7 jaar geleden

Met een ruim hart op de smalle weg – (3)

Vrijheid of onafhankelijkheid?

Hoofdstuk 3

Wij leven, zoals wij al gemerkt hebben*, in zeer ernstige dagen, wat het getuigenis van de gemeente van God in deze wereld betreft. God heeft ons in Zijn genade door Zijn woord ons op deze dagen voorbereid (2 Tim. 3:1), en ook had de apostel Paulus in zijn afscheidsrede in Miléte in het bijzonder voor de gevaren van binnen uit gewaarschuwd (Hand. 20:30). Nu, wij bevinden ons vandaag midden in deze gevaren, en het schijnt mij uiterst noodzakelijk, dat wij ons opnieuw op bepaalde principes van het Woord van God bezinnen.

Een kring van de gemeenschap?

Recentelijk werden dingen in twijfel getrokken, die rechtstreeks de grondslag van het samenkomen van de gelovigen raken. Is het waar dat wij in onze afzondering tot nu toe te ver gegaan zijn, doordat wij in de regel alleen met hen het brood breken, die “met ons in gemeenschap aan de tafel van de Heer” zijn, en bij andere gelegenheden bezoekers in individuele gevallen zorgvuldig beproeven, of zij wel aan de voorwaarden tot toelating voldoen, die in overeenstemming met de Schrift zijn? Of beantwoordt het aan de gedachten van God, dat wij ons alleen van zulke groepen gescheiden moeten houden, bij wie openlijk kwaad in leer of praktijk geduld wordt, terwijl voor individuele personen en voor gehele vergaderingen de vrijheid bestaat, met zulke Christelijke groepen, die van deze dingen vrij zijn, wederzijds het brood te breken, wij bij hen en zij bij ons, aangezien de Heer bij hen eveneens in het midden is als bij ons? Is het verwijt juist, dat wij een vaste kring van gemeenschap vormen en niemand toelaten willen, die niet in alles aan onze gedachten overeenstemt?

Ik zou met het laatste punt willen beginnen. Onder kinderen van God bestaat naarmate het karakter en aanleg van de individuele personen altijd het gevaar, om of te streng en gesloten of echter te open en zachtaardig te zijn. En in overeenstemming met de invloed, die wordt uitgeoefend, kan een groep of een lokale gemeente in een of andere richting worden geduwd. Daarom moeten wij daadwerkelijk voor het een als wel voor het andere op de hoede zijn. Allebei zijn niet van God. Maar onze roeping is de eenheid van de Geest te bewaren in de band van de vrede (Ef. 4:3). Wat dat in de praktijk betekent, heb ik al geprobeerd om aan te tonen, maar op sommige verdere aspecten zal ik zo meteen nog ingaan. Maar dit ene staat vast: Als wij deze roeping voor onze harten hebben, zullen wij voor een denken in “kringen” bewaard blijven. Ons hart mag alle kinderen van God, mag de gehele vergadering van God omvatten (Ef. l:15). Met minder willen wij en mogen wij ons niet tevreden stellen.

Nu wordt het Christenheid gekenmerkt door de versplintering in de meeste diverse groeperingen. Ook onder de ware kinderen van God vonden droevige scheidingen plaats. Daarenboven ontstaan juist in onze dagen constant nieuwe groepen, die zich ten dele van de grote dwalingen afgescheiden hebben en min of meer op zichzelf blijven. Met het oog op deze verhoudingen blijft het in de praktijk dan ook niet uit, dat er een aantal vergaderingen zijn, waarmee men zich in praktische gemeenschap weet. Te midden van deze verwarring en verscheurdheid is dat ook helemaal niet anders mogelijk. Ik zou aan allen te denken willen geven, die zo fel de gedachte aan een kring van vergaderingen bekritiseren, want zelfs zij, die voor grotere vrijheid en onafhankelijkheid pleiten en daarom de gedachte van een kring van  gemeenschap verwerpen, zullen  ergens een kring moeten trekken. Daarom ontkomen ook zij daar niet aan. Onmogelijk willen en kunnen ook zij allerlei groeperingen en gemeenten bij de praktijk van hun gemeenschap betrekken. De vraag is echter, waar deze grens naar het Woord van God moet worden getrokken. Daarmee willen wij ons hierna bezighouden.

Het bewaren van de eenheid van de Geest

“Onthoud u van elke vorm van kwaad” (1 Thess. 5:22) en “De Heere kent wie van Hem zijn, en: Ieder die de Naam van Christus noemt, moet zich ver houden van de ongerechtigheid” (2 Tim. 2:19), het zijn duidelijke aanwijzingen van het Woord – grenzen, die voor de persoonlijke weg evenals voor de gemeenschappelijke gelden. Maar wat kwaad en ongerechtigheid is, moeten wij niet door ons gevoel daarover, maar volgens het Woord van de God leren beoordelen. Daarin zie ik een hoofdmoeilijkheid vandaag voor ons. Wij zijn ondertussen aan zo veel kwaads en verkeerds in de “Christelijke” wereld gewoon geraakt, dat wij vaak moeite hebben om de dingen zo te zien zoals God ze ziet, en de dingen kwaad te noemen, die Hij kwaad noemt.

Laten we eens de vele Christelijke gemeenschappen en groepen nemen, die volgens sommigen nauwelijks van ons verschillen. Als wij het wat dichterbij beschouwen, merken we over het algemeen heel spoedig, dat dit niet helemaal klopt. Ik zeg dat niet met voldoening, maar met pijn. Deze groepen zijn gewoonlijk door het werk van toegewijde evangelisten ontstaan, en voor dit werk van God zijn wij Hem van harte dankbaar. Ja, wij bidden er voor, dat Hij het verder leiden en zegenen zal. Maar laten wij eens het allerbeste bij een bepaalde groep veronderstellen. Het gaat bij hen om ware kinderen van God, die zich van alle Christelijke groeperingen afgescheiden hebben. Zij zijn vrij van de boze dwalingen van het Christendom en wensen eenvoudig in de naam van de Heer Jezus samen te komen. Kunnen wij er dan niet vanuit gaan, dat de Heer Jezus hen volgens Mattheüs 18 vers 20 Zijn tegenwoordigheid schenkt?

Zij kunnen er nog geen begrip van hebben, dat de erkenning van het ene lichaam in leer en praktijk de grondslag van het samenkomen in overeenstemming met God is, en hebben zich nog nooit gedachten gemaakt over de eenheid van de Geest. Het was niettemin de Geest van God, die hen tot deze afzondering leidde. Op deze wijze werden zij met het doel van de Heilige Geest in overeenstemming gebracht; want de Heilige Geest verheerlijkt Christus (Joh. 16:14). Maar omdat de verheerlijking van Christus Zijn doel is, moet Hij de gelovigen noodzakelijkerwijze van alles, wat zich tegen Christus verzet en hem veronteert, losmaken. Dat is het eerste principe, dat wij absoluut in acht moeten nemen.

Maar iets heel wezenlijks komt er nog bij, om bij ons voorbeeld te blijven. De Heilige Geest maakt hen niet alleen los van dat, wat tegen Christus is, maar Hij verbindt hen ook met dat, wat aan Hem beantwoordt. Door haar afzondering van datgene, wat zij door de Geest als verkeerd erkend hebben, zijn deze gelovigen op een grondslag van dezelfde en daarmee gemeenschappelijke verantwoordelijkheid met hen geplaatst, die als voorwerpen van hetzelfde handelen van de Geest van God deze weg reeds gaan en dit inzicht over de grondslag van het vergaderd zijn al bezitten. Zij hebben het tot dan toe niet gekend, en de Heer was met hen. Maar de Heilige Geest zal hen tot de praktische erkenning van de waarheid van het ene lichaam leiden willen. En zo zal Hij hen vroeg of laat met hen bekend maken, die deze plaats reeds innemen – in hun stad, in hun land.

Het essentiële punt is nu: zullen zij de praktische gemeenschap met hen aanvangen – doordat zij bijvoorbeeld hun tuchthandelingen erkennen – of zullen zij de grondslag innemen, op zichzelf te blijven: onafhankelijk te blijven? Als zij voor het laatstgenoemde kiezen, dan heeft dat ernstige gevolgen en spreekt volledig de bedoeling van de Geest van God tegen. Zij komen weliswaar verder samen, maar zij komen niet langer samen op een wijze die in overeenstemming met God is. Want het is onmogelijk om aan te nemen, dat zij een met door de Geest verlicht verstand volgens de gedachten van God samenkomen en tezelfdertijd zouden kunnen negeren, wat dezelfde Geest in anderen vóór hen gewerkt heeft. Zulk een onafhankelijkheid kent en laat het woord van God niet toe. Als dus deze Christenen, die eerst in de kracht van de Geest van God in alle eenvoud tot de naam van de Heer vergaderd waren, een onafhankelijke positie in stand houden, dan zullen zij zich daardoor praktisch buiten de eenheid van de Geest plaatsen. Hoe droevig, als wat in de Geest begon, in het vlees – in een nieuwe sekte eindigt!

Maar omgekeerd worden zij, die belijden al op de grondslag van het ene lichaam samen te komen, gehouden, van hun kant met vreugde al datgene te erkennen, wat de Heer in anderen gewerkt heeft en werkt. Als zij dat niet doen, spreken zij praktisch hun belijdenis tegen. Dit gevaar bestaat daadwerkelijk. Hoe gemakkelijk zijn wij met onszelf en onze positie tevreden en kijken dan zelfvoldaan neer op andere gelovigen, zonder ons er nog veel gedachten over te maken, of een samengaan met hen niet mogelijk is! Voor zo’n sektarische geest moge de Heer ons bewaren!

Wat is een sekte?

Nu menen velen, dat een sekte hoofdzakelijk door dwaalleringen wordt gekenmerkt, en de in het Duits vertaalde uitdrukking häresie1 betekent dat ook. Maar dat is helemaal niet het oorspronkelijke gebruik van dit begrip in de Heilige Schrift, zoals een blik op 1 Korinthe 11 toont. In vers 18 spreekt de apostel van scheuringen (gr. skismä) onder de gelovigen in Korinthe. Daarmee worden interne groepen binnen de heiligen bedoeld, zoals ook de hoofdstuk l en 3 duidelijk maken. Maar in vers 19 gebruikt hij een ander woord en zegt: “Want er moeten ook sekten [partijen] onder u zijn, opdat de beproefden onder u openbaar worden”. Een partij (gr. hairesis) betekent een groepering van gelovigen, die zich min of meer van de overigen afgescheiden heeft. Het wijst een uiterlijk zichtbare scheur aan onder hen, die met elkaar tot dan toe met elkaar de weg gingen, en is altijd het resultaat van de eigenwil, vaak de eigenwil van iemand afzonderlijk.

Het is in dit verband interessant, te ervaren, wat de primaire betekenis van het Griekse woord hairesis is: Keus, neiging, voornemen, manier van denken. Men kan nauwelijks meer treffend verklaren, op welke wijze sekten ontstaan, als door deze vier woorden. Men neigt naar een speciale gedachte (het kan zelfs om een belangrijke leer van de Heilige Schrift gaan); maar men benadrukt het te sterk, maakt het geleidelijk tot een bijzondere keus; men grijpt het voornemen aan om het met alle nadruk ook openlijk te vertegenwoordigen; en tenslotte vormt het zo zeer de gehele manier van denken dat er voor andere, evenzo belangrijke waarheden nauwelijks nog ruimte blijft. Anderen neigen eveneens naar deze gedachte en scharen zich rond de leider. Zo ontstaat eerst een interne scheuring, dat zich onvermijdelijk, als het kwade handelen ongeoordeeld blijft, tot een uiterlijke partij of sekte ontwikkelt. Dat zich dan later gewoonlijk ook verkeerde en kwade leringen nestelen, zelfs wanneer zij in het begin niet aanwezig waren, moet men jammer genoeg maar te vaak waarnemen (vergelijk ook 2 Petr. 2:1); maar dat heeft niets meer met de betekenis van het woord sekte te maken. In elk geval behoren sekten tot de werken van het vlees (Gal. 5:20), waarvan wij ons verre moeten houden. Waar namelijk het vlees werkzaam is, spruiten zij bijna automatisch omhoog.

Afzondering

Als nu sommige broeders en zusters, door God onderwezen, zich van hun huidige kring afscheiden, omdat zij de verkeerde en de daar heersende principes onderkenden, kan men in geen geval hen het verwijt van de scheuring maken. Dat zou betekenen de dingen om te draaien. Zij zijn slechts de Heer gehoorzaam (2 Tim 2:19), die altijd van ons verwacht dat wij aan het door Hem geschonken licht beantwoorden en van elke vorm van de ongerechtigheid afstaan, ook van het principe van de ongerechtigheid van onafhankelijkheid. Hoe zouden zij vaten van eer kunnen zijn, als zij in on-goddelijke verbindingen zouden blijven?

De gedachte, dat zij zich eerst enkele jaren moeite zouden moeten hebben getroost, om ook de anderen van deze groep indien mogelijk te winnen, is een bedrieglijke conclusie. Natuurlijk zullen zij de scheiding niet eerder voltrekken, dan wanneer zij aan de broeders en zusters, met wie zij tot dusver in gemeenschap waren, getuigenis van hun nieuw verkregen inzicht afgelegd hebben, om zo ook hun geweten in oefening te brengen. Dat dit alles alleen gebeuren kan onder diepe smart, moet nauwelijks worden genoemd. Zij, die zulk een proces doorgemaakt hebben, weten, hoe diep de wonden zijn. Maar om te wachten, of misschien deze of gene eveneens tot deze stap besluit, is niet alleen nutteloos, maar beantwoordt ook niet aan de leer van de Schrift. De Schrift zegt: “U echter”. Dat is voldoende. Of dan nog anderen volgen, kunnen wij gerust aan God overlaten. Velen wachten al jarenlang op de anderen en – zijn tot op vandaag op de verkeerde plaats.

Met liefdeloosheid heeft dat alles niets te maken. laten wij bedenken dat ware broederliefde altijd ook gehoorzaamheid is: “Hieraan weten wij dat wij de kinderen van God lief hebben, wanneer wij God liefhebben en Zijn geboden bewaren” (1 Joh 5:2).

Hoe denkt de God over onafhankelijkheid?

Het principe van onafhankelijkheid, zoals het door velen verdedigd wordt, is onverenigbaar met het bewaren van de eenheid van de Geest. Het Woord van God kent geen van elkaar onafhankelijke vergaderingen {of: gemeenten}. De vergadering van God op een plaats vertegenwoordigt de gehele vergadering en handelt met het oog op het geheel. Het “binnen” en “buiten” van 1 Korinthe 5 heeft niet alleen betrekking op de plaatselijke vergadering, waar de tucht uitgeoefend werd, maar op de gehele vergadering. Ondenkbaar is de voorstelling, dat de boze, die in Korinthe was uitgesloten, in Efeze opgenomen werd!

Dat zijn op zich heel eenvoudige waarheden, maar het is ongelooflijk, ja zeer ontstellend, hoe weinig zij in de praktijk worden begrepen. Niets maakt duidelijker dan de in het begin vermelde vragen. Hoe kunnen wij met de een of andere groep gelovigen het brood breken, als zij jarenlang op de bodem van de onafhankelijkheid volharden? Is dat niet iets fundamenteel verkeerds? Dat heeft niets te maken met het feit, dat zij geen lieve kinderen van God zouden zijn. Zij zijn het, en wij hebben hen als dusdanig van harte lief, maar zij bewaren in dit opzicht niet de eenheid, die de Heilige Geest bewerkt. Als ik met hen het brood zou breken, dan zou ik het met God overeenstemmende principe van de eenheid van het lichaam verlaten en met hen de bodem van onafhankelijkheid innemen, en dat is zonde. “Maar de Heer Jezus is toch in hun midden!” Als dat zo zou zijn, dan kon ook ik daar heen gaan. Maar nooit zou de Heer met Zijn tegenwoordigheid dat sanctioneren, wat principieel tegen Zijn gedachten is. Wij moeten niet op zulk een manier lichtvaardig met Zijn woorden omgaan!

De onafhankelijkheid betekent in de praktijk eigenlijk niet meer en niet minder, dan de besluiten van een plaatselijke vergadering niet te erkennen. De afzonderlijke of gehele groepen zien zich niet aan hen gebonden en nemen voor zich de vrijheid, anders daarover te denken en dienovereenkomstig handelen te kunnen. Maar dat is een enorme fout. De zaak in Jeruzalem, waarover Handelingen 15 melding maakt, is een duidelijk bewijs ervoor, dat de vergadering zoals de Schrift haar ons toont, nooit de gedachte aan onafhankelijkheid in het oordeel en het handelen had. Een naast elkaar van onafhankelijke, meer of minder open vergaderingen is de Schrift volkomen vreemd. Wij zouden ook niet één stap in deze richting moeten gaan.

“Maar”, zo wordt vaak aangevoerd, “een vergadering kan zich vergissen”. Zeker, maar het geneesmiddel daarvoor is niet onafhankelijkheid, is niet een ontlopen of negeren van de vergaderingsbesluiten, maar de broederlijke behandeling met de broeders en zusters op de betreffende plaats, om hun geweten in oefening te brengen. En deze inspanningen – dat zij hier ook nog eens heel duidelijk gezegd – zouden door de betreffende vergadering als van God komend aangenomen moeten worden. Anders moet ermee gerekend worden, dat de Heer met tucht ingrijpt, ter beschaming van de gehele vergadering. Maar is ons al eens duidelijk geworden, dat als we zeggen: “Ik erken het besluit niet”, niets anders betekent dan van de betreffende vergadering de status te ontkennen, dat zij een uitdrukking van de vergadering van God is en dat de Heer Jezus in hun midden is? Want de enige legalisering voor hun handelen ligt in het gezag van de in hun midden aanwezige Heer. Het zou een grote ontering van de Heer betekenen, als twee vergaderingen in dezelfde zaak tegenovergestelde besluiten nemen en beide besluiten met de naam van de Heer zouden verbinden.

Toegegeven, dat er een ernstig geval zijn kan, dat een vergadering verkeerd gehandeld heeft en tegenover alle beoordelingen doof blijft. Dan zullen de omringende vergaderingen hen tenslotte hun erkenning moeten ontzeggen. Maar dat kan onmogelijk de zaak van een afzonderlijke of een buitenstaande groep zijn. Principieel echter spreekt niet de ene vergadering recht over de besluiten van een andere vergadering. Het zou het ontkennen van de eenheid van de Geest zijn, zou ware onafhankelijkheid zijn. Wat ons vaak ontbreekt, is de kennis over wat de vergadering van God op een plaats werkelijk is: een plaatselijke uitdrukking van de gehele vergadering van God en daardoor gekenmerkt, dat de Heer Jezus in hun midden is en de Heilige Geest daar woont en werkt. De vergadering van God is in geen geval een los aaneengeschakeld systeem van onafhankelijke vergaderingen, een systeem van vrijwillig aan elkaar verbonden groepen. Zij is ook geen systeem met een centrale, menselijke leiding.

Onafhankelijke groepen van Christenen, dat is bijna een “natuurwet”, vertonen gewoonlijk vroeg of laat “open” tendensen. Dat is ook helemaal niet anders mogelijk, als de grondslag van de eenheid van het lichaam in overeenstemming met de Schrift niet ingenomen wordt. Deze openheid wordt onder andere daarin zichtbaar aan het feit, dat men in de uitoefening geen rekening houdt met de bijbelse leer, dat men door verbinding met kwaad zelf verontreinigd wordt, en ook daaraan, dat met hen, die uit ons midden weggedaan werden, men samenwerkt en zelfs het brood gebroken wordt. Zo’n gedrag kan ons alleen maar zeer droevig maken, want wij van hebben deze broeders en zusters in de Heer lief en wensen hun het beste. Maar deze weg kunnen wij niet met hen gaan.

Niettemin laat het ons aandachtig luisteren en maant het ons tot hoogste waakzaamheid, als wij horen dat de broeders uit ons midden de tot dusver door ons betreden weg nu als te eng voorstellen en grotere vrijheid in de omgang met groepen van de beschreven soort eisen en praktiseren. Wij hebben zeker geen reden om ons op een of andere wijze boven andere kinderen van God te stellen, geheel in tegendeel. Dat heb ik al gezegd. Maar dat kan de weg van God niet zijn. Wat als Christelijke vrijheid en liefde gepropageerd wordt, is daadwerkelijk niets anders dan onafhankelijkheid.

Wij zijn zeker verplicht om de eenheid van de Geest in die band van de vrede te bewaren. Daar willen we ons ook in beijveren. Als echter de grondbeginselen van het Woord van God zouden moeten worden opgegeven, moeten wij duidelijk en beslist positie innemen. Zouden wij namelijk de afzondering in overeenstemming met de Schrift opgeven, dan zouden wij een Christelijke groep onder de vele andere worden. Ik zou dan echt niet weten, waar ik het getuigenis van het ene lichaam zoeken moest. Laat we er ernstig over nadenken: Als wij het principe van de onafhankelijkheid van de vergaderingen zouden moeten overnemen, is ons getuigenis van de eenheid van het lichaam van Christus verloren.
Laat niemand ons nu beschuldigen van trots of arrogantie. Het gaat helemaal niet om ons, om onze eer of positie, om onze kennis, onze mening of iets dergelijks, maar eenvoudig om de eer van de Heer. Hij is het hoofd van het lichaam, de gemeente, en wij moeten ons aan Hem als het Hoofd vasthouden (Kol. 2:19). Als echter God het getuigenis van Christus en Zijn gemeente aan ons toevertrouwd heeft, moeten wij het onder de invloed van de liberaliteit van onze dagen lichtvaardig opgeven? Nooit! Veeleer willen wij verder met zo velen als maar mogelijk is (2 Tim 2:22) de weg in de eenheid van de Geest gaan. Het is een smalle weg, zeker, maar een gelukkige. Want daarop hebben wij de goedkeuring van Hem, Die gestorven is, om de verstrooide kinderen van God bijeen te vergaderen (Joh. 11:52). Deze weg is – dat zij nog eens gezegd – in zijn principes smal genoeg, om al het verkeerde af te wijzen, en breed genoeg om alle kinderen van God van harte te omvatten. Een andere weg kent het Woord van God niet, en daarom willen wij deze weg gaan – tot Hij komt. Daartoe helpe ons God!

NOTEN:
1 De vergadering van God op een plaats bestaat uit alle kinderen van God, maar als uitdrukking van de gemeente van God erkent de Heer door Zijn tegenwoordigheid de twee of drie, die tot Zijn naam vergaderd zijn. En het feit dat de Heer niet alleen op deze plaats, maar op de meest diverse plaatsen ter wereld deze twee of drie erkent, plaatst hen op de grond van gemeenschappelijke verantwoordelijkheid en voorrechten, waarop de handelingen van de vergaderingen in toelating wederzijds erkend worden en waarop de ongehinderde praktijk van de Christelijke gemeenschap in elk opzicht in principe mogelijk is. Zo’n gebied van gemeenschap heeft totaal geen sektarisch in zich. Integendeel, haar onder het voorwendsel van het vermijden van sektarische tendensen te loochenen, leidt onvermijdelijk tot open onafhankelijkheid.
2 De lezer vergeve mij de uitdrukkingen “wij” en “van ons”, die ik vanwege de eenvoud gebruik. Zij moeten hen beschrijven, die de wens hebben, naar de eenheid van de Geest te streven en op de grondslag van het ene lichaam wensen samen te komen.
* Dit artikel is het 3e hoofdstuk uit het boek “Mit weitem Herzen auf schmalem Weg”. Het 1e hoofdstuk en later het tweede hoofdstuk zullen zo de Heer wil in een van de volgende nummers gepubliceerd worden.

“Mit weitem Herzen auf schmalem Weg” – Kapittel 3 – Chr. Briem

Geplaatst in: , ,
© Frisse Wateren, R. Mol