11 jaar geleden

Quelle benediction – Wat een zegening

November-december 2007. KERSTVERHAAL. De Kerstdagen staan weer voor de deur. Dit kerstverhaal dat gesitueerd is in West-Vlaanderen, berust grotendeels op waar gebeurde feiten … Helinda kijkt met dromerige ogen die niets zien in de verte. Ze kijkt naar een foto van haar man, die tegenover haar aan de muur hangt. De oude wandklok slaat 10.00 uur. Op de achtergrond is zachtjes de Sarabande van G.F. Händel te horen. Hoe zal de Kerst dit jaar verlopen? Zullen de kinderen nog komen? Haar gedachten gaan 64 jaar terug in de tijd en herinneringen borrelen nu langzaam omhoog … en Helinda beleeft opnieuw die wonderbaarlijke geschiedenis in haar leven die zoveel licht en blijdschap bracht in haar angstige hart …

Herinneringen

Helinda kijkt met dromerige ogen die niets zien in de verte. Ze kijkt naar een foto van haar man, die tegenover haar aan de muur hangt. De oude wandklok slaat 10.00 uur. Op de achtergrond is zachtjes de Sarabande van G.F. Händel te horen. Hoe zal de Kerst dit jaar verlopen? Zullen de kinderen nog komen? Haar gedachten gaan 64 jaar terug in de tijd en herinneringen borrelen nu langzaam omhoog … en Helinda beleeft opnieuw die wonderbaarlijke geschiedenis in haar leven die zoveel licht en blijdschap bracht in haar angstige hart …

<< Langzaam kruipt de maan achter de wolken vandaan. Het heeft een dromerig effect op de 18-jarige Helinda, die moeizaam haar weg zoekt in een witte wereld. De paden in het dichte bos waar zij in dit late uur doorheen moet, waren door de hevige sneeuwval bijna onbegaanbaar geworden. Haar gedachten zijn bij haar ernstig zieke moeder waarheen zij nu op weg is. Haar moeder leed aan een ernstige ziekte. Gisteren was zij bij haar opa en oma op bezoek gegaan om hen te helpen bij het schoonmaken en andere huishoudelijke karweitjes die zij niet meer konden doen. Haar plan om morgen weer naar huis te gaan, heeft zij echter toch gewijzigd. Een sterk onbestemd en onweerstaanbaar verlangen naar huis dreef haar voort. Opa had nog geprobeerd haar te weerhouden van het drieste plan om nog zó laat op pad te gaan met de grote kans verrast te worden door winterse sneeuwbuien. Hoewel Helinda een bang en schichtig meisje was, kon opa haar toch niet meer houden. Ze móest naar huis, naar moeder … Zo was zij in dit late uur – het was al middernacht – in haar laarzen gestapt en op pad gegaan. Het was moeilijk om de met sneeuw bedekte paden te vinden. Haar gedachten zijn bij moeder. “Hoe zou het nu met mama zijn?”, maalt het door haar hoofd. Helinda hield heel veel van haar moeder en was erg bezorgd haar te moeten verliezen. En dat het die kant op ging, was duidelijk. Al van jongs af aan was ze erg bang om alleen gelaten te worden. Als kind was ze vaak ziek maar haar moeder zorgde altijd heel goed voor haar … Ja, als ze aan haar moeder dacht kwam altijd het beeld van zorgen … zorgen … zorgen … in haar gedachten. Moeder was altijd in de weer. Toch had Helinda geen echte band met haar moeder en dit heeft ze altijd als een groot gemis ervaren. Hoe goed zij ook haar best deed om contact met haar te krijgen, het lukte gewoon niet. Dikwijls was ze hier zo verdrietig om dat ze de stilte opzocht en vaak erbarmelijk moest wenen. Vader was in de oorlog weggevoerd naar een strafkamp en daar omgekomen. Zij was toen nog heel klein. Toen stond moeder er alleen voor om het grote gezin met 10 kinderen op te voeden. Gelukkig kreeg moeder veel hulp van haar lieve ongehuwde zuster, tante Alien. Zij woonden op het platteland in West-Vlaanderen (België). Alles was daar dan nog puur natuur, behalve de enorme druk van de Rooms-Katholieke Kerk. Als er na een huwelijk niet vlug genoeg kinderen kwamen, bemoeide mijnheer pastoor zich ermee. Alles was er koude religie op het Vlaamse platteland en Helinda was niet in staat om zich aan de invloed hiervan te onttrekken. “Brrrr …”, rilt Helinda als zij hieraan denkt. En zo heeft haar moeder een groot gezin waarvoor zij de zorg heeft. Toch is moeder in de ogen van Helinda een godvruchtige moeder, want zij brandt al vele jaren vele kaarsjes voor het Mariabeeld. “Vanwaar dan toch dat grote doffe verdriet in moeders ogen?”, vraagt Helinda zich dikwijls vertwijfeld af. “En wij als kinderen bidden toch ook elke dag paternosters1 en lange litaniën2?”, terwijl zij bijna struikelt over de onzichtbare boomwortels die een wit jasje aan hadden. Nu grinnikt Helinda hardop als ze aan haar drie grote broers denkt. Dat ging zo …

Als het de beurt was aan de litanie van de heiligen, bijvoorbeeld Heilige Maria, en wij moesten dan zeggen: bid voor ons, troosteres der bedrukten; weer: bid voor ons, toevlucht der zondaren; weer: bid voor ons, behoudenis der kranken en weer: bid voor ons. Zo ging dat door, heel lang. En alles wat Jezus toekwam werd aan Maria toegeschreven. Onze jongens werden moe en zeiden: bidt voor Fons (dan wist je ‘t wel!!!).

Nou, dat durfde Helinda niet. “Nee”, denkt ze, “ik was maar een bang, schichtig kind, heel mager en ik vond mijzelf foeilelijk”. Bij die gedachte schieten er tranen in haar ogen. “O, hoe ver is God toch weg?” Hel en verdoemenis, dingen die de pastoor vanaf de kansel predikte, staan haar te wachten. En toch … diep binnen in haar ziel wilde Helinda ook heel graag in de hemel komen en heilig zijn, maar hoe? “Ik wil God behagen, maar hoe?”, vraagt ze zich vertwijfeld af. Met de gedachte dat je met goede werken de hemel kunt verdienen, is zij naar opa en oma gegaan. Dat is immers een goed werk! Dit stemt haar nu toch wel wat hoopvoller.

Het bos wordt nu wat lichter en Helinda ziet dat ze al aan de rand van het bos is gekomen. Gelukkig … dan kan ze ook wat beter zien en is ze al bijna op de helft. Het laatste stuk is een brede beukenlaan dat uitkomt op de weg waaraan zij wonen. Nu moeder zo ziek is, zullen de Kerstdagen wel anders verlopen, denkt Helinda. Eigenlijk helemaal geen feest …. Zojuist is ze het Mariabeeld voorbijgelopen dat aan het begin van de beukenlaan staat. Voorzichtig en bang draait Helinda zich om. “Is dat nu waar? Kijkt Maria mij hier nu ook al aan?” Een hevige onrust in haar ziel bespringt haar … “niet heilig … niet heilig!” Vlug bid zij: “O, Maria, troosters der bedrukten, bid voor mij; Gij toevlucht der zondaren, bid voor mij”. Zou het helpen? Ze voelt echter niets anders dan leegheid in haar hart en is nog troostelozer en ongeruster dan daarvoor. Dan vervolgt Helinda haar moeilijk begaanbare pad. Haar verlangen en haar angst geven haar bijna vleugels om zo snel mogelijk bij moeder te zijn. Ondanks de sneeuw, verstevigt ze nu haar passen.

Haar moeder heeft ook veel verdriet gekend waar Helinda geen weet van heeft. En haar vader … Haar ogen vullen zich nu met tranen … Die arme papa! nooit meer op zijn knie zitten … Ja, maar hoe ging dat ook weer? Ze mochten in die oorlogsdagen ‘s avonds niet meer naar buiten en geen licht en geen radio aan. Honger hebben ze thuis weliswaar nooit gehad, omdat haar vader in die tijd de burgemeester was van het dorp. Toen kwam die verschrikkelijke dag, waar moeder nooit meer over sprak. Ze hoort nóg die dreunende laarzen van de Duitsers die al binnen waren, voordat iemand er erg in had. “Draus, draus …”, gilde de commandant tegen haar vader die lijkbleek en verschrikt aan de tafel zat. “Mitkommen, mitkommen, schnell!”, herinnert Helinda zich nog de barse stem. Het hele gezin dat aan tafel zat te eten, verstijfde van schrik. Vader werd van zijn stoel gesleurd door twee soldaten. Moeder gilde het nog uit: “Wat doet u nu? Hij is de burgemeester! …” Het mocht niet baten. Vader was binnen enkele minuten verdwenen en het gezin bleef huilend achter. Moeder probeerde de kinderen te troosten en riep huilend Maria aan. Maar Maria zweeg en vader bleef weg … Sinds die tijd hebben ze nooit meer iets van vader vernomen, behalve dan dat hij meegenomen was omdat hij de Duitsers had tegengewerkt en de burgers van zijn dorp had beschermd. Sinds die tijd ook was er droefheid in de ogen van Helinda’s moeder tot op de dag van vandaag.

Met een schok zijn Helinda’s gedachten weer terug bij haar moeder. “Zij zal toch niet sterven? Wie moet er dan voor ons zorgen?”, vraagt ze zich vertwijfeld af.

Op de brede beukenlaan aangekomen ziet ze in de verte een lichtje branden. Dit moet van hun huis zijn. Ze zijn dus nog wakker. Zal er iets ernstigs aan de hand zijn? Zou het erger geworden zijn met moeder?

Helinda begint nu te hollen. “Moeder, o moeder”, tolt het door haar hoofd. Haar mooie bruine ogen vullen zich met tranen … Hoe moet dat nu? Zij wilde zo graag nog eens met moeder praten, haar één keer willen vragen: “Moeder, houd u wel van mij?” Een gevoel van doffe eenzaamheid vult nu haar hart. “Moeder, laat ons niet alleen”, is haar volgende gedachte. Omdat Helinda door haar emoties overstelpt wordt en door haar betraande ogen niet meer goed ziet, struikelt zij over een half ondergesneeuwde steen en daar ligt ze dan, languit in de sneeuw. “Au, au …”, gilt ze het uit. Ze probeert weer op te staan, maar dat gaat heel moeilijk. Zij voelt een stekende pijn in haar linker enkel. Ze probeert op te staan … maar het lukt niet … nog eens en ja, het lukt haar met veel moeite om overeind te krabbelen. Na enkele stappen echter wordt dit haar al te veel. Ze gilt het uit van pijn maar nog meer van angst om te laat thuis te zijn bij haar moeder. “Help! help!”, gilt ze nu zo hard ze kan. En nog eens: “Help! help!” Maar niemand hoort haar in deze witte koude wereld … Niemand?

Thuis is Fons, haar oudste broer, druk bezig met de houtkachel. Tante Alien is gekomen om hem te helpen. De kinderen heeft zij ondergebracht bij haar andere zus en haar man – Joanna en Bertolf -, die een eindje verder aan het andere eind van het dorp woonden. De toestand van haar zus, heeft haar daartoe gebracht. Zo kon ze het beste haar zus helpen in haar ernstig zieke toestand. Zware koortsen teisterden haar zus. Er moet water gekookt worden voor warme kruiken voor moeder, dus moet de kachel weer opgestookt worden. Fons moet echter naar buiten om nieuw hout te halen. Maar hij is nog maar net buiten de deur of hij hoort een afgrijselijke gil. Fons schrikt geweldig … De houtblokken die hij net in zijn arm genomen had, vallen met een smak weer op de grond, bijna op zijn wat groot uitgevallen voeten. Dit verwacht je toch niet op dit late uur in zo’n winterse koude nacht … Wie is er nu nog buiten? “Help!, help!”, hoort hij nu nog duidelijker. Het komt uit de richting van het bos. Fons vliegt naar binnen om tante Alien te waarschuwen dat hij even weg moet. Snel is hij weer terug en snelt op zijn houten klompen door de sneeuw in de richting van waar hij het gillen gehoord had. De sneeuw plakt hem onder de klompen maar dat deert hem niet. Hij heeft een bekende stem gehoord, en dat geeft hem zoveel kracht en energie dat hij bijna door de brede beukenlaan vliegt. “Helinda, Helinda”, roept hij tijdens zijn sprint, want hij weet dat het zijn lieve zus is. “Wat zal er met haar zijn, wat doet zij hier op dit late uur en in deze witte wereld?”, schiet het door hem heen. “Zij moet toch bij opa en oma zijn?” Bijna gaat Fons ook tegen de vlakte maar hij houdt zich op de been. Het is ook zo glad hier door de sneeuw. Na een poosje ziet hij in de verte een zwarte bult op de witte laan liggen. “Helinda!, Helinda!, ben jij het?”, roept hij. “Ja, Fons, kom gauw alsjeblieft”, roept Helinda. Het duurt nu niet lang of Fons is bij haar. Hij treft haar huilend van pijn en verdriet aan. “Hallo, zusje, wat zoek jij daar in de sneeuw, ben je iets kwijt?” Typisch Fons weer, denkt Helinda. Ze gaat echter niet op zijn plagerijtje in en snikt gehaast: “O, Fons, hoe is het met moeder, breng mij gauw bij haar?” Fons gezicht betrekt. “Eh … eigenlijk niet zo goed, zusje. Zij heeft heel hoge koorts en zij ijlt. Tante Alien is bij haar en de rest van het gezin is bij oom Bertolf en tante Joanna”. Dan helpt hij Helinda overeind, ondersteunt haar en zegt, terwijl hij haar aankijkt: “Kom maar, dan breng ik je gauw bij moeder. Jij bent zeker ongerust geworden; ik zie het wel aan je”. “Ja, Fons, ik ben heel ongerust over mama en kon het niet langer bij opa en oma uithouden” … en begint dan erbarmelijk te huilen. Fons is er verlegen mee en zegt: “Kom maar zus … stil maar … dan gaan we vlug naar huis, naar moeder”. Diep in zijn hart is hij erg trots op zijn zusje die altijd zo bang was maar die dit toch durft, zo alleen door het bos. Ook Fons is dol op zijn zus, maar ja, dat zeg je toch niet zo maar?

Dan stuntelen ze samen naar huis en na een half uur komen ze eindelijk bij hun erf. Zuchtend en steunend strompelen ze het kleine huisje binnen. Fons brengt zijn zus naar de kleine huiskamer, zet haar op een stoel en trekt haar wit besneeuwde mantel uit. Ondertussen is tante Alien er ook bij gekomen en streelt Helinda over haar rode wangen en vraagt haar: “Lieve kind, was je zo ongerust?” “Ja, tante”, hijgt ze, “ik kon het bij opa en oma niet meer langer uithouden”. Maar met nieuwe energie en met een vervaarlijke zwaai komt Helinda overeind. “Naar moeder”, steunt ze. Samen met Fons strompelt ze dan naar de voorkamer waar moeder op bed ligt. Bij haar bed gekomen ziet ze dat moeder wakker is en met open ogen haar nu aanstaart. Helinda wenkt naar Fons dat hij haar even alleen moet laten. Vervolgens neemt zij moeders handen in de hare en zucht: “O mam, ik ben weer terug en zal goed voor u zorgen hoor”. Moeder wordt nu stil en kijkt verdwaasd om haar heen. Het is net of zij zich in een heel ver land bevindt en niet weet waar ze is. Dan kijkt ze plotseling met heldere ogen naar Helinda, komt een beetje overeind uit haar kussens en fluistert dan zachtjes: “Ben jij daar mijn kind?” “Ja, mam, ik ben hier voor u”, fluistert Helinda haar in het oor. Nu stromen er tranen van dankbaarheid uit moeders fletse en verdrietige ogen, en vermoeid fluistert ze zachtjes: “Fijn, mijn lieve kind. Quelle benediction3”. Dan zakt ze weer terug in haar kussens en geheel uitgeput sluit ze haar ogen. “Het lijkt wel of zij op mij wachtte, denkt Helinda. Daarin had zij ook gelijk, ook al wist zij dit op dat ogenblik niet.

Rustig ademhalend ligt haar moeder daar nu. Helinda legt de dekens wat netjes en drukt zachtjes een zoen op moeders ingevallen rode wang. “Dag, lieve mam!” Dan hinkt ze weer terug naar de huiskamer waar Fons en tante Alien haar al opwachten. “Moeder is weer in slaap gevallen. Het lijkt mij dat wij nu ook wel rustig kunnen gaan slapen, nietwaar tante Alien?” “Zeker Helinda”, antwoord tante Alien. Dan richt Helinda zich tot haar broer en zegt: “Fons … dank je wel dat je mij hebt opgehaald. Ik was echt helemaal radeloos …”. Ze stapt op haar grote broer toe en geeft hem een dikke zoen. Fons krijgt een rode kleur tot aan zijn oren en stamelt: “Moet dat nu zo, zusje?” Dan legt hij zijn dikke knuisten op tafel en stamelt: “Fijn dat jij er nu ook bent, lieve zus”. Vlug staat hij op en verdwijnt vervolgens met tranen in zijn ogen naar buiten om alsnog de blokken hout te halen voor de kachel. Hij moest immers nog een warme kruik maken en die bij moeder laten brengen door tante Alien. Helinda kijkt hem met een dankbaar hart na … “Quelle benediction” … nu schieten haar deze woorden weer te binnen. Wat zou moeder daar nu toch mee bedoeld hebben? Dan zoekt Helinda strompelend haar bed op en valt als een blok in slaap. Ook tante Alien heeft het logeerbed opgezocht, nadat zij de warme kruik bij haar zus had gebracht. Ook Fons ligt al op één oor en ronkt al spoedig het hele bos bij opa en oma omver. Zo is huize den Vlaminc in volle rust.

De volgende morgen was Helinda al vroeg wakker. Zo vlug ze kan, wast zij zich, kleedt zich aan en gluurt vervolgens bij moeder om de hoek en ziet dat deze nog rustig slaapt. Gelukkig maar. Ook Fons is al vroeg uit de veren en kijkt eventjes bij moeder. Dankbaar sluit hij de deur en begroet Helinda en zegt: “Goedemorgen, lieve zus, heb je goed geslapen. En hoe is het met je enkel?” “Dag Fons. Ja, ik heb heerlijk geslapen en met mijn enkel gaat het redelijk. Ik kan er weer een beetje op lopen zonder al te veel pijn. Het valt gelukkig reuze mee”, antwoordt Helinda. “Wel, dan kunnen jij het samen met tante Alien wel redden vandaag, hè? Dan ga ik naar oom Bertolf en tante Joanna om hen daar een beetje te helpen met de kleintjes, oké?”, ratelt Fons. “Goed Fons, ik denk dat het wel lukt maar kom je vanmiddag wel even langs voor alle zekerheid?” “Prima, zus, natuurlijk .. tot vanmiddag dan hoor”, en weg is de zorgzame, goedige en lieve Fons.

Helinda kijkt Fons dromerig door het keukenraam na. Zelf heeft ze nog veel te doen voor school. Ze denkt: “Ja, nu is mijn droom om kleuterjuf te worden in vervulling gegaan. Ik ga nu naar een internaat (een andere school kort bij huis was er helaas niet voor die opleiding). Maar ik merk wel dat de strenge roomse leer ook daar verder gaat als een rode draad in mijn leven”. Aanvankelijk is ze er niet gelukkig. Angst en eenzaamheid maken het haar moeilijk. De nonnetjes daar zijn wel vriendelijk maar ook héél streng. Helinda’s gedachten gaan verder: “Ik doe toch mijn uiterste best en studeer goed, want ik wil naar de hemel gaan en ook heilig zijn. En elke dag weer die paternoster, al wandelend langs een Mariabeeld dat precies altijd naar mij keek”. Maar ondanks dat vond ze geen echte rust in haar hart. Dan bedenkt ze: “Wordt men dan heilig met paternosters te bidden? We liepen wel altijd netjes in de rij, een zwarte schort voor en ‘s zondags droegen we een blauw kleed met wit kraagje, het ‘putteke’ in onze hals moest wel bedekt zijn!!!!! Op zondag twee missen. Eigenlijk ben ik wel erg volgzaam en durf niet naast de lijn lopen. Maar al die nonnetjes, helemaal ingekapseld, met een rammelende paternoster in hun lenden, zijn die nu de uitverkorenen, en gaan die naar de hemel?????”

Om de maand mocht Helinda naar huis, en ook eens bezoek van thuis ontvangen. Op gebied van seksualiteit was het een drama, alles was zonde, zonde, liefst maar niet naar je eigen lichaam kijken … Dus ging Helinda met haar hemd aan in de douche … Ze wou immers naar de hemel gaan … geen slechte gedachten krijgen? “Wat waren die dan?”, zo vroeg ze zich dikwijls af.

Er waren ook plezierige momenten, er was een grote kameraadschap onder hen, en Helinda werd graag gezien, ze zaten toch allemaal in hetzelfde schuitje. Ze was braaf en volgzaam, en de overste dacht al dat Helinda misschien nonnetje zou worden, maar dat gebeurde niet. Gelukkig niet! Dat was de heiligheid niet die ze wou, maar welke dan wel wist ze toen ook niet …

Terwijl Helinda door het keukenraam en naar de de witte wereld staart, beseft ze heel duidelijk: “God is nog niet reëel in mijn leven, ik heb geen persoonlijk geloof, wel ga ik trouw naar de kerk, maar heb zo veel vragen … waar moet ik daarmee heen?”

De zon verschijnt is net boven de oosterkim. Helinda kan nu de straat die bij hun huisje eindigt, bijna niet meer ontdekken vanwege de sneeuw die deze nacht erbij gekomen was. Toch wel een mooi gezicht … die witte vredige wereld … “Ja, maar hoe onrustig is het in mijn hart”, verzucht ze. “Komt er nu nooit een eind aan mijn zoektocht naar vrede? En hoe gaat het nu verder met moeder?” Plotseling hoort Helinda iemand op de buitendeur kloppen. Ze had er geen erg in gehad dat er iemand naar hun huisje was komen lopen. “Binnen”, roept ze. Voorzichtig gaat de deur open en wie staat daar: oom Egmund. Helinda kan haar ogen niet geloven. “Oom Egmund”, roept ze dan, vliegt op hem af en valt hem om de hals. “Wat een verrassing!” Als oom Egmund zich losmaakt uit haar hartelijk en onstuimig welkom, zegt hij: “Dag mijn lieve nicht, hoe is het met jou … en vooral met je moeder?” Helinda kan nu haar tranen niet bedwingen en snikt: “Met mij wel goed maar met moeder niet”. “Och, och … mijn lieve kind … wat een verdriet …”, zegt oom Egmund geschrokken en pakt nu Helinda’s handen in de zijne en drukt haar tegen zich aan. Ondertussen zoekt hij woorden van troost want hij ziet wel dat hier grote zorgen zijn. Hij is de ongehuwde broer van moeder en is altijd heel zorgzaam voor zijn zus, vooral na de tragische wegvoering door de Duitsers van zijn zwager Wulf. Regelmatig komt hij langs en helpt dan waar dat nodig is. Eigenlijk was hij een beetje de tweede vader in dit gezin. Ze waren ook allemaal heel dol op hem. Waardoor hij onder de Vlamingen erg opviel was dat hij soms ook een woord uit de Bijbel had. Ja, oom Egmund is, zoals hijzelf eens heeft verteld, een kind van God geworden .. hij sprak toen over opnieuw geboren zijn, over een nieuw leven en over geloven in Hem Die het grote werk op Golgotha volbracht heeft … en nu staat hij daar. O, wat is Helinda blij dat hij er is en trekt hem nu vlug mee naar binnen. Oom Egmund doet zijn jas nu uit en volgt Helinda naar binnen. “Is je moeder al wakker, Helinda?”, vraagt hij en gaat ondertussen aan de grote eiken tafel zitten. “Nee, oom. Mama slaapt nog steeds. Zij had gisteren een heel onrustige dag, maar toen ik gisteravond thuis kwam van opa en oma, werd zij weer rustig en viel als een blok in slaap”. Helinda gaat nu tegenover oom Egmund zitten en vervolgt haar relaas. “Ik ben bang dat het niet goed met moeder gaat en … snik … snik … ik kan haar niet missen … en oom Egmund … hoe krijg ik contact met God en hoe kom ik in de hemel … snik … snik … mijn hart is zó leeg en zó koud”. Dan volgt er een stilte. Vol verwachting kijkt Helinda oom Egmund aan. Ja, oom Egmund voelt zijn nicht goed aan en weet dat dit het goede moment is. In zijn hart stijgt een gebed omhoog: “O, Heer Jezus, help mij alstublieft”. Dan grijpt hij naar zijn tas die hij altijd bij zich heeft en pakt er een zwart boek uit, de bijbel. Eventjes zoekt hij en dan leest hij met bewogen en ernstige stem voor: “… en gij zult Hem de naam Jezus geven, want Hij zal Zijn volk verlossen van hun zonden” (Mattheüs 1:21) en vervolgens : “Het is volbracht” (Johannes 19:30). Met stralende ogen en een blij gezicht kijkt hij Helinda aan … en legt hij Helinda uit waarom Jezus op aarde gekomen is. “Niet alleen voor het volk Israël maar …”, na een korte stilte gaat hij verder “ook voor jou en mij, Helinda. En Hij kwam om jouw en mij te verlossen van onze zonden. En hoe deed Hij dat? Door te te sterven op het kruis van Golgotha. Daardoor opende Hij de hemel voor jou en mij. Hij heeft het eenmalige werk volbracht en Hij is nu mijn Verlosser en wil ook graag de jouwe worden, Helinda! Daarvoor heb je Maria niet nodig. Zij had net als jij en ik de Verlosser nodig. En nu is de Heer Jezus daar in de hemel voor al de Zijnen en bidt nu voor hen … Niet Maria! Jezus Zelf heeft in Johannes 14 vers 6 gezegd: ‘Niemand komt tot de Vader dan door Mij’. Wie kan het beter weten dan Hijzelf?” Ademloos luistert Helinda toe. Oom Egmund gaat verder: “Nu mag ik jij jouw handen als het ware ook op Zijn offer leggen – dat offer is Hijzelf – en zeker weten: Het is volbracht! ook voor mij. Niet goede werken, niet zilver, niet goud … alleen Zijn kostbaar bloed is de basis voor een levend contact met God, de Vader en met de Heer Jezus, Zijn Zoon”.

Helinda kijkt hem met tranen in haar mooie bruine ogen aan. Zijn woorden hebben haar diep geraakt … ze wist het nu zeker: de Heer sprak tot haar hart en daar kon en wilde zij niet langer onderuit … dit was ook precies wat zij al zo lang miste. Dan buigt ze haar hoofd en met ogen vol verlangen vraagt zij: “Hoe moet dat oom? Hoe krijg ik wat u ook hebt?” Oom Egmund antwoordt: “Vertel Hem al jouw zonden, jouw eenzaamheid, jouw angst, jouw vruchteloze inspanningen, ja alles … leg jouw handen op Zijn offer en geloof Hem op Zijn woord: ‘Het is volbracht!’” Helinda houdt het nu niet langer uit op haar stoel en valt op haar knieën en smeekt: “Hier ben ik eindelijk Heer Jezus. U hebt mij opgezocht en … o ik ben zo onheilig, zo zondig, zo bang … O, kom in mijn hart …”. Na een heilige stilte roept ze het uit: “Dank U wel, Heer Jezus dat U alles gedaan hebt wat ik nooit kon en kan doen om mij te verlossen! Amen!” Oom Egmund die ondertussen bij haar is neergeknield voegt er aan toe: “Dank U, Heer Jezus, dat U Helinda hebt opgezocht en gevonden. O, help haar nu ook verder, lieve Heiland. Uit genade! Amen!”

Dan staan beiden op met tranen van geluk in hun ogen en kijken elkaar met dankbare blijdschap aan. “Wat een geluk, wat een rust!, oom Egmund, stamelt Helinda. Oom Egmund fluistert: “Ja, dat is het!”. Met stille dankbaarheid gaan ze weer aan tafel zitten. Hier zijn ook geen woorden voor …

Na een poosje van vredige stilte vanwege innige dankbaarheid naar God toe, zegt oom Egmund: “Kom maar, Helinda, nu wil ik ook graag mijn zuster spreken. Ze is vast wel wakker nu. Breng jij mij eventjes bij haar”. “O ja, natuurlijk oom”. Zachtjes begeven ze zich dan naar de voorkamer waar moeder ligt. Voorzichtig doet Helinda de deur open en wat ze daar aantreffen overtreft alle verwachtingen. Moeder zit met stralende ogen overeind in haar bed. En terwijl Helinda bij haar op bed gaat zitten, roept haar moeder uit: “O, Egmund en Helinda, wat fijn dat jullie hier zijn”. “Ja, ik heb daarnet alles gehoord hoor, broer … en ook ik heb hier mijn knieën voor Hem Die al zó lang mij zocht, gebogen. Toen ik hoorde wat jij vertelde van Hem kon en wilde ik niet anders meer! Alles heb ik aan de Heer Jezus verteld … al mijn zonden, al mijn zelfmedelijden, al mijn verdriet … Quelle benediction … Nu heb ik ook vrede. Weet je, Helinda, toen jij en Fons geboren werden, zei de vroedvrouw: ‘Quelle benediction’ en dat betekent: ‘Wat een zegening’. Dat besef ik nu pas en … ik moet je daarom van de Heer Jezus nu vertellen: lieve Helinda, ik hou van je!!! Wat heb je toch veel moeten missen sinds je vader weg is …”. Zachtjes streelt ze Helinda’s wangen. Nu ben ik ook een nieuwe schepping in de Heer Jezus net als jij en oom Egmund. O, Quelle benediction!” Dan slaat Helinda haar armen om haar moeder en tranen van geluk stromen nu onophoudelijk uit Helinda’s ogen … mama heeft de Heer Jezus ook aangenomen en … zij houd van mij! Oom Egmund staat stil toe te kijken naar dit getuigenis van geluk en vrede … >>

Hier onderbreekt de werkelijkheid Helinda’s herinneringen. De klok slaat 12.00 uur en de bel gaat. Wie staat er voor de deur? Inmiddels is de Sarabande van Händel allang afgelopen. Ze vouwt nog vlug haar handen samen en dankt God innig voor Zijn zegeningen. Daarbij herinnert ze zich opeens de woorden uit Psalm 103 vers 2, die ze al zo vaak gelezen heeft: “Loof de HEERE, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden …”. Deze zegening heeft Helinda altijd in voorraad: Ze is een kind van God en mag eens bij de Heer Jezus in de hemel komen. Quelle benediction! Dan loopt zij naar de deur en … wie staan daar? Haar broer Egmund en Fons … Ze hoort dan Fons het heerlijke nieuws verhalen, dat ook hij vrede heeft gevonden in het offer van de Heer Jezus. Quelle benediction! Aan het eind van dit heerlijk samenzijn zingen ze samen daarom het lied:

O, Lam van God,
als kind kwaamt Gij op aarde;
Gij, Schepper van ‘t heelal,
Gij werdt geboren in een stal.
Voor wie daalt Gij, o Heer,
in armoe, dood en graf ter neer?
De bruid, U, Heer gegeven,
om steeds met U te leven,
met U te delen ‘t heerlijk loon,
zij bracht U van Gods troon.
O, Lam van God,
Gij bron van hemelvreugde,
Gij zijt ons eeuwig deel;
aan U behoren wij geheel.
Gij kocht ons door uw bloed;
Gij gaaft Uw Geest in ons gemoed.
Uit liefde kwaamt Gij neder,
zij brengt tot U ons weder.
Het is des hemels heerlijkheid,
dat Gij, o Heer, daar zijt.

Zo werd ook deze 1e Kerstdag een heel bijzondere dag voor Helinda! Net als die dag waar zij straks zo aan moest denken.

En … hoe ziet het er bij ons uit? Laten ook wij nooit vergeten wat God heeft bewerkt in onze harten! Laten we ons ook herinneren dat wij een heerlijke en zekere toekomst hebben in onze Heer en Heiland. Ja, ieder van ons mag weten en zeggen: Hij is de Zoon van God Die mij heeft liefgehad en heeft Zichzelf voor mij overgegeven. Wat een zegening!!! Hij komt heel spoedig om ons die geloven te brengen in Zijn hemelse heerlijkheid. Dat zal Hem zeker gelukken! Tot zolang mogen en kunnen wij hier op aarde genieten van hem en van Zijn zegeningen. Ondanks alle smart en elk verdriet, ondanks onze ziekte en eenzaamheid. Quelle benediction!!!

NOTEN:
1. Gebed, bestaande uit een reeks smeekbeden of lofprijzingen. Het is lange, eentonige opsomming [WikipediA].
2. Een litanie is een gebed in een christelijke eredienst om God (of Maria, of een of meer heiligen) aan te roepen en te smeken voor een genade, een geschenk, of een genezing. Een litanie wordt gebeden tijdens een dienst of een processie en heeft de vorm van een aantal aanroepingen; iemand (meestal priester of diaken) bidt voor, en de gelovigen antwoorden met een bepaalde formule zoals bid voor ons, aanhoor ons, ontferm u over ons, of verhoor ons. In de vroegste litanies werd God aangeroepen om bevrijd te worden van de aanval en overheersing door woeste stammen, of om van pest, cholera of andere besmettelijke ziekten gevrijwaard te worden.
Later ontstonden diverse litanies (van de Heilige Geest, de Heilige Maagd Maria, van alle heiligen, van Sint-Jozef, of van een bepaalde heilige) waarin deze worden aangeroepen, en om hulp en bijstand gesmeekt.
Als voorbeeld volgt hier een gedeelte van de ‘Litanie van de Heilige Maagd Maria’ (de cursieve tekst wordt gezegd door de gelovigen):
Zetel van Wijsheid / bid voor ons
Oorzaak van onze blijdschap / bid voor ons
Geestelijk vat / bid voor ons
Eerwaardig vat / bid voor ons
Heerlijk vat van godsvrucht / bid voor ons
Mystieke roos / bid voor ons.
De ‘Litanie van Maria’ behoort tot de gebeden van de rozenkrans [WikipediA].
3. Quelle benediction: ‘Wat een zegening’.

Dit verhaal berust ‘gedeeltelijk’ op waar gebeurde feiten.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol