6 jaar geleden

Met een ruim hart op de smalle weg – (2)

Verkeerd gebruik van de vrijheid

Hoofdstuk 2

“Voor de vrijheid heeft Christus ons vrijgemaakt”. Dat is inderdaad een een gezegende positie en roeping, die aan alle ware kinderen van God gegeven is. Maar reeds de Galaten moesten voor het gevaar gewaarschuwd worden, de vrijheid als een aanleiding voor het vlees te gebruiken (Gal. 5:1,13). Hoe gemakkelijk de Christelijke vrijheid op verkeerde manier gebruikt kan worden, leren wij ook door het voorbeeld van de gelovigen in Korinthe.

Zorgen om de zwakke broeder

De Korinthiërs wisten, “dat een afgod niets is in de wereld en dat er geen [andere]1 God is dan Eén” (1 Kor. 8:4; Voorhoeve Vertaling 4e druk). Nu, daarin hadden zij gelijk. Maar zij meenden dat deze kennis hen de vrijheid gaf om met de maaltijd van afgodenoffers toegeeflijk om te kunnen gaan. Als een afgod niets is, waarom konden zij dan niet het vlees van dieren eten, dat aan zo’n afgod geofferd was? Was het geen gewoon vlees net als al het andere? Ja, zij gingen zelfs nog een beslissende stap verder en gingen in de afgodstempel aanzitten om daar van de afgodenoffers te eten. Hebben zij niet de vrijheid dat te doen, aangezien zij van de verkeerdheid van de gehele afgodendienst afwisten?

Maar was die zaak werkelijk zo eenvoudig? De apostel toont aan, dat het dit helemaal niet was. De Korinthiërs bezaten op grond van hun kennis de Christelijke vrijheid, maar zij gebruikten haar verkeerd. Allereerst maakt de apostel hen duidelijk, dat de zorg om hun zwakkere broeders, die nog niet voldoende gegroeid waren, hen van hun gedrag afgehouden zou moeten hebben: “Maar kijkt u uit, dat dit recht van u niet misschien een struikelblok wordt voor de zwakken. Want als iemand u, die kennis hebt, in een afgodstempel ziet aanzitten, zal zijn geweten, daar hij zwak is, niet aangespoord worden om de afgodenoffers te eten? Want de zwakke, de broeder om wie Christus gestorven is, gaat door uw kennis verloren” (1 Kor. 8:9-11; Telos-vertaling).

Wordt hier geen principe aangehaald, die ook voor ons vandaag van grote betekenis is? Menen ook wij niet soms, dat wij de vrijheid hebben om dit of dat te doen, hierheen of daarheen te gaan? Maar hebben wij ook overwogen, dat dit ons recht de zwakken tot aanstoot worden, dat ons gebruik van de vrijheid de zwakke broeder “ombrengen” kan? Christus houdt van de zwakken, Hij stierf ook wegens hen. Houden ook wij van hen? Wordt ons handelen door liefde tot de zwakke bepaald? Het is een overweging, die wij meer zouden moeten aanwenden. Sommige moeilijkheden en vragen zouden dan als nevel voor de zon in niets oplossen.

De tafel van de Heer

Maar de apostel Paulus gaat in het tiende hoofdstuk van zijn brief aan de Korinthiërs nog een beslissende stap verder en stelt hen het volgende feit voor, dat achter de goden de demonen staan. Dit zijn zijn waarschuwende woorden: “Daarom, mijn geliefden, ontvlucht de afgodendienst. Ik spreek als tot verstandigen; beoordeelt u wat ik zeg. De drinkbeker der zegening die wij zegenen2, is die niet [de] gemeenschap van het bloed van Christus? Het brood dat wij breken, is dat niet [de] gemeenschap van het lichaam van Christus? Want wij, de velen, zijn één brood, één lichaam; want wij allen nemen deel aan het ene brood. Kijkt u naar Israël naar het vlees. Hebben niet zij die de offers eten, gemeenschap met het altaar? Wat wil ik hiermee dan zeggen? Dat een afgodenoffer iets is of dat een afgod iets is? [Nee,] maar dat wat [de volken] offeren, zij dat aan [de] demonen en niet aan God; en ik wil niet, dat u gemeenschap hebt met de demonen. U kunt niet [de] drinkbeker van [de] Heer drinken en [de] drinkbeker van [de] demonen; u kunt niet deelnemen aan [de] tafel van [de] Heer en aan [de] tafel van [de] demonen. Of willen wij de Heer tot jaloersheid verwekken? Zijn wij soms sterker dan Hij?” (1 Kor. 10:14-22).

De apostel waarschuwt de gelovigen in Korinthe voor de afgodendienst, waarin zij zich door hun verkeerd gebruik van hun kennis opnieuw hebben laten strikken. Hoewel wij vandaag niet meer letterlijk met afgodenoffers te doen hebben, niettemin zijn toch de instructies en de principes van de Heilige Geest in 1 Korinthe 10 voor ons en onze godsdienstige betrekkingen naar binnen en buiten van buitengewoon belang en betekenis. Want er zijn ook vandaag vele ware kinderen van God, die het als uitdrukking van de Christelijke vrijheid beschouwen, als zij hierheen en daarheen gaan (ik spreek nu minder over wereldlijke dan over godsdienstige plaatsen), om dan ook weer hun plaats aan de tafel van de Heer in te nemen? Nu, de Korinthiërs dachten eens evenzo. Maar de apostel corrigeert hun gedachten en gaat onmiddellijk over de tafel van de Heer spreken zowel over een grondslag, waarop de maaltijd van de Heer wordt gehouden. Afwijkend van de historische volgorde, begint hij met het deel, dat de diepste en ernstigste betekenis met betrekking op Christus in zich heeft – de beker: “De drinkbeker der zegening die wij zegenen, is die niet [de] gemeenschap van het bloed van Christus?” Waarom toch verwisselt de apostel de natuurlijke en historische volgorde en noemt de beker vóór het brood, het bloed van Christus vóór het lichaam van Christus?

Wel, degenen aan wie hij schreef, waren eens afgodenaanbidders en met alle bederfelijke gebruiken besmet geweest, waartoe die afgoden hun aanbidders aanmoedigde. Van dat alles waren zij nu verlost en bevrijd. Waardoor? Door het kostbare bloed van Christus. Als zij zich ook bij het drinken van de beker daaraan herinnerden, door Wiens bloed zij van al hun zonden afgewassen waren, toen zij aan deze hoge prijs dachten, die voor hun verlossing was betaald, hoe konden zij dan weer terugkeren tot dat, waarvan zij verlost waren?

Om deze gedachte te benadrukken, noemt de apostel hier, zo denk ik, de beker eerst. Daarnaast leren wij van de omkering van het noemen van beker en brood, dat het hier niet, zoals in hoofdstuk 11, om de correctie van verkeerd gedrag bij het brood breken gaat, maar om de kwestie van de gemeenschap, dus daarom, met wie de gelovigen gemeenschap hebben – een gemeenschap, waarvan de grondslag het bloed Christus is.

Uit de beker te drinken was ook niet alleen een formaliteit, maar de sterkste uitdrukking van hun innige gemeenschap of hun eenmaking met het bloed van Christus, dat wil zeggen met Zijn dood, die Hij voor hen verdragen had. Als zij nu tegelijk “de beker van de demonen” dronken, trekken zij daardoor dan niet de beker van de Heer naar een beschamende diepte van een heidense cultushandeling omlaag? Dat mocht niet zo zijn! “U kunt niet [de] drinkbeker van [de] Heer drinken en [de] drinkbeker van [de] demonen” (vs. 21). Wat kon hen de beker van de demonen geven? Slechts alleen maar kwaad! De beker van de Heer was immers een beker van zegening en sprak van een overvloeiende mate van zegen, verworven door het bloed van de Verlosser. De Heer en demonen, zij stonden volledig tegenover elkaar. Tussen hen kon er geen gemeenschap zijn.

Ook herinnert de apostel de Korinthiërs aan het feit, dat zij door de uiterlijke handeling van de broodbreking de innerlijke gemeenschap met het lichaam Christus uitdrukten en dat zij, de velen, nu tezamen één lichaam vormden (vs. 17) en zich daardoor als gemeente van God zowel van Joden als ook van volken onderscheidden (vs. 32). Hoe konden zij zich dan tegelijk met de heidenen en hun afgodenoffers daardoor één maken, dat zij ook van deze aten? Was dat niet een loochening van de andere? Onmogelijk konden zij deel hebben aan de tafel van de Heer, waar Hij de leiding heeft, en tegelijk van de tafel van de demonen, waar dezen bepaalden wat er gebeurde.

Achter de afgoden demonen

Door de argumentatie van de apostel – als ik het zo noemen mag – komen twee voor ons uiterst belangrijke principes tevoorschijn, die wij niet ernstig genoeg nemen kunnen, die door haar verwaarlozing in het Christendom tot uiterst beschamende gevolgen geleid heeft. Dit is het eerste principe:
Achter de zichtbare dingen verbergen zich onzichtbare: overtuigingen – principes – systemen – machten.
Wij blijven hier een ogenblik bij stil staan en komen op het zo leerzame voorbeeld van de Korinthiërs terug. De apostel Paulus wist natuurlijk net zo goed als zij, dat de afgodenbeelden nietigheden waren, net als dode poppen: “Wat wil ik hiermee dan zeggen? Dat een afgodenoffer iets is of dat een afgod iets is?” (vs. 19 – Telos Vertaling). Maar hij liet zijn broeders niet in onkunde, over wie het eigenlijk waren die “aan de touwtjes trokken”: achter de afgoden stonden de demonen, de vijanden van God en mensen. “… dat wat [de volken] offeren, zij dat aan [de] demonen en niet aan God” (vs. 20 – Telos Vertaling).

Wij vinden dit principe al in het Oude Testament bevestigd, waar gezegd wordt: “Zij hebben geofferd aan de demonen, niet aan God; aan goden die zij niet kenden” (Deut. 32:17). Aanbidding, waarop alleen God recht had, eisten de demonen voor zich op. Zeker, de gelovige Korinthiërs hebben niet bedoeld, satan en zijn gevallen boze geesten aanbidding te brengen net zo min als een onbekeerde gelooft, satan te dienen; en toch doet hij niets anders! Hoe belangrijk is het daarom, achter de zichtbare dingen de onzichtbare systemen en machten te onderkennen, die hen dragen en steunen. Dat is zelfs op het terrein van de wereld noodzakelijk, als men niet het slachtoffer van ernstige teleurstellingen worden wil. Uiterlijk gezien kunnen bijvoorbeeld burgerlijke ongehoorzaamheid, demonstraties voor de vrede, de stakingsbewegingen en dergelijke een zekere schijn van rechtvaardigheid hebben, maar in werkelijkheid staat daar niets anders achter dan de geest van opstand tegen het door God gegeven gezag. En dan de anti-autoritaire opvoeding! Wie heeft moeite om daarachter dezelfde aanstichter – satan – te herkennen? En zijn de moordpogingen en de gewelddaden, die vandaag de westerse wereld schokken, de daden van een waanzinnige? Nee, achter hen staan, uitzonderingen daar gelaten, filosofische systemen, die de vernietiging van de macht-orden op aarde ten doel hebben, die God voor het welzijn van de mensen ingesteld heeft. Ik noem dat alles alleen, om aan te tonen dat achter de uiterlijk zichtbare dingen de onzichtbare machten staan.

Op godsdienstig, Christelijke terrein is dat niet anders. Zeker, ons omringen vandaag niet meer tafels van demonen, maar leringen van demonen (1 Tim 4:1). Daartoe behoren de leringen over de heiligenverering en over het misoffer, ook alle leringen, die de ware godheid of de ware mensheid van de Heer Jezus of Zijn verlossingswerk aantasten (zie bijvoorbeeld de alverzoeningsleer). Verder niet bijbelse openbaringen en de bijbel-kritiek, maar ook de dweperige leringen in de charismatische beweging. Dat elke ware Christen daarover toch duidelijk heeft: Achter elke verkeerde leer en aanbidding verbergen zich satan en zijn engelen, die er belang bij hebben, de Heer Jezus te onteren en de mensen naar lichaam en ziel te schaden. De duivel weet vaak veel beter dan wij Christenen, hoe fundamenteel belangrijk de goede, Christelijke leer is. Daarom laat hij niets onbeproefd, haar te vernietigen en haar door zijn eigen leringen, de leringen van demonen, te vervangen. Zeer veel in de Christenheid, wat uiterlijk een mooie verschijning heeft, is niet van God, is niet Christus. Wie staat dan daar achter?

Uiterlijke deelname betekent gemeenschap

Zeer nauw verbonden met het behandelde eerste principe staat het tweede:

Uiterlijke deelname betekent voor God: innerlijke gemeenschap – zich éénmaken met – overeenstemming.

Dat hebben de Korinthiërs net zo weinig bedacht als de omstandigheid, dat achter afgodenoffers demonen stonden. Als zij in de tempel gingen en daar afgodenoffers aten, kwamen zij onmiddellijk met de demonen in contact, ja nog meer, zij hadden gemeenschap met de demonen of zij het wisten of niet, of zij dat wilden of niet; en de apostel moet beslist antwoorden: “… en ik wil niet, dat u gemeenschap hebt met de demonen” (vs. 20). Door uiterlijke deelname drukt men – zo in ieder geval ziet God  het – gemeenschap uit met het daar heersende systeem: Men komt in gemeenschap met het “altaar”.

De deelname aan tafel van de Heer drukt zelf ook gemeenschap uit, zoals wij dadelijk zien zullen. Bovendien verwijst de apostel naar het voorbeeld van de Israëlieten en de heidenen. “Kijkt u naar Israël naar [het] vlees. Hebben niet zij die de offers eten, gemeenschap met het altaar?” (vs. 18). De Israëlieten brachten, wanneer zij van de offers op het Israëlitische altaar aten, hun gemeenschap met het Israëlitische systeem van aanbidding, de aanbidding van de Heere tot uitdrukking. De heidenen brachten, wanneer zij van de offers op de heidense altaren aten, hun gemeenschap met het heidense systeem van aanbidding, namelijk de aanbidding van de demonen tot uitdrukking.

In tegenstelling hiermee drukt de Christen bij de tafel van de Heer door het uiterlijk deelnemen aan het brood zijn gemeenschap met de Heer, met Zijn dood en met de leden van het lichaam van Christus uit. En dit is de eigenlijke, centrale plaats van ware Christelijke aanbidding. Zo zeer is dat het geval, dat, wanneer gelovigen niet als de leden van het lichaam Christus om deze tafel vergaderd zijn, er op deze plaats geen presentatie van de gemeente van God is.

Maar er moet in dit verband worden opgemerkt, dat de Heilige Geest zich van twee verschillende uitdrukkingen voor “deelachtig zijn” en “in gemeenschap zijn” bedient. De eerste, metecho = deelachtig zijn {of: “nemen deel” – vertaler FW}, betekent altijd iets, wat op zich buiten mij is, maar waarin ik van buitenaf binnentreed, waaraan ik deel heb. Zo “hebben” {of: “nemen”} wij allen “deel” aan het ene brood of “nemen deel” aan het ene brood (vs. 17), net zoals de heidenen aan de tafel van de demonen “deel hebben” (vs. 21).

Het tweede woord is koinoneo en betekent een gemeenschappelijk deel nemen, innerlijke gemeenschap hebben. Behalve in “gemeenschap van het bloed van Christus“ en “gemeenschap van het lichaam van Christus” in vers 16 komt dit belangrijke woord bijvoorbeeld in 1 Johannes l vers 3, voor: “Onze gemeenschap nu is met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus”.
Met deze kennis in de hand kunnen wij nu het algemene principe des te beter begrijpen, dat ons uiterlijk deelnemen aan een zaak, identificatie daarmee, gemeenschap daarmee uitdrukt. Of dit zo onze bedoeling is of niet – zo ziet God de zaak. Wij moeten eenvoudig leren, om ons op het standpunt van God te stellen, anders zien wij de dingen niet zo, zoals Hij het ziet, en dat is altijd fataal. Ons uiterlijk deelnemen, zij het aan de tafel van de Heer of bij een andere tafel, die misschien op de grondslag van verdeeldheid of van onafhankelijkheid of zelfs verkeerde leer opgericht is, ziet God als identificatie, als gemeenschap met het daar heersende principe of systeem, hetzij goed of kwaad. Wij kunnen zo – en dat is uitermate ernstig en waard om over na te denken – door ons uiterlijk deelnemen aan een zaak in gemeenschap komen met iets wat boos is, wat wij zelf helemaal niet uitoefenen! Hebben wij dat al eens bedacht?

Och, dat de Heer ons daarvoor bewaren kon, verkeerde grondbeginselen met Hem en Zijn tafel in verbinding te brengen! Het is onzinnig om zich daarmee te verontschuldigen, dat het hart immers niet daaraan deel behoeft te hebben, wat men uiterlijk toelaat. De gedachten van God zijn anders, en wij moeten leren, de dingen vanuit de kant van God te zien.

Aan de uitverkoren vrouw schrijft de grijze apostel Johannes in zijn tweede brief, dat, wanneer iemand niet de leer van Christus bracht, men zo iemand niet in huis opnemen mocht, noch hem begroeten moest. “Want wie hem begroet”, gaat hij verder “heeft gemeenschap aan zijn boze werken” (vs. 11). Is het niet opmerkelijk, dat hier voor “heeft gemeenschap aan” ook het woord koinontfo gebruikt wordt? Alleen een normale groet (de hier gebruikte aanspreekvorm is hetzelfde als bijvoorbeeld in Hand. 23:26) – een normale groet op de verkeerde plaats kan zo tot gemeenschap met boze werken leiden.

Hoe ernstig is ook die stem, die Johannes hoorde vanuit de hemel met betrekking tot Babylon hoorde zeggen: “Gaat uit van haar, mijn volk, opdat u met haar zonden geen gemeenschap hebt en opdat u van haar plagen niet ontvangt” (Openb. 18:4)! Ook hier is het woord “gemeenschap” {of: mede deelhebben aan – vertaler FW} de vertaling van het door het voorvoegsel “mede”3 versterkte Griekse woord koinoneo. Dat toont ons opnieuw, dat uiterlijke deelname aan iets kwaads, gemeenschap met het kwaad betekent. Dat is de reden waarom God oproept om zichzelf te reinigen van datgene, wat in strijd is met Hem. Als we in Gods ogen niet in gemeenschap met het kwaad willen zijn, moeten we ons daarvan afzonderen, afscheiden. Dat ziet er hard en liefdeloos uit. Echter, ware liefde tot onze liefdevolle Heer, Die ons zo nauw met Zichzelf en met elkaar verbonden heeft, ware wijsheid in de tegenwoordige boze eeuw zullen ons daarheen leiden, zelfs de schijn van gemeenschap met kwaad of ook slechts verdenking te ontvluchten.

Wat we hier hebben laten zien, staat zeker in schril contrast met de vele inspanningen in de christenheid wereld, die zich willen aaneensluiten en verenigen, wat zo verschillend van elkaar is als water en vuur, net zoals goed en kwaad. Ik zou bijvoorbeeld niet naar een evangelieverkondiging kunnen gaan, die op de grondslag van een dergelijke anti-goddelijke fusie gehouden wordt. Waarom kan ik niet daarheen? Omdat we nooit het verkeerde juist, het kwade goed maken kunnen door vermenging ermee (Hag. 2:12-13). Ik zou me ook niet in het werk van het evangelie kunnen verenigen met degenen, die dit principe verdedigen, omdat ze niet in elk opzicht de doeleinden van God navolgen. Gods bedoeling is niet alleen de redding van zondaars, maar dat Zijn volk op aarde een levend getuigenis van Christus en het ene lichaam, Zijn gemeente, zou zijn.

De Heer helpe ons, achter de uiterlijke schijn te zien, te onderscheiden welke systemen, machten en principes er zich achter de uiterlijke verschijningsvormen en bezigheden verbergen; en Hij ons helpen zou om ons van dat gescheiden te houden, wat niet in Hem zijn bron vindt, zodat we niet “aan hun zonden deel zouden hebben” {of: “niet met haar zonden gemeenschap” hebben – vertaler FW}!

NOTEN:
1 Velen laten weg ‘andere’.
2 Of ‘de drinkbeker der lofzegging waarvoor wij loven’; Telos Vertaling.
3 In het Duits is dit goed te zien, omdat daar het woord ‘mitteilhaftig’ gebruikt werd in Openbaring 18 vers 4; het woordje ‘mit’ is dan het voorvoegsel, dat het Griekse woord koinoneo versterkt. (Dit woord ‘koinoneo’ kan in het Nederlands ook weergegeven worden door: ‘mede deelhebben aan’. Dan zie je de versterking in het woordje ‘mede’) – noot vertaler FW.

Uit: “Mit weitem Herzen auf schmalem Weg” – Hoofdstuk 2 – Chr. Briem
© CSV-Verlag, Hückeswagen, Duitsland

Geplaatst in: , ,
© Frisse Wateren, R. Mol