11 jaar geleden

Overdenking van Nehemia (2)

Om een taak voor God te kunnen vervullen is er voorbereiding nodig. Gebed, afhankelijkheid en nederigheid zijn hierbij zeker ook ingrediënten die niet mogen ontbreken. Dat geldt voor elke Christen, die de Heer dienen wil. Drinken wij ook uit de ware bron alleen? Gaan wij voorbij aan de bronnen die de satan ons voorhoudt, door het Woord van God als een zwaard te hanteren? Ook wij kunnen veel leren van datgene wat Nehemia geleerd heeft om de Heer te dienen …

Nehemia 2:1-13

De zorg over de toestand van het volk van God

Dit hoofdstuk behandelt de voorbereiding van Nehemia voor de taak, die God op zijn hart had gelegd. We kunnen onszelf direct de vraag stellen, waarom God Nehemia kon gebruiken “om wat goeds te zoeken voor de kinderen van Israël” (vers 10). Hoewel ook tijdens zijn werk het hart van Nehemia vervuld was van zorg over het volk en de Naam van de Heer, die gesmaad was, was hij wel trouw in zijn werk en nooit treurig geweest voor het aangezicht van de koning. Alle bedienden van de koning moesten in zijn nabijheid vrolijkheid en blijdschap tonen (Daniël 1:10). Als er wijn voor hem klaar stond, nam Nehemia als schenker die op en gaf die aan de koning (vers l). Wijn verheugt het hart van de mens (Psalm 104:15). Met dit werk ging Nehemia trouw verder. In de achterliggende dagen had hij met niemand gesproken over hetgeen hem bezighield. Ja, toch wel met Iemand, met zijn God in de hemel. Nehemia had inzicht in de gedachten van zijn God, kende de zin van Jakobus 5:13a: “Lijdt iemand onder u? Laat hij bidden”. Hij leed innerlijk mee, maar wist tot Wie hij moest gaan! Hij bad. Hij was zo intens bezig met het volk van God, dat hij hun droevige geestelijke omstandigheden voelde alsof ze zijn eigen omstandigheden waren.

Wat hem nog nooit was overkomen, gebeurde nu: De zorg over de toestand het volk van God liet zijn sporen na op het gezicht van de trouwe schenker, zodat de koning het opmerkte. Hij zei: ‘Waarom is uw aangezicht treurig, zo gij toch niet krank zijt? Dit is niet dan treurigheid van het hart” (vers 2). De koning stelde aan zijn uiterlijk vast, hoe het innerlijk met hem gesteld was. De woorden van Salomo in Spreuken 15:13 werden hier bewaarheid: “Een vrolijk hart zal het aangezicht blij maken; maar door de smart van het hart wordt de geest verslagen”. De smart, die Nehemia’s hart vervulde, had betrekking op het volk van God. Als één lid lijdt, lijden alle leden mee (1 Korinthe 12:24b-26a), hoeveel temeer als het hele volk van God lijdt en één persoon meelijdt. Waardoor Nehemia bewogen werd, is in Nehemia 1:3 voor onze aandacht geweest.

Nehemia werd erg bang. Toch vergat hij zichzelf en sprak tot de koning: “De koning leve in eeuwigheid! Hoe zou zijn aangezicht niet treurig zijn, daar de stad, de plaats van de begrafenissen van zijn vaderen, woest is en haar poorten met vuur verteerd zijn?” (vers 3). Hoe goed Nehemia’s maatschappelijke omstandigheden ook mochten zijn, staande voor de koning getuigde hij ervan, met wie hij verbonden was, en sprak hij over de toestand van het volk. Om voor onszelf nog wat eer te behalen, stellen wij de toestand van hen, met wie wij verbonden zijn, vaak mooier voor dan in werkelijkheid het geval is. Maar Nehemia was open en eerlijk ging in zijn ijver en trouw recht door zee. Treurend over deze toestand, was Nehemia in de goede gezindheid. Zijn hart klopte voor het welzijn van het volk van God. Nehemia had een zeer goede betrekking, maar toch stelde hij hoofdzakelijk belang in het volk van God en in het getuigenis van de Naam van de Heer (Nehemia 1:9b). Dat ging hem boven alles. Hij was iemand, die zichzelf wilde verliezen om het volk van God te dienen. Evenals de apostel Paulus, die schade en drek achtte, wat voor hem winst was (Filippi 3:7-8). Paulus verliet alles om Christus te winnen. Nehemia wilde alles verlaten om het volk van God te dienen. Dan gaan onze gedachten naar de Heer Jezus, Die alles verliet om ons rijk te maken (2 Korinthe 8:9). Terwijl Hij rijk was, werd Hij ter wille van ons arm.

Vertrouwen en afhankelijkheid van Nehemia

Toen Nehemia in deze gezindheid zijn taak vervulde en de koning tot hem sprak, bad hij ondertussen tot de God van de hemel (vers 4). Een gebed “met de pet op”, zoals velen dat wel eens noemen. Eigenlijk was hij op hetzelfde moment, dat hij met de koning sprak innerlijk in gebed. Hij gaf de koning te kennen, dat hij graag naar Juda gezonden wilde worden, “naar de stad der begrafenissen van mijn vaderen, dat ik ze bouwe” (vers 8). God verhoorde het gebed van Zijn knecht door het hart van de koning te bewerken. Hier blijkt, dat de harten van koningen in Gods hand zijn als waterbeken. Hij neigt ze tot alles, wat Hij wil (Spreuken 21:1). Waarschijnlijk heeft God de invloed van de koningin, die naast haar man zat, ook gebruikt. Zo werd een zekere tijd vastgesteld (vers 6). Die tijdsduur vinden we door Nehemia 2:1 te vergelijken met 13:6: Het was een periode van ongeveer twaalf jaar.

Werkelijk vertrouwen op God beschaamt nooit. Nehemia kreeg van de koning zelfs brieven voor de landvoogden aan de overzijde van de rivier om hem van een veilige doortocht naar Juda te verzekeren (vers 7). Ook ontving hij een brief voor Asaf, de bewaarder van de lusthof, opdat hij Nehemia hout zou geven (vers 8). Met niemand anders dan met de koning sprak Nehemia over deze ernstige en zo belangrijke zaak. Bovendien denkt een ware dienstknecht nooit in de eerste plaats aan zichzelf. Nehemia vroeg hout:

  1. om de poorten van het paleis, dat aan het huis is, te zolderen;
  2. voor de stadsmuur;
  3. voor het huis, waar hijzelf zou intrekken.

In de eerste plaats gaat het dus om het huis des HEEREN, vervolgens om de afzondering van de volken en als laatste om de dienstknecht zelf. Zo heeft de apostel Paulus ook gearbeid. Het huis van God en alles, wat ermee samenhing, was voor hem het belangrijkste. Dan kwam de afzondering van de wereld als voorbeeld voor al de kinderen van God. Wat hemzelf betrof, had hij geleerd, tevreden te zijn met de omstandigheden, waarin hij zich bevond, wat vaak gebrek betekende (Filippi 4:10-20). Vertrouwend op God, verzocht Nehemia de koning om de brieven. “En de koning gaf ze mij, naar de goede hand van mijn God over mij”, kon Nehemia getuigen. Zouden we niet met de psalmist instemmen en elkaar toeroepen: ‘Wacht op de HEERE, zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken; ja, wacht op de HEERE” (Psalm 27:14)?

Zodra Nehemia in gezelschap van de legeroversten en ruiters, die de koning met hem had gezonden, aan de overkant van de rivier was gekomen en de brieven aan de landvoogden had gegeven (vers 9), werd de duivel actief, en wel in zijn knechten. De haat van de Ammonieten en Horonieten was groot en openbaarde zich in hun leiders (vers 10). Dat waren de volken, die tot in het tiende geslacht niet in de vergadering des HEEREN mochten komen, tot in eeuwigheid. Het volk van God mocht “hun vrede en hun welzijn niet zoeken, al uw dagen in eeuwigheid” (Deuteronomium 23:3-6). De namen van hun leiders hebben ons veel te zeggen. Wij hebben net als Nehemia met zulke mensen rekening te houden. De naam Sanballat betekent “hoog van waarde, onder een vermomming van haat”, en Horoniet “(bewoner van het) huis der kloven”. De betekenis van de naam Tobia is “goed is de HEERE”, terwijl Ammoniet tenslotte betekent “de vijand, die een spleet bracht”. Geen wonder, dat het hun mishaagde “met groot mishagen, dat er een mens gekomen was om wat goeds te zoeken voor de kinderen Israels”. Wie had hen van deze plannen verteld? Satan doorgrondt veel. Maar geen angst! De God van de hemel staat boven alles.

De betekenis van de “drie dagen”

Gods knecht kwam in Jeruzalem aan, zonder enig menselijk vertoon of reclame door middel van een groot gevolg. Integendeel, Nehemia had op God vertrouwd en riep nu als het ware met verbazing – en vanzelfsprekend tot eer van zijn God – uit: “En ik kwam te Jeruzalem en was daar drie dagen” (vers 11). Zo stond hij op het arbeidsveld van zijn God en zag de toestand aan. Hij was niet afhankelijk van een zending door mensen en ging ook niet bij mensen te rade. Hij had tot God gebeden en Hij had in zijn hart gewerkt. Vinden we een soortgelijke gedachtengang niet bij de apostel Paulus? God had Paulus vanaf de moederschoot afgezonderd en door Zijn genade geroepen om Zijn Zoon in hem te openbaren en Hem onder de volken te verkondigen. Paulus ging toen niet te rade met vlees en bloed en ging ook niet tot hen in Jeruzalem maar naar Arabië en keerde daarna weer terug naar Damaskus (Galaten 1:15-17). Paulus moest leren om af te zien van eigen werken, energie, eer en hulp van mensen, maar alleen zijn Zender te kennen en te vertrouwen, Die hem tot de dienst had geroepen (Handelingen 26:14-18). Dat moest ook Nehemia leren. In type spreken de “drie dagen” in Jeruzalem daarover. Ze staan in verbinding met het leven, het sterven en de opstanding van de Heer. Hij is het grote Voorbeeld.

Het leven van de Heer Jezus, waarvan de eerste dag spreekt, betekende afhankelijkheid van God in alles. Vanaf Zijn geboorte, tijdens Zijn openbaar optreden en tot in de dood, was Hij volkomen afhankelijk. Toen Hij veertig dagen beproefd werd in de woestijn had Hij tenslotte honger en kwam de verzoeker tot Hem. De Heer hanteerde alleen het Woord en de duivel werd verslagen. Daarop wordt de Heer Jezus als het ware beloond: “Engelen kwamen en dienden Hem” (Mattheüs 4:1-11). Langs een dergelijke weg moest de apostel Paulus gaan, in de woestijn van Arabië, geheel afgezonderd en alleen met zijn God. Ook Nehemia’s leven leek op dat van de Heer Jezus. Het hield zelfverloochening in tot eer van God en tot zegen voor het volk. Dezelfde weg van navolging van de Heer Jezus wil onze God nu Zijn verlosten leren, in het bijzonder hen, die door Hem tot een dienst in de gemeente worden geroepen. De eerste dag spreekt van een toegewijd leven in dienst van God, in overeenstemming met wat Romeinen 6:11 zegt: “Houdt u voor de zonde dood”.

De tweede dag betekent, met Christus gestorven te zijn. De oude mens is geoordeeld in het sterven van de Heer Jezus. Er zijn geen wettische drijfveren meer. We behoren Hem geheel toe en zijn dood voor alle wettische beginselen (Romeinen 7).

De derde dag spreekt ervan, dat we met Hem opgestaan zijn en in nieuwheid van het leven wandelen, dood voor de wereld en voor alles, wat met de wereld verbonden is (Galaten 6). We zijn met Christus gekruisigd (Galaten 2). Ook Nehemia zei als het ware: “Ik leef niet meer”. Zijn drijfveren waren God en Zijn volk. Bestaan daarin niet de overeenkomsten tussen Paulus en Nehemia? Werden deze uitgangspunten ook maar steeds bij ons gevonden!

Met betrekking tot zijn dienst had Nehemia nog lessen te leren. Hij maakte zich ‘s nachts op (vers 12). Zo schildert God ons de werkelijke toestand van het volk – het was nacht. Nehemia ging met weinig mannen en sprak er nog met niemand over, wat God in zijn hart had gegeven, namelijk “om aan Jeruzalem goed te doen”. Op zijn tocht stonden hem maar zeer weinig hulpmiddelen ter beschikking. Doet dit ons niet denken aan wat de Heer Jezus ervaren heeft? Hij had nog geen kussen, waar Hij Zijn hoofd op kon leggen. Van alle menselijke gemakken, ja, van praktisch alles deed Hij afstand, zelfs van de zegeningen van deze schepping. Hetzelfde gold voor Zijn discipelen. Ze hadden geen twee rokken en geen beurs (Mattheüs 10:9-10). Nehemia bezat alleen het dier, waarop hij reed. De rest bleef allemaal achter.

De Dalpoort

Nehemia moest echter nog meer leren. Zelfs in de nacht moest hij door de Dalpoort heen. Nee, niet eraan voorbij, maar door de poort heen (vers 13). Dat is een ernstige en belangrijke les. De Dalpoort wijst op ootmoed. Nadat we alles loslaten, waar we zo gemakkelijk op steunen, dienen we ook nog onszelf te leren kennen. Het tegenovergestelde van ootmoed, namelijk hoogmoed, is ons allen zo eigen. We putten zo graag uit onze bronnen van eigen eer en bekwaamheid en zien daarbij gauw op anderen neer. De Heer Jezus zegt tot Zijn discipelen: “Neemt Mjn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart”. Daar de Heer volkomen onderworpen was aan Zijn God en Vader, openbaarde zich bij Hem werkelijke zachtmoedigheid en nederigheid. Dat is de Dalpoort, waar Nehemia door moest trekken. Dat moest hij – in type – leren. Elke openlijke of bedekte uiting van hoogmoed maakt ons onrustig. Maar als wij net als Nehemia door de Dalpoort gaan, vinden we rust voor onze zielen (Mattheüs 11:29). In Jesaja 42:2-3a wordt de Heer Jezus ook met het oog op deze dingen profetisch beschreven. Zie ook Handelingen 20:19; Efeze 4:2 en Romeinen 7:18. Wie deze leerschool heeft doorlopen, zal ervaren, wat de Heer Jezus verder tot Zijn discipelen zegt: “Mjn juk is zacht en Mijn last is licht” (Mattheüs 11:30). Immers, “God weerstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade. Vernedert u dan onder de krachtige hand van God, opdat Hij u verhoge op Zijn tijd” (1 Petrus 5:5b-6). Bovendien zegt Salomo: “Met de ootmoedigen is wijsheid” (Spreuken 11:2b).

De Drakenfontein

Wonderlijk zijn Gods handelingen om Nehemia langs deze weg geheel tot de dienst bekwaam te maken. In de nacht trok hij ook aan de Drakenfontein voorbij. De draak is de grote machthebber ofwel de duivel, die zich met al zijn macht als tegenstander van God opstelt. De Drakenfontein wijst ons op de bron, die vol is van de macht van de duivel. Nehemia trok daaraan voorbij. Wat voor schoons de duivel ook mag bieden, hoe verleidelijk het ook mag zijn, laten we het Woord van God vasthouden, de ware Bron tot heil en welzijn voor al de kinderen van God. Laten we ook, waar dat nodig is, het Woord als het zwaard van de Geest gebruiken om zo de duivelse verleidingen te kunnen weerstaan (Efeze 6:11-18). Als de Heer Jezus in de woestijn vele beproevingen heeft doorstaan, komt de draak in zijn volle kracht tot Hem en hanteert zelfs Gods Woord. Dat klinkt goed, maar de Heer neemt het zwaard van de Geest, het Woord van God, en verslaat zo de satan. Zo ging Hij aan de satan, de draak, voorbij. Op soortgelijke wijze ging ook Nehemia niet op het aanbod van de Drakenfontein in, maar trok eraan voorbij. Werkelijke ootmoed en nederigheid wenst niets meer voor het vlees en helemaal niet uit de hand of de bron van de draak.

Wordt D.V. vervolgd.

J. de Blaauw

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol