2 jaar geleden

Tucht in de gemeente 3: Uitsluiting

De vragen, die we in dit onderwerp proberen te beantwoorden, zijn de volgende: Tucht in de vergadering (gemeente) is geen aangenaam onderwerp. Maar helaas is het noodzakelijk, zich daarmee van tijd tot tijd bezig te houden. In het derde deel houden we ons bezig met de vraag wie moet worden uitgesloten.

1. Tucht in de vergadering (gemeente) – waarom gaat het?

2. Uitsluiting – wat betekent uitsluiting? Wat betekent dat praktisch?

3. Wie moet uitgesloten worden?  Wanneer moet worden uitgesloten? 

4. Waarom moet worden uitgesloten? Wie sluit uit?

5. Wanneer kan een uitgeslotene weer worden toegelaten?

6. Wat als iemand werd uitgesloten, dan berouw toont over de toestand en over de aan de toestand ten grond liggende daden, maar niet weer de samenkomsten bezoeken wil, waaraan hij deelnam in het verleden?

7. Wat moet de plaatselijke gemeente doen, als iemand zich uit de gemeenschap heeft teruggetrokken en pas daarna in zonde gevallen is?

8. Wat te doen als zo’n persoon weer terug komt of terug komen wil?

9. Hoe kan zo iemand weer worden toegelaten?

De vragen 1 en 2 hebben we in de vorige aflevering behandeld, nu gaat het over:

3. Wie moet uitgesloten worden? Wanneer moet worden uitgesloten?

We willen vasthouden dat het erom gaat, iemand uit te moeten sluiten. Het is geen daad van vreugde, maar een trieste noodzaak. De vraag luidt: Wie moet worden uitgesloten. Deze vraag hangt nauw samen met waarom iemand zou moeten worden uitgesloten.

We vinden het antwoord op deze vragen in 1 Korinthe 5. “Maar nu heb ik u geschreven, dat als iemand die broeder genoemd wordt, een hoereerder is of een hebzuchtige, afgodendienaar, lasteraar, dronkaard of rover, u met [hem] geen omgang moet hebben, dat u met zo iemand zelfs niet moet eten. Want wat heb ik hen die buiten zijn te oordelen? Oordeelt u niet hen die binnen zijn? Maar hen die buiten zijn, zal God oordelen; doet de boze uit uw midden weg” (1 Kor. 5:11-13).

Zonde als een kenmerk van het leven

Dat wil zeggen, we moeten iemand uit de gemeenschap van de gelovigen uitsluiten, bij wie de zonde tot een kenmerk van zijn persoonlijke toestand geworden is. Iemand die eens gelogen heeft, is daarmee niet een persoon die (permanent) door leugen wordt gekenmerkt. Iemand die eenmaal dronken was, is geen dronkaard. Maar als alcohol, liegen, afgoderij of ontucht het leven van een persoon kenmerkt, dan wordt zijn toestand gekenmerkt door deze zonde. Daarom moet hij uit de gemeenschap van de plaatselijke vergadering (gemeente, kerk) worden uitgesloten.

Het is nuttig om te begrijpen, dat de lijst van de in dit artikel genoemde zonden niet compleet is. Paulus noemt hier enkele opvallende toestanden van zonde, maar niet alle denkbare. Uiteraard is ook hier een moordenaar in te delen.

De boze is uitgesloten

Dat het om een dergelijke toestand gaat, maakt vers 13 van dit hoofdstuk heel duidelijk. Er staat niet: “Doet de broeder uit uw midden”. De persoon die moet worden uitgesloten volgens 1 Korinthe 5, is in karakter niet langer een broeder meer, maar een boze. Dat betekent niet dat een gelovige weer verloren kan gaan. Maar we kunnen in een persoon die in de zonde leeft, niet meer herkennen dat het om een gelovige gaat. Want een gelovige leeft niet in de zonde – dat zou volkomen abnormaal zijn. Dat de betrokken  persoon niettemin gelovig zijn kan, blijkt duidelijk uit 2 Korinthe 2 vers 6-7. Want de Korinthiërs moesten degene die zij moesten uitsluiten, vergeven en hem weer in de praktische gemeenschap van de gelovigen opnemen. Maar dit is alleen mogelijk bij een gelovige, zoals in vers 12 van ons hoofdstuk wordt uitgelegd.

Geen vraag van de eeuwigheid of van de behoudenis in de Heer Jezus

Tegelijkertijd moet niemand denken dat door het uitsluiten uit de plaatselijke gemeente iemand niet meer behoren zou tot de gemeente in de ogen van God. Mensen hebben niets te maken met de vraag van de eeuwigheid bij een andere persoon. Dat alleen al is een vraag die God beslist. Als de plaatselijke gemeente iemand uitsluit, dan sluit zij hem (alleen) uit van de praktische verwerkelijking van de gemeente van God hier op aarde. Daarvoor is zij verantwoordelijk (1 Kor. 5:7-8) – meer kan zij niet doen.

Wanneer moet worden uitgesloten?

Wanneer is men dan verplicht om uit te sluiten? Als een gelovige die in de gemeenschap is van de plaatselijke gemeente, zich als in zonde levend openbaart. We zijn geen detectives die elkander bespioneren moeten. Maar als zo’n zonde geopenbaard is geworden, zoals ontucht, hebzucht of dronkenschap, dan moet de plaatselijke gemeente handelen.

Tot slot wil ik nog op de vraag die steeds weer wordt gesteld, ingaan: Moet iemand die echtbreuk gepleegd heeft, altijd worden uitgesloten?

Het gaat hier om de vraag of iemand, die eenmaal in de zonde van hoererij (ontucht), of van overspel gevallen is, uitgesloten moet worden. Deze vraag is – net zoals alle concrete gevallen, die door uitsluiting getroffen worden, niet zonder de juiste kennis van de zaak te beantwoorden.

Niemand wordt uitgesloten om een enkele zonde. Dit maakt vers 11 van 1 Korinthe 5 duidelijk. Het gaat om de toestand van een persoon. Een moordenaar moet altijd worden uitgesloten, omdat moord opzet insluit – zodat moord nooit een onbezonnen handeling is. Dan zou het doodslag* zijn. Als ik mij in het hart een moord voorneem, dan kenmerkt deze zonde mij als mens.

De weg naar echtbreuk en ontucht

Dat is vaak bij hoererij niet anders. Men heeft al lang deze gedachten in het hart gekoesterd en zich op de weg naar deze zonde begeven. [Helaas moeten we erkennen, dat bij velen van ons, die tot nu toe niet gevallen zijn, juist deze zonde van ontucht en echtbreuk ook al in het hart gesluimerd heeft, en dat alleen de genade van de Heer ons voor deze daad bewaard heeft. Hem zij dank daarvoor!]

Het gaat niet om de vraag hoe schaamteloos een zonde in haar graad of in haar grootte is. Het gaat om de toestand van de gelovige, die in zonde gevallen is. De in 2 Korinthe 7 vers 11 genoemde handelwijze, waaruit bleek dat de Korinthiërs zich in alles rein bewezen hadden, betekent niet dat een gemeente alleen dan rein is, wanneer zij elke zonde door uitsluiting straft (dat het om een straf gaat, zegt Paulus in 2 Korinthe 2 vers 6). Hier moet per geval worden afgewogen.

Getuigenis voor de wereld

Natuurlijk is het waar, dat het getuigenis in deze wereld een belangrijke rol speelt. Hoe kan een plaatselijke gemeente zich als rein bewijzen, wanneer de omringende samenleving de indruk heeft gekregen, dat ieder kan doen en laten wat hij wil – hij wordt getolereerd. Neen, zij moet handelen. Maar de mate van handelen hangt af van de vraag of de zonde de toestand van een persoon beschrijft of niet. Dat kan alleen in gesprek “ter plaatse” vastgesteld worden. Dit is bij broeders en zusters die in zonde vallen, die overeenkomen met de lijst van 1 Korinthe 5, altijd noodzakelijk.

We willen genade tonen en tegelijkertijd de heerlijkheid en heiligheid van de gemeente op praktische wijze behouden. We moeten oordelen en tegelijk ons ervan bewust zijn, dat ieder van ons op elk moment op dezelfde wijze in de zonde kan vallen. In gebed en door te treuren (1 Kor. 5:2), willen we bij elk individueel geval de duidelijke leiding van de Heer op grond van Zijn Woord vragen. Dan zullen we goed handelen.

Manuel Seibel, © Bibelpraxis.de

Opmerking vertaler:

Zijn moord en doodslag synoniemen?

Antwoord:

Nee, in elk geval niet in juridische zin. Doodslag plegen betekent ‘iemand opzettelijk doden zonder voorbedachten rade’, een moord plegen betekent ‘iemand opzettelijk doden met voorbedachten rade’. Dit juridische onderscheid wordt echter in het gewone taalgebruik vaak niet gemaakt.

Toelichting:

De overeenkomst tussen moord en doodslag is het opzettelijke karakter. Met voorbedachten rade betekent dat de dader van plan was het slachtoffer te doden en dat bewust heeft voorbereid.

Bij niet-opzettelijk doden waarbij de dader wel schuld heeft aan het overlijden, is sprake van dood door schuld (in Nederland) of onopzettelijke doodslag (in België).

In de praktijk wordt het onderscheid tussen moord en doodslag meestal niet aangehouden; het woord doodslag wordt in niet-juridische contexten weinig gebruikt. Een zin als: ‘Hij zegt de moord in een opwelling te hebben gepleegd’, klinkt voor de meeste mensen niet vreemd, ook al is hier in juridische zin geen sprake van moord maar van doodslag. {taaluniversum.org}

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol