11 jaar geleden

Openbaring 3:20

Het boek dat Johannes moest schrijven, laat zien hoe de Heer de afzonderlijke gemeenten in het midden waarvan Hij wandelde, beoordeelde. De geestelijke toestand van de zeven gemeenten was verschillend. De volgorde en de wijze waarop zij worden aangesproken, stemt overeen met de geestelijke ontwikkelingen die de gemeenten sinds de dagen van de apostelen hebben doorgemaakt en tot de wederkomst van onze Heer nog zullen doormaken.

Nu had de Heer kunnen verwachten dat in Zijn gemeente overeenkomstig de door de Heilige Geest vermeerderde kennis ook meer vreugde, trouw en liefde gevonden zou worden. Maar helaas was het tegendeel het geval.

Op de eerste waarschuwing van de Heer: “Gij hebt de eerste liefde verlaten” werd geen acht geslagen. De mens nam steeds meer de plaats in die alleen de Heer toekwam. Het was als vanouds: wat God de mens ook toevertrouwde, hij verdierf alles. Vijf van de zeven gemeenten moest de Heer berispen en waarschuwen. En toch ging de algemene toestand steeds meer achteruit. De Heer Die “in het midden van de zeven gouden kandelaars” wandelde, werd steeds meer verdrongen.

Wij staan nu bijna aan het einde van het christelijke tijdperk en de Heer staat ‘buiten’, omdat Hij in deze afvallige christenheid geen plaats meer heeft. Maar Zijn ontferming is nog niet ten einde. Nog steeds klopt Hij bij de enkeling aan en vraagt hem of haar de deur van zijn of haar hart te openen en Hem binnen te laten. Hij wil de maaltijd met hem of haar houden, de laatste maaltijd voor de komende nacht.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol