2 jaar geleden

Verzoening en plaatsvervanging

Deze twee kanten van het werk van Christus worden vaak niet genoeg onderscheiden, waardoor een onduidelijke verkondiging van het kostbare evangelie tot stand komen kan. Tegenstrijdige opvattingen over de leer, ja, zelfs de verderfelijke leer van de alverzoening, kan zijn uitgangspunt daarin hebben, dat deze twee waarheden niet worden begrepen. Daarom moeten we het Woord der waarheid ook hierin juist meedelen.

Verzoening, zou men kunnen zeggen, is de naar God-gerichte zijde van het offer van Jezus Christus; want de Heer heeft God op de plaats waar Hij onteerd was door de zonde, met betrekking tot dat, wat Hij is, volkomen verheerlijkt. Gods majesteit, gerechtigheid, heiligheid, liefde, waarheid, alles wat Hij is, werd door het werk van Golgotha zo wonderbaar aan het licht gebracht, dat God volkomen bevredigd is.

Plaatsvervanging is bij wijze van spreken de andere kant, die alleen betrekking op de gelovigen heeft. Aan het kruis werd de Heer Jezus in het oordeel de plaatsvervanger van hen, die Hem in geloof aannemen. Dat is de reden waarom we in de heilige Schrift lezen: “Hij heeft de zonden van velen gedragen” (Jes. 53:12; Hebr. 9:28).

De verzoening is voor de hele wereld volbracht. We lezen: “en Hij is [het] zoenoffer voor onze zonden; en niet voor onze [zonden] alleen, maar ook voor de hele wereld” (1 Joh 2:2). Merk op dat er niet staat: “Voor de zonden van de hele wereld”! Op geen enkele plaats in het Woord wordt gezegd, dat de Heer de zonden van alle mensen gedragen of verzoend heeft. Als dat het geval was, zou de hele wereld gered zijn en niemand verloren kunnen gaan. Gods Woord is duidelijk, en we mogen er niets aan toevoegen of er vanaf doen. Christus is de verzoening voor de hele wereld; aan Gods rechtvaardige eisen, zijn eisen met betrekking tot de zonde, is in de dood van Christus volledig voldaan. Aan de hele schepping kan nu de behoudenis in Hem gepredikt worden.

De Grote Verzoendag, waarvan we in Leviticus 16 lezen, geeft ons beelden, waardoor we beide kanten beter leren begrijpen. De bok waarop het lot viel voor de Heer (denken we aan de God-gerichte zijde van het werk van Christus) werd geslacht en zijn bloed werd door de hogepriester in het heiligdom gebracht, en zeven keer op en vóór het verzoendeksel gesprenkeld. Daarna kon God weer wonen in het midden van een verkeerd en onrein volk en het in zijn zondige toestand verdragen. Dienovereenkomstig is door de Heer een verzoening tot stand gebracht, die de Heilige God precies daar, waar Hij door de zondaar verschrikkelijk onteerd was, volkomen verheerlijkte.

Op deze waarheid wijzen verschillende passages van de Schrift. “Zie, het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt” (Joh. 1:29). In Hebreeën 9 vers 26 lezen we: “Maar nu is Hij {Christus} eenmaal in [de] voleinding van de eeuwen geopenbaard om <de> zonde af te schaffen door het slachtoffer van Zichzelf”. Het probleem van de zonde is dus in het werk van Christus volkomen opgelost.

Alleen dit feit is het uitgangspunt voor de verkondiging van de goede boodschap. Niemand wordt uitgesloten, allen kunnen komen, want het werk van de verzoening is voor allen toereikend. Wanneer allen aan het werk en het bloed van de verzoening deel zouden hebben, zonder persoonlijk tot erkenning en belijdenis van zonde en schuld tot de Heiland  van zondaren te zijn gekomen, als de Heer de zonden van allen gedragen zou hebben, hoefden wij de mensen niet meer in plaats van Christus te vragen: “Laat u met God verzoenen!” (2 Kor. 5:20).

De redding van de zondaar is en blijft een persoonlijke zaak. De Grote Verzoeningingsdag toont dit in de andere bok. Op de kop van deze bok legde de hogepriester zijn handen en beleed de zonden van het volk. In beeld gezien werden de persoonlijke zonden door iemand, die het hele volk vertegenwoordigde, op de bok overgedragen, die vervolgens de woestijn in werd gestuurd en niet terugkwam. De zonden golden zo als voor altijd weggedaan.

Dat is iets heel anders dan wat we in de eerste bok voorgesteld vinden. Op de kop van de eerste bok was geen sprake van het belijden van zonden. Het slachten was ongetwijfeld vanwege de zonden van het volk nodig, en het bloed werd in de tegenwoordigheid van God gebracht. De tweede blok echter spreekt van de plaatsvervanging, van het werk van Christus voor hen, die in zekere zin in geloof hun handen op Hem gelegd hebben, hun zonden beleden en Hem aangenomen hebben.

Wanneer God van deze zijde van het verlossingswerk spreekt, vinden we nooit uitdrukkingen als “de hele wereld”, of “allen”, maar staat er “velen”. Zijn bloed werd “voor velen vergoten tot vergeving van zonden” (Matth. 26:28). Hij werd “éénmaal geofferd om [de] zonden van velen te dragen” (Hebr. 9:28). Zo wordt ook alleen tot gelovigen gezegd, dat Hij onze zonden gedragen heeft, en: “dat Christus voor onze zonden gestorven is” (1 Petr. 2:24; 1 Kor. 15:3). In 2 Korinthe 5 vers 21 lezen we nog: “Hem die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt”.

Het is niet goed wanneer de zondaar wordt verteld, dat hij alleen nodig heeft om te geloven dat al zijn zonden op Golgotha al verzoend zijn. Alleen voor de gelovige geldt, dat al zijn zonden daar verzoend werden, dat hij met Christus gekruisigd, met Hem gestorven, begraven en opgewekt is. Alleen voor hem die opnieuw geboren is, geldt, dat Christus hem van al zijn zonden in Zijn bloed gewassen heeft.

Men kan zich afvragen: “Wordt de Heer niet Heiland van de wereld  genoemd, en staat er niet ook in de Schrift, dat Hij voor allen gestorven is, Zijn leven als een rantsoen voor allen gegeven heeft”? Jazeker, maar deze tekstplaatsen staan in verband met de betekenis van het werk van Christus in de zin van verzoening, die zo verstrekkend is dat allen gered kunnen worden. Allen mogen komen, Zijn werk is voldoende om een ieder te vergeven die Hem als zijn plaatsvervanger aanneemt. “En laat hij die dorst heeft, komen; laat hij die wil, het levenswater nemen om niet” (Openb. 22:17). Het losgeld is er voor iedereen, maar alleen degenen die hun schuld bekennen, dit Hem vertellen, worden aangenomen en ontvangen vergeving en vrede.

De Schrift spreekt over het dragen van zonde en schuld alleen met betrekking tot degenen die het werk aangenomen hebben. Pas als iemand na erkenning van zonden en oprecht berouw tot geloof komt, kan hem gezegd worden, dat de Heer al zijn zonden gedragen heeft en deze nooit meer tevoorschijn gebracht zullen worden.

Tenslotte worden twee soortgelijke klinkende passages tegenover elkaar gesteld, die ook weer duidelijk beide zijden, verzoening en plaatsvervanging, laten zien. In Markus 10 vers 45 spreekt de Heer tot de Zijnen, van wie Hij plaatsvervanger is: “Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en Zijn leven te geven tot een losprijs voor velen”. In de tweede tekstplaats wordt ons duidelijk de betekenis van de verzoening voorgesteld, die gedaan is om God ten opzichte van de zonde te bevredigen, zodat Hij degene die tot Hem komt, de behoudenis geven kan. Er staat: “Dit is goed en aangenaam voor God, onze Heiland, die wil dat alle mensen behouden worden en tot kennis van [de] waarheid komen. Want er is één God en één middelaar tussen God en mensen, [de] mens Christus Jezus, die Zichzelf gegeven heeft tot een losprijs voor allen” (1 Tim. 2:3-5).

Bijlage 3 bij bijbelcursus “het kruis”.

© Bibelkurs.com

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol