6 dagen geleden

Rechtvaardiging en aanvaarding bij God (1)

Bijbelplaatsen: Hebreeën 12:22-24; 10:19-22; Efeze 2:18; 3:12; Openbaring 7:9-14; 5; Hebreeën 9:11-14.

Het eerste resultaat van het werk van Christus, dat ons de waarde van dit werk laat zien, is de manier waarop het ons in de nabijheid van God brengt. Dit werk is niet alleen het middel, dat ons nu al verzekert van onze eeuwige aanname voor God, maar het geeft ons ook hetzelfde recht en genot (in overeenstemming met de maat van ons geloof) als het gaat om  de bevoorrechte toegang tot Zijn tegenwoordigheid, die we later als heiligen in de heerlijkheid hebben zullen. Dit maakt ook het idee overbodig, dat gelukkig door de meeste christenen wordt afgewezen, dat we tot de dag van het oordeel moeten wachten, om te weten hoe het met onze relatie tot God in deze tijd en in de eeuwigheid staat.

Er moet echter worden gevreesd, dat onder de evangelische christenen algemeen wordt erkend dat onze aanvaarding bij God iets is, dat we hier al door het geloof in het Woord van God en het getuigenis van de Geest kennen mogen, maar dat het niettemin min of meer aan het begrijpen van de zekerheid ontbreekt, waarmee het Woord van God hierover spreekt. En wel, dat de ziel, nadat hij eenmaal tot God gekomen is, door Hem aangenomen is, bij Wie in eeuwigheid geen verandering of schaduw van omkeer is (Jak. 1:17).

We zullen zien dat Christus reeds voor ons persoonlijk en voor onze zonden door het oordeel van God is gegaan, en dat we als gevolg daarvan al bij God gebracht zijn en door Hem aanvaard zijn, in plaats dat wij nog op de oordeelsdag moeten wachten. Want nadat Christus dit oordeel volledig heeft doorstaan, toen Hij aan het kruis leed, blijft er voor hen die geloven niets meer over te doen. Daarom zegt de apostel Petrus: “Want ook Christus heeft eenmaal voor [de] zonden geleden, [de] Rechtvaardige voor [de] onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen; Hij die wel gedood is in [het] vlees …” (1 Petr. 3:18). Dit lijden van de Rechtvaardige voor de onrechtvaardigen, “eenmaal voor de zonden”, niet in Zijn leven, maar in Zijn dood, is het, wat het probleem van de zonde beantwoord en geordend heeft, doordat Hij onder de hand van God, alles wat nodig was, doorstaan heeft. Dat heeft Hem, Die zo geleden heeft, mogelijk gemaakt om ons tot God te brengen. En God heeft ons reeds aanvaard als gevolg van het recht, dat Christus zo verkregen heeft om ons voor God te vertegenwoordigen. Want Hij nam onze plaats voor God in en droeg wat noodzakelijk was, opdat wij aan de andere kant dat krijgen konden, wat Hem en de waarde ervan dat recht gaf, in plaats van de eeuwige ellende, het rechtvaardige loon van onze zonde. Zo brengt Hij ons tot God op grond van de waarde, van wat Hij voor ons gedaan en geleden heeft.

In Hebreeën 12 trekt de apostel Paulus1 een vergelijking tussen de wet en het evangelie, – de berg Sinaï met zijn oordeel en de zegeningen van het christendom. Hij zegt: “U bent niet gekomen tot de berg Sinaï” met zijn vervloekingen en zijn verdoemenis, maar “u bent genaderd tot [de] berg Sion en tot [de] stad van [de] levende God, [het] hemelse Jeruzalem; en tot tienduizenden van engelen, [de] algemene vergadering; en tot [de] gemeente van [de] eerstgeborenen, die in [de] hemelen staan opgeschreven; en tot God, [de] Rechter van allen; en tot [de] geesten van de tot volmaaktheid gekomen rechtvaardigen; en tot Jezus, [de] Middelaar van een nieuw verbond; en tot [het] bloed van besprenkeling, dat beter spreekt dan Abel” (Hebr. 12:22-24). De apostel toont daarmee aan, dat we zonder te moeten wachten tot we daadwerkelijk verheerlijkt zijn, nu reeds in het bezit van al deze zegeningen zijn gebracht; dat we nu reeds een volkomen recht erop hebben. Daarom stelt het geloof ons in staat om te zeggen, dat vanuit Gods oogpunt ons deze rechten en voorrechten al toebehoren, omdat ze ons al voorgesteld zijn, en we zijn door het geloof er ingevoerd. En zij omvatten alle eer en heerlijkheden en zegeningen van de verlosten. Echter, we zijn niet alleen nu al gebracht tot de berg Sion en tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, tot tienduizenden van engelen, tot de algemene vergadering en in de gemeente van de eerstgeborenen, die opgeschreven staan in de hemelen, maar ook tot Jezus, de Middelaar van een nieuw verbond. En door [het] bloed van besprenkeling, dat beter spreekt dan Abel, zijn we zelfs al “tot God, de Rechter van allen” gekomen. En deze Rechter van allen heeft ons nu al aanvaard en ons voor altijd in Zijn tegenwoordigheid ingevoerd, want wat Hij als Rechter van – door de werkzaamheid van het bloed van Christus – allen gedaan heeft, is absoluut definitief en onveranderlijk.

Naast deze aanvaarding van onze persoon door God in overeenstemming met de werkzaamheid van het kostbare werk van Christus, mogen we uit de hierboven aangehaalde passage en andere, die wij nog zullen aanvoeren, iets leren. Namelijk dat het werk van Christus ons, in afwachting van onze toekomstige positie en onze voorrechten, een bijzondere plaats in Zijn nabijheid en bijzondere toegang tot Zijn tegenwoordigheid verworven heeft. Zeker, we verwachten de tijd waar we naar geest, ziel en lichaam onberispelijk voor Zijn heerlijkheid met vreugde voorgesteld zullen worden (Judas :24), maar we hebben al gezien, dat we in zekere zin niet op een toekomstige dag hoeven te wachten om deze dingen te verwerkelijken. En zo is het ook met de waarheid van de nabijheid van God, waartoe wij geroepen zijn.

In de brief aan de Efeziërs schrijft de apostel Paulus [1], nadat hij de natuurlijke toestand van de mens behandeld heeft, die van God vervreemd is, en de ontvangers eraan herinnerd heeft dat zij zowel moreel als nationaal ver van Hem waren: “Maar nu, in Christus Jezus, bent u die vroeger veraf was, nabij gekomen door het bloed van Christus” (Ef. 2:13). Deze nabijheid tot God is gebaseerd op de werkzaamheid van het bloed van Christus en is niets minder dan eeuwige nabijheid, die we in de hemel als ons deel zullen genieten en die zelfs daar nog ons hoogste en kostbaarste voorrecht zal zijn.

Nadat de apostel heeft aangetoond hoe vrede is gemaakt, gaat hij verder: “Want door Hem hebben wij beiden in één geest de toegang tot de Vader”. En een eindje verder: “… in Wie wij de vrijmoedigheid en de toegang met vertrouwen hebben door het geloof in Hem” (Ef. 2:18; 3:12). Net als in de brief aan de Hebreeën: “Daar wij dus, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, langs de nieuwe en levende weg die Hij ons heeft ingewijd door het voorhangsel heen, dat is zijn vlees, … laten we naderen met een waarachtig hart, in de volle zekerheid van [het] geloof” (Hebr. 10:19-22). Hoe heerlijk is deze kennis, dat God ons dichtbij Zich hebben wilde, want Hijzelf heeft de weg tot Zijn tegenwoordigheid voor ons gebaand, en scheurde het voorhangsel in de dood van Christus, opdat wij Hem in overeenstemming met Zijn heerlijkheid konden naderen (nadat de zonde weggedaan was). Dergelijke uitspraken als deze: “toegang met vertrouwen”, “vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom”, verbonden met de uitnodiging om tot Hem te naderen, tonen ons ondubbelzinnig dat het Gods vreugde is om Zijn genade op deze wijze ten opzichte van ons uit te oefenen, doordat Hij ons in het heiligdom brengt; dat het Zijn vreugde is om ons door de toegang tot deze voorrechten een getuigenis te geven van de waarde die het bloed van Christus in Zijn ogen heeft. Hij wil dan ook dat wij de plaats, die Hij ons in overeenstemming met de genadige bedoelingen van Zijn hart geeft, zó onvoorwaardelijk aannemen zoals Hij deze ons verleende; en dat we daarvan zonder angst of aarzeling gebruik maken, Want Hijzelf heeft in het middel voor onze toegang voorzien, en het is Zijn woord dat tegen ons zegt: “Treedt nader”.

Dit alles is van groot belang is voor de vrede en troost van de christen; hoezeer dan ook zijn geloof in het begrijpen van deze dingen falen mag – het beïnvloedt op geen enkele manier de plaats, die God hem daadwerkelijk vanwege het werk van Christus gegeven heeft. Maar als hij het goed begrijpt en er indringt, kan hij God daardoor verheerlijken. En tegelijkertijd verbindt het zijn hart met Hem, Die het allemaal verworven heeft. Dat was onder de wet nog niet het geval, ook niet tijdens het leven van onze geliefde Heer, Die tegen Zijn discipelen met betrekking tot Zijn opstanding en de daaropvolgende afdaling van de Heilige Geest uitdrukkelijk zei: “In die dag zult u weten dat Ik in Mijn Vader ben en u in Mij en Ik in u” (Joh. 14:20). En de apostel zegt van degenen, die onder de wet waren, dat door hun angst voor de dood, die tot dan toe nog niet overwonnen was, zij hun hele leven lang onderworpen waren aan de slavernij. Ook de zonde was nog niet verzoend, noch was het offer aangenomen; en zo kon God hen nog niet in Zijn nabijheid toestaan ​​of dezelfde vrije toegang tot Zichzelf geven, zoals Hij het later deed toen het scheuren van het voorhangsel, nadat Christus Zich vlekkeloos aan God opgeofferd had, de heerlijke verandering aanduidde, die in dit opzicht plaatsgevonden had, en de daarmee verbonden vertrouwelijke toegang tot Zichzelf, die nu aan Zijn heiligen is toegestaan ​​(verg. Joh. 16:23-25).

We houden dus eraan vast, dat wij nu dezelfde aanvaarding, dezelfde nabijheid, dezelfde vrije toegang tot God hebben, die we in de hemel zullen hebben. Alhoewel de mate waarin we dit verwerkelijken, oneindig veel zwakker is, dan het dan zal zijn. Maar ons recht op deze zegeningen is er vandaag even zo goed, zoals het dan zal zijn; en de Heilige Geest is door Christus vanuit de hemel neer gezonden, om ons door geloof in staat te stellen tot het volle genot van onze positie in te gaan, die onze eeuwige vreugde in de heerlijkheid van Gods tegenwoordigheid uitmaken zal.

En onze definitieve aanvaarding in heerlijkheid voor God heeft dezelfde grondslag als onze tegenwoordige zegen, zoals de brief aan de Kolossenzen ons heel duidelijk laat zien. Daar schrijft Paulus: “… en door Hem alle dingen tot Zichzelf te verzoenen, na vrede gemaakt te hebben door het bloed van Zijn kruis, <door Hem,> … en u, die er vroeger vreemd aan was en vijandig gezind was door uw boze werken, heeft Hij echter nu verzoend in het lichaam van Zijn vlees door de dood, om u heilig, onberispelijk en onstraffelijk voor Zich te stellen” (Kol. 1:20,21). Hier wordt de definitieve vertegenwoordiging van de heiligen in volledige eeuwige aanvaarding, “heilig, onberispelijk en onstraffelijk” in de tegenwoordigheid van God, toegeschreven aan de alleen voldoende werkzaamheid van de dood van Christus; en wel met de duidelijke en onmiskenbare uitdrukking “in het lichaam van Zijn vlees door de dood”.

Wordt D.V. vervolgd.

NOOT:
1. De apostel Paulus is de vermoedelijke schrijver van de brief aan de Hebreeën {vertaler}.

Online in het Duits sinds 07.10.2017.

Alexander C. Ord, © 2017 bibelstudium.de

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol