12 jaar geleden

Vervolgverhaal: Een geheime reis (5)

Wat er aan vooraf ging: Het verhaal speelt zich af tijdens de 2e wereldoorlog. De twee vrienden Babby en Jee-Pee mochten bijkomen van hun avontuur bij oom Berend en tante Marie. Toch wachtte hun een reis die ze niet zo gauw zouden vergeten. Het kostte hun veel moeite om in de trein te komen. Slimme Hannes wist de Duitsers om de tuin te leiden en zo kunnen de jongens hun spannende reis voortzetten, waarbij zij het opnieuw met de Duitsers aan de stok krijgen …

Daar komt de conducteur de laatste coupé binnen waar de twee vrienden zitten. Met een vriendelijke oude dame, een moeder met enkele kleine kinderen en in de hoek nog een man met een kleine snor, is het niet erg vol en erg rustig. De conducteur gaat vlug even naast hen zitten. De jongens kijken bewonderend naar zijn mooie uniform. “Zo, dat was op het nippertje, nietwaar jongens?”, vraagt de conducteur vriendelijk. “Ja mijnheer”, antwoordt Jee-pee beleefd. Babby heeft ondertussen al ontdekt, dat de conducteur een rond speldje op zijn rechterborst heeft. Zijn ogen bekijken met aandacht het speldje. “Ja, jongens”, fluistert nu de conducteur zachtjes terwijl hij zich voorover buigt, “ik weet van jullie opdracht van oom Berend via een vriend uit jullie dorp. Ik heb het ronde speldje op de juiste plek dus … kunnen jullie mij vertrouwen. Straks zal ik jullie aan mijn collega overdragen in de trein naar Leeuwarden en deze zal jullie verder helpen. Zo, we zullen niet teveel kletsen, dat maakt alleen maar verdacht want je weet nooit wie er nog meer in de trein zit”. En dan spreekt hij wat harder: “Mag ik dan nu even jullie kaartjes zien, dan zal ik die controleren?”. De jongens knikken dankbaar en maar … o wee … ze hebben geen kaartjes. Hoe moet dat nu? Ze kijken nu met angstige ogen naar de conducteur. Deze heeft dit al voorzien en geeft de jongens nu een kaartje waarin al een gaatje zit, dat het bewijs is, dat het kaartje is gecontroleerd. “Ja, jongens, ik heb het spektakel gevolgd op het station en daarom alvast een kaartje voor jullie gereserveerd. Er zijn er genoeg, zie je. Op het station heb ik de kaartjes gekocht voor jullie. Zo, dan begrijpen jullie een beetje hoe dat bij ons in elkaar zit” en kijkt hen daarbij geheimzinnig aan. Ondertussen was hij al opgestaan, grijpt vlug heel kort beide jongens bij de handen en zegt: “God zegene jullie”. Dan vertrekt hij even snel als hij gekomen is, de jongens beduusd achterlatend. “Dat zit inderdaad wel heel goed in elkaar bij de ondergrondse”, zo denken nu beide jongens, terwijl ze de conducteur heimelijk nakijken.

De man met de snor in de hoek van hun coupé kijkt hen belangstellend aan. Hij heeft het tafereel van de conducteur zojuist goed opgenomen – hij is gewend om goed op te letten, omdat het gevaar hem overal beloert vanwege zijn ‘activiteiten’. Ja, hij is ook van de ‘ondergrondse’ – weliswaar van een andere afdeling dan Jee-Pee’s vader en oom Berend – maar dat weten de jongens en zelfs de conducteur niet. Jan Snor, zo kennen ze hem alleen bij de ondergrondse, is op reis naar … Friesland. Hij begrijpt dat de conducteur de jongens in bescherming heeft genomen. Hij moet onderdak zoeken voor enkele gezinnen uit de regio Salland want er is ergens een ‘lek’ (dat betekent dat er een verrader is, die joodse onderduikers aan de Duitsers verraadt) in de contacten. Dat zal nog een hele gevaarlijke klus worden om dat uit te zoeken, beseft hij. Maar … misschien kan hij iets met die twee jonge knapen bereiken, alleen weet hij nog niet hoe. Hij besluit dan ook dezelfde reis te gaan maken als de jongens, maar hij moet dat wel doen zonder dat deze het in de gaten hebben.

De trein komt nu in Woldorp aan en de jongens moeten uitstappen. De conducteur staat al bij de twee knapen en wijst hen de weg. “Wacht maar even” zegt hij, “dan zal ik jullie even op de plek brengen”. Ook Jan Snor stapt uit en volgt voorzichtig de conducteur en de twee knapen. Het duurt niet lang of ze bereiken de buitenkant van het station. Daar staat de trein naar Wardem al te wachten. “Wel jongens, deze is het. Stap hier maar in. Hij vertrekt over vijf minuten. Een heel goede reis en voorzichtig hoor. Let goed op de conducteurs … je weet wel hè?”, daarbij kijkt hij vlug om zich heen want niemand mag dit horen en zien en wijst vlug op zijn borst. De jongens knikken hem dankbaar en vriendelijk toe en stappen in de trein.

Maar ook Jan Snor stapt nu in dezelfde trein. Hij zoekt een plekje vlakbij de jongens, doet zijn jas uit en gaat rustig een boekje zitten lezen. Zo kan hij de jongens onopvallend in de gaten houden. Het is ook nog een hele reis naar Leeuwarden.

Jan Snor is moe. Hij heeft al heel wat meegemaakt de afgelopen twee dagen. De afgelopen nacht heeft hij lepe Gerrit nog gesproken. Iets wat de jongens natuurlijk niet weten maar Jan Snor weet weer niet dat Jee-Pee en Babby lepe Gerrit kennen. Of toch wel … Plotseling begint Jan Snor iets te begrijpen. Lepe Gerrit heeft hem vertelt van de gebeurtenissen bij het kasteel. Daarbij waren ook twee jongens betrokken die wel niet bij name genoemd zijn, maar die wel overeenstemmen met de beschrijving die lepe Gerrit hem had gegeven. Het waren hele ferme en eenvoudige plattelandsknapen met durf en moed in hun harten. Dat paste eigenlijk aardig bij het beeld wat Jan Snor nu voor hem ziet. Deze beide jongens … tja … afijn, hij zal er nog achter komen. Maar wel op een manier die hij liever niet had gehad. Want zo gemoedelijk en rustig deze reis naar Leeuwarden begon, zo vol opwinding en onrust het zou eindigen. Dit weet Jan Snor op dit moment nog niet … Langzaam zakken zijn ogen dicht en hij merkt niet eens dat de trein vertrekt. Ook niet dat er voorin de trein twee Duitse controleurs waren ingestapt en die nu de trein doorgingen om de reisdocumenten van de reizigers te controleren. Ze waren op zoek naar onderduikers (dat zijn mensen die door de Duitsers gezocht werden omdat ze dingen deden waarmee de Duitsers niet zo blij waren). Bzzz … bzzz … zo klinkt nu het geluid van de dappere Jan Snor. Hij slaapt … en weet niet dat zijn slaap al heel snel verstoord worden.

Onverwachte wending

Ondertussen kijken de jongens vol spanning om zich heen. Ze genieten volop van de reis en kijken nu naar de prachtige weilanden – met felgroen geschilderde hekken – die bij Herftedaele liggen. De koeien kijken hen met verbaasde ogen na. De trein mindert nu wat vaart omdat er een stop gemaakt wordt in Herftedaele. Inmiddels zijn de controleurs in de coupé naast dat van Jee-pee en Babby en Jan Snor aangekomen. De jongens horen nu duidelijk hun luidruchtige commando’s in het Duits en schrikken zich wild. “Duitsers”, fluistert Babby Jee-Pee in het oor. Bezorgd en angstig kijken ze nu om zich heen. Wat nu? Waar moeten ze heen.

Maar ook Jan Snor is door het rumoer van de Duitse controleurs wakker geworden en speurt met toegeknepen ogen naar de coupé waar hij de ‘ongewenste gasten’ aan ziet komen. Dan ziet hij de angstige blikken van de beide knapen en begrijpt onmiddellijk dat zij in moeilijkheden komen als hij niet spoedig iets bedenkt. Jan Snor is vastbesloten om de beide jongens te redden uit het dreigende gevaar. Hij vermoedt dat de jongens geen reisdocumenten hebben en begrijpt dat er daarom natuurlijk dat spektakel was in Dalfsen, waar de beide knapen waren ingestapt. Lepe Gerrit heeft hem de afgelopen nacht niet verteld, dat de beide knapen ook naar Leeuwarden zouden reizen. Wat Jan Snor niet weet is dat ook lepe Gerrit daarvan niet op de hoogte was, tot op vanmorgen vroeg. Anders zou lepe Gerrit hem dat ongetwijfeld verteld hebben. “Wat moet ik doen?”, zo vraagt hij zich koortsachtig af. Deze jongens moeten de trein uit vóór de controleurs er zijn, maar hoe? Dan krijgt hij een idee. Mogelijk lukt het hem. Hij staat op, loopt naar de jongens toe en zegt: “Kom maar jongens, volg mij”, fluistert hij haastig. “Ik breng jullie naar jullie bestemming. Vlug … naar het begin van de trein. Dan kunnen we zo meteen direct uitstappen in Herftedaele en nemen een andere route naar Friesland. Volg mij maar gerust”. De jongens kijken hem verbaasd en aarzelend aan. Jan Snor fluistert echter verder: “Ik ken lepe Gerrit” en haalt vervolgens een rond speldje uit zijn zak, dezelfde als bij de conducteur. Als Babby en Jee-Pee dat horen en zien, kijken ze hem dankbaar aan en knikken heftig met hun hoofden, staan vlug op, pakken snel hun koffer en volgen Jan Snor, die vlug de andere kant op loopt dan waar de Duitse controleurs zich bevinden. Spoedig zijn ze voorin de trein in de eerste coupé en stellen zich wachtend op bij de deur want Herftedaele is intussen al dichterbij gekomen. De trein heeft al vaart geminderd en spoedig zullen ze als eerste uit kunnen stappen.

Toch zal dat niet zo gemakkelijk gaan, want de controleurs zijn wel zeer opmerkzame mannen. Ze hebben toch gezien dat Jan Snor en de twee jongens zich snel uit de voeten hadden gemaakt. Hieruit trekken ze dan ook de conclusie dat er iets niet in de haak is en komen ze direct in actie. Ze rennen ook zo spoedig mogelijk naar voren waar de drie ‘vluchtelingen’ zich bevinden. Nu wordt het toch wel erg spannend! Jan Snor ziet hen aankomen. Maar hij kent de treinen bijna van binnen en van buiten. Hij sluit de toegangsdeur af tot de plek waar ze voor de deur staan te wachten. Met hun drieën stormen ze dan naar de machinistenruimte waar ze de machinist en de treinconducteur aantreffen.

Babby heeft wel eens gehoord dat de Heere ook schietgebedjes verhoord en brengt dit nu in praktijk. Terwijl zij naar voren rennen bidt hij in zijn hart: “Heere, help ons alstublieft, amen!” Ja, dat durft hij best aan de Heere te vragen, want hij is nog niet vergeten dat de Heere hen zo bewaard heeft de vorige nacht. Dat hij de volgende dag al weer in zo’n gevaar zou verkeren, wist hij natuurlijk ook niet. Maar hij weet nu wel dat de Heere niet “begeeft noch verlaat” en daarom doet hij dit schietgebedje.

Gelukkig weet Jan Snor dat de conducteur een speldje op zijn rechterborst draagt – dat had hij terloops al gezien -, en durft daarom de machinistenruimte binnen te stormen. Maar zelfs de machinist draagt een speldje op zijn rechterborst. Dat zit dus ook goed. “Stop de trein alstublieft … nu direct”, roept hij. “Ja, maar wat is er aan de hand?”, vraag de conducteur aan Jan Snor. “Deze beide jongens hebben geen reisdocumenten en hebben een opdracht van de OG”, zegt Jan Snor snel (OG = Ondergrondse). De machinist begrijpt wel onmiddellijk waar het om gaat. Dit heeft hij vaker bij de hand gehad. “Oké”, roept hij daarom en direct worden de remmen in werking gesteld. Hortend en stotend komt de locomotief met de treinwagons achter hem tot stilstand. Het remmen gaat zo snel dat de reizigers die niet op een bank zitten ondersteboven vallen en soms over elkaar heen rollen. Dat is ook de bedoeling van de machinist want hij remt zo krachtig als maar mogelijk is. Hij weet dat er dan paniek zal ontstaan onder de reizigers in de treinwagons. Die paniek hebben ze nu nodig om de jongens te kunnen laten ontsnappen.

In de coupé waar de controleurs zich bevinden is er inderdaad een groot tumult. De controleurs rollebollen tussen de reizigers op de vloer en een van hen is vast komen te zitten met de mooie witte koorden van zijn uniform aan de veren die onder de bank zitten. Hij zit helemaal vast en sommige reizigers struikelen in paniek over hem heen. Ja, hij heeft het wel erg moeilijk daar op de grond. Hij probeert uit alle macht zich los te rukken maar het lukt niet. “Hilfe … hilfe …”, roept hij (“Help … help…”, betekent dat). Zijn vriend probeert bij hem te komen maar ook dat lukt niet. Ja, het plannetje van de machinist lukt geweldig goed, want ondertussen kunnen Jee-Pee en Babby en hun begeleider Jan Snor de trein verlaten.

Herftedaele

Daar hollen ze al over het perron van Herftedaele. Vlug door het hek en dan de straat op. Maar ja, wat dan. Nu is Herftedaele een boerendorp waar veel mensen wonen die de Duitsers liever zien gaan dan komen. In het dorp staan veel grote boerderijen – opgesierd met fel groene en zelfs fel blauwe kleuren – en dat geeft uitkomst want vlak voor hun neus staat een boerenwagen op het punt van vertrek. Er ligt hooi op de wagen en Jan Snor ziet mogelijkheden. De boer – met zijn zwarte werkkleren, dat is in deze streek normaal – klimt net op de bok en wil het paard aanvuren te gaan lopen. “Boer, Duitsers … ze zitten ons op de hielen, help ons alstublieft”, roept Jan Snor. De boer kijkt achterom en ziet drie paar smekende ogen op hem gericht. Arend-Jan Lankhorst is – zoals veel boeren uit die streek – snel van begrip. “Vlug dan … klim er maar op en verstop je onder het hooi”, roept hij in Herftedaelers dialect. Babby en Jee-Pee herkennen dit wel en begrijpen direct wat hij zegt. Vlug klauteren ze op de wagen en verstoppen zich onder het hooi. “Ziezo dat zit goed”, fluistert Jee-Pee. Babby echter hoort het niet omdat hjij nog druk bezig is zich in het warme hooi te nestelen. Jan Snor ligt vlak naast de jongens en gluurt stiekum door een hooikiertje naar het station die ze geleidelijk verlaten. De boer laat nu het paard flink had lopen en dat helpt. Het station kunnen ze nog wel zien maar wordt wel steeds kleiner. Wel horen ze in de verte het geschreeuw van de treinreizigers die natuurlijk niet weten wat er aan de hand is.

Ook de beide controleurs zijn eindelijk uit hun benarde positie bevrijd. De conducteur heeft hen daarbij een handje geholpen en houdt hen nu aan de praat. Hij wil niet dat de beide mannen al het perron op gaan, want de drie ‘vluchtelingen’ moeten natuurlijk een zo ver mogelijke voorsprong hebben. Dat heeft hij goed gezien want de ‘vluchtelingen’ zitten al op de boerenwagen en zijn al een flink eind weg. “Waar zijn ze”, roept dan een van de Duitsers tot de conducteur. “Wie bedoelt u?”, vraagt de conducteur onnozel, “er zijn zoveel reizigers hier”. Snauwend antwoordt de Duitser: “Wel, die twee jongens natuurlijk die hier zaten”, en daarbij wijst hij naar de plek waar de twee knapen gezeten hebben. “Ik zie ze nergens meer”. De conducteur kijkt nadenkend om zich heen en zegt: “Nee, ik zie ze ook niet”. “Ja, dat zien wij ook wel”, zegt de andere Duitse controleur nu een beetje kwaad. “Maar waar zijn ze nu?” De conducteur antwoord naar waarheid: “Ik weet het echt niet. Ze zijn misschien al naar huis”. De beide Duitsers begrijpen nu wel dat ze niet verder komen met deze discussie en draaien zich teleurgesteld om en verlaten dan ook de trein. Ze kijken overal om zich heen maar nergens een spoor van de beide jongens. Ze beseffen dat hun prooi hen is ontsnapt maar begrijpen helaas niet dat de Heere deze uitkomst heeft gegeven.

(Wordt D.V. vervolgd).

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol