2 jaar geleden

Opname vóór de periode van verdrukking?

Bijbelgedeelten: Johannes 14:1-3; 1 Thess. 4:13-17; Openb. 3:10; Openb. 22:17

Moeten Christenen door de periode van grote verdrukking gaan? Wanneer komt de Heer Jezus om de Zijnen tot Zich te nemen? Vóór de grote verdrukking of ná de grote verdrukking? We willen deze belangrijke vraag eens naspeuren en ons opnieuw laten motiveren om onze Heiland dagelijks uit de hemel te verwachten!

Voordat we op het onderwerp ingaan, zou ik graag twee waarheden uit de Schrift willen noemen, die ik graag als bekend zou willen veronderstellen:

Christus zal komen. Hoewel in de wereld eraan getwijfeld wordt (2 Petr. 3:1-7), is het een feit: Christus zal weerkomen. Hij heeft het Zelf gezegd: “En als Ik ben heengegaan en u plaats heb bereid, kom Ik weer” (Joh. 14:3). Een van de laatste woorden in de Bijbel is de belofte van onze Heer: “Ja, Ik kom spoedig” (Openb. 22:20).

De grote verdrukking zal komen. Er zal een verdrukking over Israël en de hele wereld komen, zoals er sinds het begin van de wereld tot nu toe niet geweest is en nooit meer zijn zal (Jer. 30:6,7; Dan. 12:1; Matth. 24:21; Openb. 3:10; 7:14). Deze verdrukking zal zeven jaren duren waarbij de tweede drie-en-een-half jaar bijzonder zwaar zullen zijn (Dan. 9:27; Openb. 11:2; 13:5).

Christus komt, en de verdrukking komt. Maar Wie/wat komt als eerste? Christus of de grote verdrukking? Het is Christus! Hij zal komen en de Zijnen vóór de grote verdrukking in de hemel opnemen. Ik wil graag met de volgende argumenten uitleggen, waarom ik denk dat dit de enig mogelijke conclusie is:

• Het is ten eerste belangrijk dat we een onderscheid maken tussen de opname en de verschijning: De Heer zal de gelovigen tot Zich in de hemel opnemen (Joh. 14:1-3; 1 Thess. 4:17; 2 Thess. 2:1), om daarna met hen in macht en heerlijkheid op de aarde te verschijnen (1 Thess. 3:13; 4:14; Judas vers 14; Zach. 14:4,5). Wanneer we dit onderscheid duidelijk zien, zal het gemakkelijker zijn om de andere overwegingen te begrijpen.

Christen wachten er dagelijks op, dat de Heer terugkomt, en roepen: „Kom, Heer Jezus!“ (Luk. 12:36; Openb. 22:20). Dit roepen zou nauwelijks zinvol zijn als we eerst de verdrukking zouden moeten meemaken. Christenen wachten op Christus – en niet op de tijd van verdrukking, die met de openbaring van de antichrist is verbonden!

• Wanneer de opname beschreven wordt, wordt de verdrukking niet genoemd (Joh. 14:1-3; 1 Thess. 4:13-17) en alleen van bemoediging gesproken. Blijkbaar is de opname een op zichzelf staande gebeurtenis die we met onbewolkte vreugde kunnen verwachten. Als we de verdrukking zouden moeten meemaken – zouden we dan niet beter er op hopen, in vrede vóór die tijd te mogen ontslapen? Zou de vreugde van de opname zich niet onvermijdelijk vermengen met angst voor de verdrukkingen?

• In de periode van verdrukking wordt de toorn van God en van het Lam op aarde uitgegoten (Openb. 6:16,17). Wij, de verloste Christenen zijn echter niet bestemd tot toorn, maar tot het verkrijgen van de behoudenis (1 Thess. 5:9). We zullen de komende toorn niet ondergaan, maar bevrijd worden wanneer de Heer ons in de hemel opneemt (1 Thess. 1:9; Rom. 5:9). Na de opname zal het verderf de ongelovigen treffen (1 Thess. 5:3).

• In de tegenwoordige tijd – vóór de openbaring van de antichrist, de “mens van de zonde”* – is er nog iets “wat tegenhoudt“, en een Persoon die het Boze tegenhoudt (2 Thess. 2:3,5,7). Die Persoon is de van de hemel gezonden Heilige Geest, die in elke Christen en in de gemeente woont. Deze Geest roept vandaag met de bruid van Christus: „Kom!” (Openb. 22:17). Pas wanneer de Geest en de bruid niet meer op de aarde zijn, zal de verdrukking kunnen beginnen, waarin de antichrist zich zal openbaren.

• In de Nieuwtestamentische brieven worden Christenen tegen vele boze ontwikkelingen en gevaren gewaarschuwd (1 Tim. 4:1 etc.). Waarom ontbreekt de waarschuwing voor de komende periode van verdrukking?

• In de plaatsen waarin de periode van verdrukking wordt genoemd, wordt de gemeente (kerk) niet vermeld (Matth. 24:3-29; Mark. 13:4-24; Openb. 7:14-17; vgl. ook Deut. 4:30-31; Jer. 30:4-7; Dan. 12:1). Er is sprake van een verdrukking voor Jakob zowel van de volken die uit de grote verdrukking komen – maar niet van de gemeente of van Christenen. Weliswaar wordt de gemeente in Openbaring 3 vers 10 in één adem met de verdrukking genoemd, maar precies deze plaats maakt duidelijk, dat de Christenen het “uur van de verzoeking” juist niet zullen meemaken.

• De profeet Daniël heeft ervan gesproken dat 70 jaarweken (een week = 7 jaar) over de Israëlieten zijn bepaald, voordat ze de zegen van het koninkrijk kunnen ontvangen. Na 69 jaarweken heeft het volk van God hun Messias verworpen, en het “uur van Israël” werd gestopt (Dan. 9:24-27). Nu verzamelt  God Zich uit alle naties een volk voor Zijn Naam (Hand. 15:14). Wanneer de volheid van de volken zal ingegaan zijn (Rom. 11:25), zal God opnieuw de draad met Zijn volk opnemen. Het “uur van Israël” zal opnieuw aanvangen en de laatste jaarweek van Daniël (= 7 jaar van verdrukking) zich vervullen. (Rom. 11:26,27). Daarna zal Israël in de zegeningen van het Nieuwe Verbond worden ingevoerd. Pas wanneer de gemeente in de hemel is, zal waar worden, wat de profeten over Israëls verdrukking en zegen gesproken hebben.

• Een voorafbeelding uit het Oude Testament toont op indrukwekkende wijze de opname: Henoch werd vóór de zondvloed opgenomen, terwijl Noach door de vloed heen werd bewaard (Gen. 5-8; Hebr. 11:5-7). Henoch is een beeld van de Christenen, terwijl Noach een beeld is van het Joodse overblijfsel in de periode van verdrukking.

• Een zinnebeeld illustreert de opname vóór de verdrukking: Christus wordt als Morgenster genoemd, Die voor de zon opkomt verschijnt (Openb. 2:28; 22:16). Omdat de Zon de verschijning van Christus in heerlijkheid voorstelt (Mal. 3:19,20), herkennen we in de Morgenster een verwijzing naar Christus, die ons tevoren in de “nacht van Zijn verwerping” tot Zich neemt.

Het boek Openbaring

In het boek Openbaring wordt de zevenjarige verdrukking uitvoerig beschreven (Openb. 6-19). We kunnen zeker verwachten hier duidelijke bewijzen te krijgen of Christenen deze tijd mee zullen maken of niet:

• In Openbaring 1-3 komt het woord gemeente (resp. gemeenten) 17 maal voor. In de hoofdstukken 6-19, waarin de oordelen getoond worden, komt het woord gemeente helemaal niet voor. Dat spreekt voor zich.

• In Openbaring 2 en 3 vinden we bij de zeven zendbrieven telkens de  oproep: “Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tot de gemeenten zegt” In Openbaring 13:9 is weer sprake van een oor dat horen moet. Echter hier, in het midden van de oordelen, lezen we niet dat de Geest tot de gemeenten iets zegt. Dit geeft ook weer aan, dat de gemeente niet meer op aarde is.

• In Openbaring 3:10 wordt Christenen beloofd, dat ze bewaard worden voor het uur van de verzoeking dat over het hele aardrijk zal komen. Om voor een uur bewaard te worden, dat de hele aarde treft, moet men de aarde voor die tijd verlaten hebben. Precies dit zal er met de verloste Christenen gebeuren.

• Openbaring 2 en 3 geven een overzicht van de geschiedenis van de gemeente. Daarna wordt een tijd beschreven, die ook vandaag nog toekomstig is. Wat zou er meer voor de hand liggen om in de woorden: “Kom hier op!” (Openb. 4:1) een aanduiding van de opname te zien?

• Vanaf Openbaring 4 is er sprake van 24 oudsten in de hemel, die een symbool van gelovigen zijn (Openb. 4:19; 5:5,6, enz.) [Voetnoot 1]. Ze stellen niet de engelen voor, want van deze worden zij onderscheiden (Openb. 4:8,11). Het zijn verheerlijkte verlosten die Gods gedachten kennen, het Lam aanbidden en zich voor biddende heiligen op aarde voor God inzetten (Openb. 5:8). Voor de oordelen komen (Openb. 6:1 en volgende verzen) zijn er dus verheerlijkte gelovigen in de hemel, niet alleen in het paradijs!

• Er zullen tijdens het “uur van verzoeking” zeker ook gelovigen op de aarde zijn, maar dat zijn geen Christenen. Want wat van deze gelovigen gezegd wordt, is niet in overeenstemming met de positie en de roeping van Christenen.

◦ In Openbaring 6:9-11 is sprake van martelaren die in de eerste helft van de periode van de verdrukking gedood worden. Zij roepen om wraak en gebruiken formuleringen, die we kennen uit de Psalmen (Openb. 6:10; Ps. 90:13; 119:84; 94:1-3). Dit roepen om wraak past niet bij Christenen (Hand. 7:60; Matth. 5:44).

◦ In Openbaring 7 wordt gesproken over verzegelden uit elke stam van de zonen van Israël zowel van een menigte uit elke natie. Deze door de grote verdrukking gaande gelovigen (Openb. 7:14) behoren niet tot de gemeente, omdat de gemeente van “Joden” en “volken” als zodanig wordt onderscheiden (Ef. 2:16; Kol. 3:11; 1 Kor. 10:32).

◦ In Openbaring 11:1-13 lezen we over twee profeten van God die in hun dienst aan Mozes en Elia herinneren en vele plagen over de aarde brengen en ook goddeloze mensen pijnigen (vs. 6,10). Maar Christenen moeten hun vijanden liefhebben en hen goedheid bewijzen (Rom. 12:14,19; 1 Kor. 4:11-13).

◦ In Openbaring 13:8 wordt gesproken van hen die het beest, de komende Romeinse heerser, niet aanbidden. Hun namen staan geschreven van de grondlegging van de wereld af in het boek van het leven van het geslachte Lam. Van Christenen echter wordt gezegd, dat ze vóór de grondlegging van de wereld uitverkoren zijn (Ef 1:4).

◦ Openbaring 14:1 toont gelovigen die na de ervaren verdrukking op de berg Sion staan. De (letterlijke) berg Sion heeft een bijzondere betekenis voor het aardse volk van God en niet voor Christenen (Psalm 14:7; 69:36). De Christenen worden in deze scène weer in de 24 oudsten gezien (Openb. 14:3).

◦ In Openbaring 15:2-4 worden de overwinnaars over het “beest” getoond. Zij zingen het lied van Mozes, dat de overwinning van de oordelen van God over de macht van het kwaad prijst. Het lied herinnert aan de bevrijding van de Israëlieten uit de macht van Egypte (vgl. Ex. 15).

• Alleen in Openbaring 12:5 wordt expliciet een opname (wegrukken) vermeld. Weggerukt wordt de zoon van een vrouw. De vrouw is een symbool voor het volk Israël, waaruit de Heer Jezus – dat is de Zoon – naar het vlees kwam (Matth. 1; Rom. 1:3; 9:5; 2 Tim. 2:8; Openb. 22:16). Christus werd na Zijn dood en Zijn opstanding uit het machtsgebied van satan ontrukt. Hij zal alle volken met een ijzeren staf weiden (Openb. 12:5). Christenen zullen dat ook doen, zoals Openbaring 2:27 zegt – en wel samen met Christus. Dit leidt tot de gedachten, dat Christenen zoals Christus, met Wie zij nauw verbonden zijn, vóór de verdrukking opgenomen en niet als de vrouw in de verdrukking bewaard worden (Openb. 12:6).

• In Openbaring 12:7-12 wordt beschreven, dat de duivel in het midden van de zevenjarige verdrukking uit de hemel zal worden geworpen. In de hemel klinkt een stem, die satan als “aanklager van onze broeders” aanduidt en betuigt dat deze broeders satan hebben overwonnen (Openb. 12:10,11). Dit moeten gelovigen in de hemel zijn die de vervolgden op aarde als hun broeders beschrijven. Engelen zullen niet zo spreken, omdat ze ons als mede-dienaren, maar niet als broeders kennen (Openb. 22:9).

• In Openbaring 13:6 vinden we dat het “beest uit de zee” (de Romeinse keizer) de naam van God lastert en degenen die in de hemel wonen [Voetnoot 2] (zie opmerking in de Elberfelder vertaling). Degenen die in de hemel wonen, zijn de “heiligen van de Allerhoogste”, die het koninkrijk van de hemel met Christus ontvangen zullen (Dan. 7:18).

Verwachten wij Hem?

We weten niet op welke dag de Heer Jezus zal komen, maar we weten dat Hij komt (Matth. 25:12). Maar alleen dát te weten is niet genoeg – we moeten Hem ook dagelijks verwachten (Rom. 8:23; Gal. 5:5; Fil. 3:20; 1 Thess. 1:10; Tit. 2:13; Hebr. 9:28; Jud. :21; verg. 1 Kor. 1:7). Verwachten we Hem niet, dan geven we de scheiding met de wereld op en worden nalatig in ons werk voor Christus (verg. Matth. 24 :48,49). De dagelijkse verwachting van de Heer echter …

  • … spoort ons aan trouwe getuigen en dienaars te zijn (Luk. 12:35-40);
  • … maakt ons moedig als we ontdaan zijn (Joh. 14:1-3);
  • … troost ons als wij lichamelijk lijden (Rom. 8:23);
  • … laat ons geestelijk waakzaam zijn (Rom. 13:11);
  • … motiveert ons in de dienst voor de Heer (1 Kor. 15:51-58);
  • … richt onze blik naar boven (Fil. 3:20-21);
  • … bemoedigt ons (1 Thess. 4:15-18);
  • … verhindert, dat we geschokt worden (2 Thess. 2:1);
  • … brengt ons vandaag al geluk (Tit. 2:13);
  • … leidt tot innerlijke reiniging (1 Joh. 3:3).
VOETNOTEN:
1. Die 24 (2 x 12) oudsten stellen de gelovigen van het Oude en van het Nieuwe Testament voor. In Openbaring 19:6-9, bij de bruiloft van het Lam, is er geen sprake meer van 24 oudsten, maar van een bruid (dat is de gemeente) en van bruiloftsgasten (de gelovigen, die niet tot de bruid behoren; zie Johannes 3:29).
2. Deze uitdrukking maakt duidelijk, dat het niet om ontslapen, maar om verheerlijkte heiligen gaat.
* Anderen lezen ‘wetteloosheid’.

Gerrid Setzer, © Bibelstudium.de

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol