John Wesley heeft daarna vrucht gekend op zijn werk maar het was eerst ‘door hem heengegaan’. Ook wij zullen vrucht hebben op ons werk als het eerst ‘mijn evangelie’ geworden is, als het ‘door mij heengegaan’ is. Dat is het eerste onderwerp, ons eigen hart.

Maar als het dan zo is, dat het evangelie ‘mijn evangelie’ geworden is, moet ik toch altijd – en dat is de andere zijde – in een optimale ‘geestelijke’ conditie zijn om voor God vrucht te dragen. Daarom is er ook nog iets in mijn eigen hart waar ik voor moet oppassen. De apostel geeft aan Timotheüs in 1 Timotheüs 4:16 het volgende advies (als dan dat evangelie door mij heengegaan is en mijn evangelie geworden is): “Geef acht op jezelf …”, want het instrument moet schoon zijn, altijd. Ik moet allereerst acht geven op mijzelf wil ik in staat zijn om acht te geven op anderen. In Handelingen 20:28 zien we opnieuw een dergelijke vermaning, waar we lezen: “Past op uzelf …”! We hebben het dus nog steeds over ons eigen hart. “Past op uzelf”. Dan nog een tekst uit Markus 9:50: “… Hebt zout in uzelf en houdt vrede onder elkaar …”. Met het oog op mijzelf moet ik de grootst mogelijke gestrengheid betrachten. “Als uw voet u een aanleiding tot vallen is, hak die af” (vers 45). “Als uw oog u een aanleiding tot vallen is, werp het uit” (vers 47). Als uw hand u een aanleiding tot vallen is, hak die af” (vers 43). Hebt zout in uzelf, want hoe kan ik verwachten dat God het evangelie zegent als het instrument vuil is, niet schoon is. Alleen wanneer het schoon is, kan God dat instrument op de goede wijze gebruiken. Dus met het oog op ons eigen hart moeten we allereerst het evangelie ervaren hebben in ons eigen leven – de kracht van God -; en ten tweede als we dat ervaren hebben, ook altijd praktisch in zo’n toestand zijn dat God het instrument – mij, jouw, u – kan gebruiken. Dat is ons eigen hart.

Nog even aandacht voor het feit dat “zout in uzelf” heel belangrijk is. Als het gaat om “… houdt vrede onder elkaar”, wat daar op volgt, denk ik dat we kunnen zeggen dat ten opzichte van ‘anderen’ we juist ‘mild’ moeten zijn en ten opzichte van ‘onszelf’ dus ‘streng’ moeten zijn. “Hebt zout in uzelf”.

Wordt D.V. vervolgd.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol