13 jaar geleden

Zendings- en evangelisatieconferentie (II)

 Deze toespraken werden in de jaren ’80 van de vorige eeuw gehouden tijdens een zendings- en evangelisatieconferentie. Degenen die ook verlangen om de heerlijke boodschap van “de Heer Jezus Christus en die gekruisigd” uit te dragen, beveel ik dit van harte aan. Velen die deze conferentie bijwoonden, zijn aangespoord en bemoedigd om zich ook in dit opzicht aan de Heer toe te wijden. Hopelijk heb je het eerste artikel in het vorige nummer ook gelezen. Zo niet, dan raad ik je aan dat eerst te doen. Wat is kenmerkend voor een evangelist? Ken jij je Bijbel? Deze vragen zijn zeer relevant is bij dit onderwerp. Lees verder …

Zending en evangelisatie op het veld

 

Enkele korte gedachten (vervolg)

Hoofdstuk 3.

Het is wel zo, dat datgene wat we gezien hebben aan het einde van hoofdstuk 2, namelijk “dat de Heer dagelijks toevoegde”, dat er daar tóch de verantwoordelijkheid van de individuelen is. In hoofdstuk 3 zien we de ‘krachtige’ prediking. Ik zal nu opsommen wat ik in hier in dit hoofdstuk zie.

  1. In vers 1-3 zien we de diepe nood. Hier zit een man aan de Schone Poort die kreupel is. Dat is de nood. Wij moeten dat zien als een geestelijke nood van diegenen die in onze omgeving zijn.
  2. Vers 4-5 toont een unieke gelegenheid voor kinderen van God. Petrus en Johannes gaan op naar de tempel. En daar ligt die man. Een unieke gelegenheid. De nood staart hen aan.
  3. Vers 6. Petrus zegt tegen deze man: Kijk ons aan. En dan zegt Petrus: “Zilver en goud heb ik niet, maar wat ik heb, dat geeft ik u”. Eventjes dat zinnetje: Maar wat ik heb, dat geeft ik u. Wat hebben wij? Hebben wij niet (geestelijke) gaven ontvangen? Wat doen we er nu mee? Wat doen wij met het evangelie? En dan denk ik aan het evangelie in zijn geheel. Niet alleen maar: Kom tot bekering. Nee, maar aan het evangelie in zijn totaliteit. De leer van het evangelie. Dus dan heb je de nood, je hebt de gelegenheid en je hebt de gaven. Dat hebben wij toch ook. Deze drie dingen zien we toch rondom ons heen?
  4. Vers 7. De juiste methode om die gaven te gebruiken. Wat doet Petrus? “Hij greep hem bij de rechterhand”. En dat spreekt ook tot ons. Als wij als Christenen een soort van isolatie onderhouden … als wij de leer van de afzondering – en dat is natuurlijk een Bijbelse leer – zo ver door gaan drijven dat we ons afzonderen van onze medemens rondom ons heen, dan zijn wij de farizeeërs van deze dag. Dan kunnen we geen zielen bereiken. Wat deed Petrus? Hij kwam tot die man, hij ging naar hem toe en greep zijn hand. Het is het persoonlijke contact met de ziel. Gaan zitten waar hij zit … hem begrijpen … zijn vertrouwen winnen. Kijk maar eens naar Johannes 4 hoe de Heer Jezus dat Zelf deed. Hij greep hem bij de hand omdat hij dicht bij hem was, dicht bij mensen. Daar heb je moed voor nodig. Maar dat geeft de Heer.
  5. Vers 8. En wat is dan het resultaat? Ten eerste: ‘hij sprong op’; ten tweede: ‘ging hij staan’; ten derde ‘liep hij’ en rende de tempel in. En ten vierde, eind van vers 8: ‘hij prees God’. Wat een heerlijk resultaat! Petrus en Johannes waren bereid, geleid te worden door de Heilige Geest. Zo zien we de kracht van het Woord van God. Ja, dat wij zo voor de Heer willen leven!

Hoofdstuk 5.

  1. In de eerste 11 verzen zien we daar – en dat is ook weer zo’n gevolg als de Heilige Geest werkt – de openbaring van het kwaad in de plaatselijke vergadering. Daar wordt ons ook geleerd hoe dit kwaad te oordelen is. Maar wat ik wilde benadrukken is niet dit, maar de volgende verzen, vers 12-42. Niet de openbaring van het kwaad maar de openbaring van het leven van Christus. Zij waren bereid voor Hem te lijden. Ze werden in de gevangenis geworpen.
  2. In de gevangenis werden zij bemoedigd door de Heer Jezus. Zie maar naar vers 20, waar de Heer zegt: “Gaat heen, en gaat staan in de tempel”
  3. Vers 21-25: Zij waren volkomen toegewijd aan de Heer. Ze zeiden niet: Het is te gevaarlijk, dat kunnen we toch niet doen! maar er staat in vers 21: “… gingen zij in de morgenstond in de tempel en leerden”. Volkomen toewijding
  4. Vers 26-28: Zij werden beschuldigd om Zijn naam. De farizeeërs zeiden in vers 28: “Wij hebben u ernstig bevolen in deze Naam niet te leren, en zie gij hebt Jeruzalem met uw leer vervuld en wilt het bloed van deze mens over ons brengen”. En het antwoord daarop? dat vinden we in in vers 29-32. Zonder enige angst zegt Petrus in vers 29: “Men moet God meer gehoorzamen dan mensen”.
  5. Vers 42: “En zij hielden niet op, elke dag in de tempel en in de huizen te leren en te verkondigen, dat Jezus de Christus is”. Kortweg: Zij volhardden ondanks de moeilijkheden, ondanks de tegenstand, ondanks de activiteiten van de vijand in hun midden.

Tot slot iets over het laatste hoofdstuk, waarvan ik iets zou willen zeggen.

Hoofdstuk 6
Daar zien we weer het doel van de Heilige Geest. En dat is ‘vermenigvuldiging’. Zie maar in vers 1: “In die dagen nu, toen de discipelen talrijker werden …”. Zie maar in vers 7: “En het woord van God nam toe en het getal van de discipelen in Jeruzalem vermeerderde zeer en een grote menigte van de priesters werd gehoorzaam aan het geloof”. Wat is de sleutelgedachte van dit hoofdstuk?

‘Vermeerdering, vermenigvuldiging’. En weet u wat zo prachtig is? Ondanks de moeilijkheden in de vergadering [= gemeente] – er was namelijk verdeeldheid (het is wel erg om het op te merken, maar er is zo veel verdeeldheid, iets wat wij ook zo vaak zien. In die gemeente in Jeruzalem waren zogenoemd ‘open’ en ‘gesloten’ elementen. Dat hebben wij vandaag óók. Die open elementen zijn de Griekssprekende Joden. Die kwamen uit het hele Midden-Oosten; die waren niet in Israël geboren, dat zijn de Hebreeuws-sprekende Joden. Maar de Griekse waren met de wereld in aanraking geweest, hadden andere landen gezien enzovoorts … die stonden veel meer open. Zo heb je het ‘open’ element. Maar aan de andere kant heb je de Hebreeuws-sprekende Christen, conservatief, gesloten, weinig contact gehad met buiten. Dan zie het conflict. Laten we toch niet ontmoedigd worden, brusters, ook al constateren wij dat zoiets vandaag ook nog kan voorkomen. Ondanks dát kan de Heilige Geest toch nog doorgaan, als wij maar bereid zijn tot de individuele, de persoonlijke gehoorzaamheid aan de leiding van de Heilige Geest, die toch nog tot vermenigvuldiging kan leiden.

Hoofdstuk 7
En tenslotte zien we in hoofdstuk 7 het lijden voor het evangelie. Stéfanus die zijn leven neerlegt voor de Heer Jezus.

Tot slot

Tot slot nog een korte opsomming van de karakteristieken van een evangelist.
Dat zie je toch wel in hoofdstuk 8. Dat gaat wel even buiten de hoofdstukken die ik wilde bestrijken, maar ik kan toch niet nalaten om eventjes aan de duiden van wat dan een typische evangelist is. Je ziet een tweevoudige evangelisatie-activiteit in hoofdstuk 8. In vers 4 zie je een evangelisatie die gericht is op de massa: “Zij dan die verstrooid waren gingen het land door”. Maar in vers 35 zie je de evangelisatie-activiteit die gericht is op de ‘individu’, op die ene. En ik geloof dat wij wel het meest verbonden zijn met dat individuele, de individuele activiteit. En dat is dus Filippus. Ik begin in vers 26 met het opsommen van wat dan typerend is van een evangelist.

  1. Hij laat zich leiden door de Heilige Geest.
    “Een engel van de Heer nu sprak tot Filippus de woorden: Sta op en ga zuidwaarts …” (vers 26).
  2. Gehoorzaam zijn: “En hij stond op en ging” (vers 27).
  3. Aanpassingsvermogen: “Ga naar die wagen en blijf er in de buurt. En Filippus liep er snel heen en hoorde hem de profeet Jesaja lezen; en hij zei: Begrijpt u wel wat u leest?” (vers 29-30); en dan klimt hij die wagen in en begint dan niet met een ander onderwerp. Aanpassing! Hij past zich aan bij wat die man leest. Daar knoopt hij dus aan. Niet met een ander onderwerp beginnen! Dit leidt ons naar een ander onderwerp: hij kent zijn Bijbel.

Dus nog eventjes repeteren.

  • Ten eerste: hij laat zich leiden door de Heilige Geest.
  • Ten tweede: hij is gehoorzaam aan die leiding.
  • Ten derde: hij is nederig en aanpassend. Hij schaamt zich niet te rennen naast die wagen en knoopt aan wat die man aan het lezen is. Vers 30: hij is vol met tact en wijsheid en hij strekt zich uit naar zondaars (vers 29-30).

Tot slot vers 35, daar wil ik graag mee eindigen. Wat predikt hij hem? Wat moeten wij prediken? “En Filippus opende zijn mond en te beginnen van die Schrift verkondigde hij hem Jezus”. Kijk maar in dit hoofdstuk. Diezelfde Filippus past zijn verkondiging aan aan de nood van zijn toehoorders. Aan het begin van dit hoofdstuk spreekt hij tot de Samaritanen, en daar verkondigde hij hen Christus. Waarom? Die Samaritanen verwachtten de Messias, en Die was gekomen. Nu zegt Filippus: jullie verwachten de Messias, de Gezalfde? Christus, hij predikte hun Christus (vers 5). Maar die Ethiopiër kende niets. Hij had nog nooit van iets gehoord. En deze las van die man in de profeet Jesaja. En wie was die man? Filippus zei: Dat is de nederige Mens, de Zoon van God, Jezus. Dát is onze boodschap!

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol