2 jaar geleden

Wat is mijn deel nu … en tot in eeuwigheid?

Psalm 17 vers 14
“… bevrijd mij met Uw hand van de mannen, HEERE, van de mannen van de wereld, die hun deel hebben in dít leven”.

In dit artikel worden verschillende bijbelgedeelten aangehaald. Neem de tijd om deze ook te lezen. Dat zal u zeker niet teleurstellen! De aanleiding tot dit artikel is het vers uit Psalm 17 hierboven.

De mannen van de wereld …

Wie zijn die mannen vandaag? Om daar achter te komen moeten we eens om ons heen kijken. Dan zien we mensen die hun deel in deze wereld hebben. Dat betekent dat zij hun hele leven richten op het hier en nu. Zij beelden zich in dat er ook niets anders is. Zij kennen geen God en zijn dus dwaas, zo zegt de bijbel. “De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God” (Ps. 14:1). Dit is niet denigrerend bedoeld, maar dit is wat de werkelijkheid is. Daar moeten we met het oog op onze ‘eeuwige’ toekomst niet aan voorbijgaan, zoals helaas velen doen. U ook?

Er zijn echter óók nog andere mensen. Mensen die niet meer tot het systeem, dat ‘wereld’ heet, behoren (Joh. 16:11; 17:16). Zij zijn ontkomen aan de macht van de overste van deze wereld, de satan. Zij zijn overgebracht van de duisternis in het wonderbare licht van God (1 Petr. 2:9). Zij zijn ‘getrokken’ uit deze boze wereld en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde – de Zoon van God dus – (Kol. 1:13). Zij zijn kinderen van God geworden.

Wat een verschil hè? Waar hoort u bij?

… die hun deel hebben in dít leven

De kinderen van God die niet meer tot de wereld behoren, hebben een heel ander deel en doel. Hun toekomst ligt niet hier beneden, dus in het ‘beperkte’. Hun toekomst ligt hierboven, in de hemel. Zij zijn namelijk ‘hemelburgers’ geworden. De Filippiërs hadden het Romeinse burgerrecht, maar zij woonden in Filippi. Hun gedrag zou à la de Romeinen moeten zijn, die in Rome woonden. Maar de apostel verklaart de gelovigen uit Filippi het volgende: “Weest samen mijn navolgers, broeders, en ziet op hen die zó wandelen als u ons tot voorbeeld hebt. Want velen wandelen, van wie ik u dikwijls heb gezegd en nu ook wenend zeg, dat zij de vijanden van het kruis van Christus zijn. Hun einde is [het] verderf, hun god is de buik en hun eer is in hun schande; zij bedenken de aardse dingen. Want ons burgerschap is in [de] hemelen, waaruit wij ook [de] Heer Jezus Christus als Heiland verwachten, Die het lichaam van onze vernedering zal veranderen tot gelijkvormigheid aan het lichaam van Zijn heerlijkheid, naar de werking van de macht die Hij heeft om ook alles aan Zich te onderwerpen” (Fil. 3:19).

Dus … zou hun gedrag, hun leven, nooit à la Rome kunnen zijn. Hun wandel zou juist volkomen tegengesteld moeten zijn, omdat zij “kinderen van het licht” (Ef. 5:8; 1 Thess. 5:5;) waren geworden. Nu mochten ze – en dat konden ze ook – schijnen als “lichten in de wereld”. Een wereld die beheerst wordt door satan, de grote tegenstander van God. Maar voor een ieder die “het licht” ontdekt heeft, die verlicht is door de Heilige Geest en zijn of haar toevlucht tot de Heer Jezus Christus genomen heeft, kan wandelen in het licht (1 Joh. 1:4). Als wij dat gedaan hebben, onze zonden aan God beleden hebben en geloven dat Jezus Christus al onze zonden – ja, alle – gedragen heeft op het kruis van Golgotha (1 Petr. 2:24), dan mag u nu ‘met Hem’ wandelen in het licht. Dat past geheel bij God want God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis (1 Joh. 1:5). Dan hebben we Hem – die het waarachtige Licht is – aangenomen Die tot het Zijne kwam (het volk Israël) en hebben het recht om kinderen van God te worden én zijn het ook (Joh. 1:9-13). Dat zijn we omdat wij geloofd hebben in de Zoon van God Die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij overgeven heeft (Gal. 2:20). Dat geloof is essentieel. En als iemand zijn of haar hart dáár voor open stelt, geeft God door de Heilige Geest zelfs ook nog dat geloof, want dat hebben wij van nature niet. Het geloof is een gave van God. Daarom staat er ook: “Want uit genade bent u behouden, door [het] geloof; en dat niet uit u, het is een gave van God; niet op grond van werken, opdat niemand roeme” (Ef. 2:8). Ja, God heeft zich over ons in genade neergebogen en ons redding aangeboden door Jezus Christus, Zijn Zoon. Wat een liefde en wat een genade!!!

Hebt u Zijn aanbod van genade al aangenomen?*

Bedenk wel goed dat als u dit aanbod van genade – in feite Jezus Christus Zelf – niet aanneemt, u een kind van de duisternis bent en blijft. En dat is verschrikkelijk! U blijft dan onder de invloed van de overste van de wereld, de satan. En deze is een mensenmoordenaar van den beginne (Joh. 8:44). Hij spreekt alleen maar leugen. Heeft met de waarheid niets op, dus ook niet met Jezus Christus, Die de weg en de waarheid en het leven is (Joh. 14:3). Satan heeft niet uw geluk op het oog, niet uw werkelijk welzijn. Hij is de vernietiger van waar geluk, van vrede en liefde.

Vervolgens is dan ook uw deel alleen hier beneden, in dít leven. En dat deel zal er ook niet altijd even gelukkig uitzien. Misschien herkent u dat wel. Uw huwelijk is gebroken, kinderen zijn daardoor alle kanten op ‘gevlucht’, misschien bent u ernstig ziek en bent u volledig afhankelijk van anderen, uw baan staat op de tocht of u bent zelfs werkloos. U hebt torenhoge hypotheekschulden die niet te overzien zijn. U zwerft misschien langs de straat, bent ‘dakloos’. Mogelijk hebt u niet lang meer te leven en denkt u: Gelukkig, dan is alles voorbij, en denkt u er zelfs over om zelf uw leven te beëindigen.

Maar daarna is alles niet voorbij, ook al wilt u dat zo graag geloven. Nee, dan zult u de eeuwigheid doorbrengen in de poel van vuur, ver en onbereikbaar verwijderd van God (Openb. 20:14-15). Daarom raad ik u aan: “Geloof in de Heer Jezus en u zult behouden worden” (Hand. 16:31). Doe dat alstublieft voordat het voor eeuwig te laat is.

Twijfelaars – hopelozen – onrechtvaardigen

Misschien twijfelt u er aan dat u er geschikt voor bent om een kind van God te zijn. U bent in uw eigen ogen véél te slecht. Wel, dan heb ik echt goed nieuws voor u. Juist dezulken – namelijk zondaars – heeft God op het oog. Als u zich verloren voelt in deze duistere wereld, als u het idee hebt dat u nergens voor deugt, dan is er hoop voor u. U bent nu nog veraf van God, veraf van Christus. Maar Christus is juist ‘dichtbij’ gekomen! Hoe? Door op aarde te komen en het werk van God te verrichten op grond waarvan u en ik wèl dichtbij kunnen komen, dichtbij God, dichtbij Zijn Zoon. Dat werk van God betekende dat Hij niet alleen naar deze wereld zou moeten gaan om daar enkele jaren rond te wandelen en te laten zien Wie Hij was, om vervolgens weer terug te keren. Nee, Hij kwam om de wil van God te doen zowel tijdens Zijn leven als tijdens Zijn sterven. Hij stierf namelijk de kruisdood voor u en mij. Hij werd onder de misdadigers gerekend door de mensen. Waarom? Omdat de mensen – u en ik evengoed – in het duister wandelden en het niet konden hebben dat Hij Zijn licht op hun hart wierp als het Licht van de wereld. Toen werd alles openbaar, werd alles zichtbaar wat in het hart leefde en werd de conclusie bevestigd: “Er is geen rechtvaardige, ook niet één; er is niemand die verstandig is; er is niemand die God zoekt; allen zijn zij afgeweken; samen zijn zij nutteloos geworden; er is niemand die goed doet, er is zelfs niet één” (Rom. 3:10-12). Dit is mijns inziens volkomen duidelijk. Komt misschien wel hard aan hè? Maar of u eraan wilt is een andere zaak, maar wel úw zaak. Realiseert u zich wel dat God de dingen wel zó ziet? Daarom: Laat u gezeggen, of zoals de apostel Paulus getuigt: “Laat u met God verzoenen” (2 Kor. 5:20). Dat is het enige wat u nodig hebt als u nog geen kind van God bent, namelijk “vrede met God”. Deze kunt u alleen verkrijgen door het geloof in de Heer Jezus Christus Die de grondslag van de verzoening op het kruis van Golgotha gelegd heeft (Rom. 5:1)*.

En wat is het deel van de kinderen van God?

Dat is zoveel en zo wonderbaarlijk heerlijk! Toch wil ik enkele dingen noemen en er kort op ingaan.

1. “Ik ben met Christus gekruisigd; en niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij; en voor zover ik nu in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, Die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven”. Dit vers is al eerder geciteerd, nu echter wil ik graag wijzen op het feit dat “ik leef door het geloof in de Zoon van God Die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven”. Ja, ik leef nu door het geloof in de Zoon van God. Ik leef in het vertrouwen op Hem Die mij zo liefgehad heeft, dat Hij Zichzelf voor mij overgegeven heeft. Hij zal mij daarom ook nooit meer laten vallen, ik ben voor tijd en eeuwigheid gered door en voor Hem. Dit leven door geloof staat in schril contrast met het leven in ongeloof, want dat laatste is namelijk het deel van de ongelovige. Dit leven in geloof geeft rust en vrede, ook in moeilijke omstandigheden. Want ook een gelovige kan in moeite en verdriet geraken. Soms door eigen schuld als gevolg van een verkeerde wandel; een wandel waarin niet meer geluisterd wordt naar de liefdevolle woorden van God die we in de bijbel lezen kunnen. In zo’n geval oogst óók een gelovige ‘verderf’ wanneer hij zaait op de akker van zijn vlees (Gal. 6:7-9). Normaal zou moeten zijn voor een kind van God, dat hij wandelt door de Geest, dit is in overeenstemming met de Geest van God (Gal. 5:16).

2. Een ander deel is dat ik contact (gemeenschap) heb met mijn Heer en Heiland en met God mijn Vader. Dit door gebed. Zeer belangrijk om dit te onderhouden. Dat behoort evenals het eerste punt hierboven tot mijn verantwoordelijkheid. Wanneer ik dit doe krijg ik steeds meer te zien van Hem Die mij zo liefhad en liefheeft. Hij wil graag mijn Gids zijn maar dan moet ik ook Hem toestaan dit te zijn en steeds meer te worden. Gemeenschap dus met God de Vader en met God de Zoon (1 Joh. 1:3).

Gebed is onontbeerlijk, we kunnen niet zonder. We hebben Hem heel erg nodig. En dat weet Hij en daarom heeft Hij ons ook het gebed gegeven. Het gebed dat ons de toegang geeft om tot Hem te naderen, met Hem te spreken. Het gevolg is blijdschap, rust en vrede.

“Weest in niets bezorgd, maar laat in alles door gebed en smeking, met dankzegging, uw verlangens bekend worden bij God; en de vrede van God, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten bewaren in Christus Jezus” (Fil. 4:6-7). Ja, zorgen heeft ieder mens, dus ook een kind van God. Maar wat doen we ermee als kind van God? Proberen we eerst zelf alles op te lossen om vervolgens tot de ontdekking te komen dat dit niet lukt, waarna we dan de ‘stoute schoenen’ aantrekken om God te vragen. Nee, dat is niet de juiste weg. Laten we erkennen dat God voor ons zorgt. Dat is geen illusie, dat is de werkelijkheid. Dat kunnen we ook vinden in de bijbel onder andere in 1 Petrus 5 vers 7. Dat is klaar en helder. Het punt is dat we ons niet moeten laten verleiden, dat de zorgen ons brengen tot bezorgdheid. Dat wil de vijand van onze zielen zo graag. Dat we verdrinken in onze zorgen en hiermee niet naar onze zorgende God en Vader gaan. Dan zitten we ‘gevangen’ in onze zorgen en zien niets anders meer. Dat is bezorgdheid1. Zover moeten we het niet laten komen.

Hoe krijgen we dat dan voor elkaar? Wel, door deze zorgen voor God neer te leggen én ze er ook te laten liggen. Bespringen ons deze zorgen opnieuw, wel dan gaan we weer naar Hem toe en vertellen Hem dit ook eerlijk. Wat denkt u? Zou Hij dan ons laten verdrinken erin, zou Hij het fijn vinden dat u en ik bezorgd zijn, zou Hij ervan genieten wanneer Hij ons ziet ploeteren in de modder van de zorgen? Dat gelooft u zelf toch niet?! Zó is onze hemelse Vader absoluut niet. Hij wil ons juist helpen om temidden van de zorgen en moeilijke omstandigheden de weg en de kracht te vinden om het te doorstaan. Om er mee om te kunnen gaan. Het zou ook maar zo kunnen zijn, dat Hij graag onze stem hoort in gebed. Hij heeft ons immers lief? Ja, dat is ons deel. We mogen in alles tot Hem gaan, Hem onze zorgen bekend maken. Maar ook onze verlangens, want die zijn er immers ook legio. Het gevolg is “vrede”. Ja, temidden van dit alles wat ons zo drukt. Een vrede die alle verstand te boven gaat. Ja, dat is immers ook niet te begrijpen. Menselijkerwijs gesproken kan een uitzichtloze situatie iemand alleen maar dieper in de misère doen belanden. Maar deze vrede van God maakt dat we er bovenuit getild worden. We kunnen ons tóch in de Heer verblijden, zoals we dat ook vinden in Filippi 4: “Verblijdt u altijd in de Heer! Nog eens zal ik zeggen: Verblijdt u! (Fil. 4:4; zie ook 3:1). De omstandigheden zelf verblijden ons niet, maar de Heer wel! Zie, dit deel hebben we dus ook tijdens ons verblijf hier op aarde.

Ter aanvulling verwijs ik ook naar Efeze 6 vers 17-18. Daar zien we ook dat het Woord van God – de bijbel – naast het gebed een cruciale rol speelt. Welke rol speelt het Woord en het gebed bij u? Ik citeer: “En neemt de helm van de behoudenis en het zwaard van de Geest, dat is het Woord van God, terwijl u ten alle tijde bidt in [de] Geest met alle gebed en smeking voor alle heiligen, en voor mij, dat mij bij [het] openen van mijn mond [het] woord gegeven mag worden  om met vrijmoedigheid de verborgenheid van het evangelie bekend te maken – waarvoor ik een gezant ben in een keten – opdat ik daarover vrijmoedig spreek, zoals ik moet spreken” (Ef. 6:17-20). Dit deel van de wapenrusting ligt binnen het bereik van elke christen. Voor alle duidelijkheid: Geen enkel deel zou bij ons moeten ontbreken. Welk onderdeel van de geestelijke wapenrusting we ook  nalaten of verwaarlozen, het zal ons zeker schaden. Dus ook het Woord en het gebed. Het Woord wil en kan ons ook leiden in ons gebed.

Ook het gebed voor hen die een dienst voor de Heer verrichten is heel noodzakelijk. Dat zien we hier ook bij de apostel Paulus. Ook hij had dit nodig. Hij kon niet zonder gebed omdat ook hij afhankelijk was van de hulp en de kracht van de Heer. Zou dat voor ons dan ook niet gelden? De vraag stellen is haar beantwoorden, ja dus! Ook wij mogen bidden voor onze broeders en zusters die een dienst voor de Heer verrichten. Denken we daar wel genoeg aan? Als we dit doen dwingt ons dat ook om ons met deze broeder of zuster bezig te houden, mogelijk ook door in praktisch opzicht hen tot een hulp te zijn. Er staat wel: “En neemt …”, dat betekent dus dat we dit zelf moeten doen. Dat kan niet een ander voor mij doen.Zowel het biddend lezen en onderzoeken van het Woord van God én het gebed zijn de voorwaarden dat we genieten van de geestelijke zegeningen die we in Christus ontvangen hebben (Ef. 1:3-14). Ook zal het ons tot geestelijke groei brengen, niet om er mee te pronken maar om God daarvoor te danken, te loven en te prijzen. Wel mogen en kunnen we dan ook uitdelen wat we ontvingen. Dat is dan ook weer tot zegen voor anderen en – als ‘toetje’ – tot vreugde en zegen voor onszelf!

3. “Uw goedertierenheid is immers beter dan het leven; daarom zullen mijn lippen U prijzen” (Ps. 63:4). Dat behoort ook tot het deel van hen die tot het volk van God behoren. In hun leven mogen zij ervaren dat de goedertierenheid van God beter is dan het leven. Vandaag hoor je alom de leus: Ik haal zoveel mogelijk uit het leven wat eruit te halen valt. Het is duidelijk wat men hiermee bedoelt. Er wordt dan ook vaak aan toegevoegd hoe men dit dan voor zich ziet. Ik noem er enkele in willekeurige volgorde.° Een prachtig ruim en luxueus huis in een omgeving die mij aanstaat, waar ik mij ‘happy’ voel;° elk jaar op vakantie – het liefst enkele keren -, graag dan ook naar de ‘warmere’ bestemmingen; o ja, natuurlijk dan ook met alles erop en eraan;

° exclusieve auto met alle nieuwe snufjes;
° om de zoveel tijd een andere partner, anders begint het vervelend te worden;
° kinderen door anderen laten opvoeden want daar gaat mij teveel tijd en energie in zitten;
° seksueel volop aan mijn trekken komen;
° een baan waarmee ik uiteraard veel geld verdien;
° veel vrije tijd;
° moderne computer(s), tablet(s), mobiele telefoons, enz.;
° lieve vrouw of man die alles doet wat ik wil alsmede kinderen die niet al te lastig zijn.
° gezondheid, want anders zie ik het niet meer zo zitten als mijn ziekte te lang duurt. Dan maak ik er liever een eind aan.

U kunt er ongetwijfeld zelf nog veel meer aan toe voegen. Tóch kunnen al deze dingen niet op tegen de goedertierenheid van God. Hoeveel rijkdom, eer en genietingen ons ook toebedeeld worden, en dat zou kunnen dat God ons dat schenkt. Ook David ontbrak het daar niet aan, hoewel hij zeker ook veel ‘lijden’ gekend heeft. Om werkelijk te ervaren dat de goedertierenheid (synoniemen, o.a.: goedheid, barmhartigheid, genade, vergevingsgezindheid, zachtmoedigheid) van God meer dan het leven is, moet je het heiligdom van God binnengaan, waar alleen onze ogen geopend zullen worden voor Zíjn goedertierenheid. Daar zien we ook het volgende: “Het is de goedertierenheid van de HEERE dat wij niet omgekomen zijn, dat Zijn barmhartigheid niet opgehouden is” (Klaagl. 3:22). Dat is nu reeds hét deel van ons leven, wij die het eigendom (1 Petr. 2:9) geworden zijn van Hem, Die voor ons leed en stierf op het kruis van Golgotha. Daar in het heiligdom2, in de tegenwoordigheid van God, zullen we daarom dan ook komen tot aanbidding voor Hem.Laten we eens nadenken voor onszelf over Zijn goedertierenheid die Hij ons in ons leven bewezen heeft en nog steeds bewijst!3 Zouden we dan niet een lijst krijgen van veel meer dan 11 punten? Ja, zou die lijst niet oneindig worden, immers hoe meer we erover nadenken hoe langer die lijst wordt?!

4. We hebben een heerlijke, hemelse hoop. Ook dat is ons deel reeds hier op aarde, in die zin dat we er nu al van genieten kunnen en ons erdoor kunnen laten inspireren. Vaak moet ik denken aan het volgende oude lied. Ik hoop dat de jongeren dit niet afschrikt. Oude liederen hoeven immers niet per definitie ‘afgeschoten’ worden. Het gaat toch om de inhoud, nietwaar.

O, daar te zijn,
waar nimmer tranen vloeien,
waar ’t hart geen angst, geen zorgen kent noch pijn,
waar doorn noch distel groeien.
O, daar te zijn! O, daar te zijn!

O, daar is ’t schoon,
in ’t Vaderhuis der vromen,
daar is geen kruis, dan is de doornenkroon
van ’t buigend hoofd genomen.
O, daar is ’t schoon! O, daar is ’t schoon!

O, daar, daarheen,
waar ziekten zijn noch graven.
Dorst hier het hart naar Gods gerechtigheên,
’t kan daar zich eeuwig laven.
O, daar, daarheen! O, daar, daarheen!

O, daar zijt Gij,
de bron en Heer des levens.
Daar ben ik thuis, daar van de zonde vrij,
en eeuwig zalig tevens.
O, daar zijt Gij! O, daar zijt Gij!

Dit lied heeft alles te maken met onze hemelse hoop. Deze hoop geeft ons nu reeds kracht en moed. Maar ook een verlangen om dáár te zijn, bij Hem. En wel met volmaakte, hemelse, verheerlijkte lichamen (verg. 1 Kor. 15; 1 Thess. 4:13-18; 2 Kor. 5:1-10). Mijn lichaam waarin ik nog zucht, herinnert mij voortdurend aan de voor mij liggende heerlijkheid. Een heerlijkheid overigens waaraan ook de schepping deel zal hebben, omdat zij óók deel heeft aan de gevolgen van de zonde en in ‘barensnood’ is. Vooral als je ziek bent, zeker als je ernstig ziek bent, word je daaraan herinnerd. Mijn lichaam heeft immers nu nog géén deel aan de verlossing. Dít verwachten wij nog. Dat maakt dat we de verlossing van ons lichaam ‘verwachten’. Broeder, zuster, zie hiernaar uit met ‘volharding’ (zie Rom. 8:18-25). Het duurt niet lang meer …

Wat Hij beloofd heeft, zal zeker ook in vervulling gaan, dat weten we immers. Vergeet dat nooit, ondanks al uw lijden. Hij wil u in dit lijden ook bijstaan en bergt al uw tranen in Zijn fles (Ps. 56:9). Dat doet Hij en dat doet Hij niet voor niets. Dat doet Hem iets, Hij trekt het Zich wel terdege aan wat u door moet maken. Op Zijn tijd zal Hij al uw tranen drogen4.

De Heer Jezus heeft ons een plaats bereid en zal al de Zijnen ook dáár brengen, waar Hij is. “En als Ik ben heengegaan en u plaats heb bereid, kom Ik weer en zal u tot Mij nemen, opdat ook u zult zijn waar Ik ben” (Joh. 14:1-5). Wat een heerlijke toekomst, geliefde brusters [5]. Laten we ons daardoor laten inspireren, want dat is ons toekomstig deel. Toekomstig, ja, maar wel zo, dat het hier op aarde al ons deel is. Dat wil zeggen dat we hieruit op aarde mogen leven, ondanks al ons lijden en zuchten, ondanks alle moeiten en verdriet. Ja, laten we leven in het besef, dat we verenigd met al onze geliefden – die nu al in het paradijs zijn -, rondom Hem, bij Hem zullen zijn. “O, wat een dag zal dat zijn”.

* Hebt u daarvoor hulp nodig? Wel, dat kan. Als u op deze site contact aan klikt, kunt u uw vraag stellen. Dan zal u hulp geboden worden met de hulp van de Heer, die u en mij helemaal kent en doorgrondt.

NOTEN:
1. Bezorgdheid is een gemoedstoestand die optreedt als iemand bezorgd is, oftewel over iemand anders in zit. Men vraagt zich bijvoorbeeld af hoe iemands gezondheid is, of door ouders, als een kind te laat thuis komt. Vaak zijn moeders overbezorgd vanwege hun kinderen en kunnen ze van het piekeren niet slapen. Bezorgdheid komt van het werkwoord zorgen … {WikiPedia}
2. Hier verwijs ik reeds naar het artikel in FW met de titel: “Hallo-ween … hallo-jubel”.
3. Als u wilt kunt u mij daarover ook iets vertellen. Misschien is dit dan ook geschikt  om gepubliceerd te worden.
4. Ik verwijs hierbij naar de bijbeltekst overdenking op FW over Psalm 56.
5. Hiermee worden in FW de broeders en zusters wel vaker aangeduid.

Geplaatst in: , ,
© Frisse Wateren, R. Mol