7 jaar geleden

Opdat zij één zijn (7)

Deel 2

Hoofdstuk zeven

Wij weten dat de tabernakel in elk detail een uitdrukking was van de Heer Jezus. In de nieuwe bedeling begint alles met een uitdrukking van de Heer Jezus. Daarom zijn de vier evangeliën, die geschreven werden na de meeste van de brieven, aan het begin van het Nieuwe Testament gezet. Ze bevatten een uitdrukking van de Heer Jezus. Hij is daar als Gods model voor Zijn aanwezigheid. God heeft ons het model laten zien, en wel in volkomenheid. Toen Jezus Zijn leven op deze aarde beëindigde, kon Hij zeggen: “Ik heb het werk volbracht dat U Mij te doen gegeven hebt”. Welk werk was dat? Wel, het was vooral dat Hij Gods gedachten openbaarde, zodat Hij kon zeggen: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien” (Joh. 14:9). Met andere woorden, Hij kon zeggen: “Ik ben de uitdrukking van Gods hart en gedachten. En Ik ben uit de hemel neergedaald, zodat jullie in Mij in elk detail de uitdrukking zouden kunnen zien van wat in Gods hart en gedachten is”.

In alles wat Hij zei en in alles wat Hij deed, was iets van God. Hij was persoonlijk de allesomvattende belichaming van Gods gedachten. Nu heeft God dat model aan ons geschonken. Door Zijn Zoon te geven, heeft Hij het model van alle dingen zichtbaar gemaakt. Het fundamentele in ons persoonlijk leven zowel als in ons gemeenteleven is altijd de aanwezigheid van de Heer. Het is niet maar één van de zoveel dingen die tot het christendom behoren. Het allesbeslissende criterium is: “Is de Heer hier?” en: “Is de Heer hier in alles?” “Is de Heer in wat zij doen?” en: “Is de Heer in hoe ze het doen?” Want bij de Heer is het even belangrijk hóe iets gedaan wordt als dát het gedaan wordt. Is de Heer in ieder persoonlijk? En is dit het overheersende kenmerk van hun leven? De Heer in hen.

We moeten helaas constateren dat veel dingen in het huidige christendom niet van de Heer zijn. De hand van de mens strekt zich uit naar Gods werk. Ook bij ons is er waarschijnlijk veel van de mens. We hebben allemaal dingen van het systeem christendom overgenomen. Goed bedoeld, maar niet van de Heer. We moeten terug naar het simpele fundament, en dat is de aanwezigheid van de Heer. We moeten zekerheid hebben dat de Heer met ons is en dat Hij met ons is in alle dingen die we doen en de heerschappij heeft. We moeten er zeker van zijn dat alles zijn oorsprong heeft in Hem, en niet in onze gedachten, of in onze wil, of gevoel. Het moet niet uit onze ziel voortkomen, maar uit de Heer, tot in elk detail, zoals bij de tabernakel.

Dit moet ons op onze knieën brengen. Het is misschien wel nodig dat wij van tijd tot tijd stilstaan en de Heer vragen over alles wat we doen. “Is dit uit God of is het iets uit onszelf. Zijn dit onze gedachten of de Zijne?” Dit bepaalt alles. Vergis je niet, alles van de mens, hoe goed ook, zal wankelen. Al het werk van de mens zal door het vuur beproefd worden, zegt het Woord van God.

Het eerste punt is dus dat de Heer Jezus gezien wordt. Ik wil een persoonlijke ervaring vertellen, alleen als illustratie. Vele jaren was ik een zogeheten dominee in een kerkgenootschap. Zelfs van twee kerkgenootschappen tegelijk. Ik preekte in grote kerken. En ik had een toga aan en alles wat daar bij hoort. Ik had een grote preekstoel en ik preekte en werd daarvoor betaald. Ik was eerlijk en oprecht. Ik geloofde werkelijk dat ik de Heer diende en mijn hart ging uit naar Hem.

Toen kwam de tijd dat God me Jezus Christus liet zien. Hij begon Zijn Zoon in mij te openbaren. O ja, ik kende de bijbel, ik gaf er onderricht over. Toen ik naar een grote gemeente in Noord Londen ging, hadden ze daar geen bijbelstudie. Alleen een heel kleine bidstond. Maar ik besloot dat we een bijbelschool moesten hebben. Ik liet dus een heel groot schoolbord maken en besloot bijbellessen te geven. Ik begon bij Genesis en ging door tot Openbaring. Het gevolg was dat die kerk tjokvol mensen zat.

Toen kwam de dag dat ik de Heer Jezus zag, en al die andere dingen hadden geen betekenis meer voor mij. Al die kerkelijke activiteit leek op kinderen die kerkje speelden. Wat een dwaasheid om je te kleden in kerkelijke gewaden. Ik had wel de hele bijbel in mijn hoofd, maar het was in feite een gesloten boek. Toen de Heer mij Zijn Zoon liet zien, verdwenen al die andere dingen. Ze hadden geen betekenis meer voor mij. Ik zag dat de Heer Jezus de gemeente is, niet die dingen en activiteiten. Ik zag dat de Heer Jezus alles in de bijbel is. De bijbel is geen boek, het is Christus. Ik zag Christus in Genesis en zo zag ik Hem in de hele bijbel. Daardoor werd al het andere dwaasheid. Ik zag Hem zoals Paulus bedoelde toen hij zei: “Het behaagde God Zijn Zoon in mij te openbaren” (Gal. 1:16). Dat gebeurde ook bij mij.

En van die dag af begon er iets nieuws. Een nieuwe bediening, een nieuw werk van God. En nu ben ik hier niet als bijbelleraar, maar om te spreken over wat ik van de Heer Jezus gezien heb, en jullie te vertellen dat het meest wezenlijke is Jezus te zien, en dat in toenemende mate. Als ik trouw ben zal het doorgaan tot het einde van mijn leven, steeds meer van Hem. We moeten terugkomen van al onze dingen, naar de Heer.

Nadat Gods model getoond was aan Israël, in het Oude Testament de tabernakel, en in het Nieuwe Testament de Heer Jezus aan de apostelen, was de volgende stap dat Gods volk over het model geïnstrueerd werd. In de woestijn vertelde Mozes hun over het ontwerp. Ze werden er allemaal bij betrokken. Zij moesten al de voorwerpen maken. Ze moesten goud en zilver leveren en al het overige materiaal. Mozes zei tegen het volk: “De Heer heeft ons een geweldig ontwerp laten zien”. En hij begon hun al de details uit te leggen. “Bepaalde voorwerpen moeten van goud gemaakt worden en andere van zilver. De gordijnen hebben verschillende kleuren”. Enzovoort. En hij zei: “Dit is wat de Heer bevolen heeft”.

Nu naar het Nieuwe Testament. De Heer Jezus kwam van de hemel als de Tabernakel. Johannes zegt: “Hij tabernakelde onder ons” (Grieks). Hij is de volle openbaring van Gods hart. En toen begon de Heer Jezus Zijn discipelen te onderwijzen aangaande Zichzelf, door woord en daad. Als ze naar Hem keken en naar Hem luisterden, kregen ze inzicht in Gods plan voor hen. Dat is ons Nieuwe Testament, de belichaming van alle dingen aangaande Christus, met één doel voor ogen. Al deze details over de Heer Jezus hebben slechts met één ding te maken. Om alle details van de tabernakel te noemen vraagt een hele tijd. We hebben de hele eeuwigheid nodig om alle dingen van Christus op te noemen. Maar in het Nieuwe Testament lezen we heel veel over de Heer Jezus. Toch is er in die vele dingen slechts één ding en dat is de tegenwoordigheid van de Heer. Alle ogenschijnlijk kleine dingen hebben daarmee te maken. Als de dingen niet gebeurden overeenkomstig de gedachten van de Heer in het Nieuwe Testament, ging alles mis. De Heer ging alleen met hen mee wanneer alles volgens Christus was.

Het tweede punt voor ons is dus dat wij Christus moeten leren. Er is een klein zinnetje in het Nieuwe Testament dat voor mij erg belangrijk is. De apostel schrijft over bepaalde dingen die niet goed waren. Dan gebruikt hij deze zin: “Doch gij hebt Christus niet alzo geleerd” (Ef. 4:21, S.V.; in de NBG vinden we geen directe vertaling, maar een parafrase). Op deze manier leer je Christus niet kennen. Zie je hoe belangrijk dit is? Hij zegt als het ware: alles moet voortkomen uit het kennen van Christus, hoe je Hem geleerd hebt.

Nu het derde punt. We hebben die twee mannen genoemd, Bezaleël en Aholiab. Er staat dat deze mannen met de Geest van God vervuld waren “en dat voor allerlei werk” (verg. Ex. 35:31; 36:1,2). Zodat het werk aan de tabernakel, toen het begon en toen het werd voortgezet, niet gedaan werd in de wijsheid van mensen. De Heer zei niet: “Hier heb je het bestek, werk het maar uit. Pak het maar aan en voer het zo goed mogelijk uit”. De Heer deed dat niet. Hij nam deze twee mannen en vervulde ze met Zijn Geest. Zo werden ze Zijn instrumenten, die lieten zien hoe de dingen gedaan moesten worden. Mijn punt is dat het werk gebeuren moet door de Heilige Geest. Als mensen worden ingeschakeld als Gods instrumenten, moeten ze vervuld zijn met de Heilige Geest. Zo begon het ook in het Nieuwe Testament: “Zie daarom uit, broeders, naar zeven mannen uit uw midden … vol van de Heilige Geest en van wijsheid” (Hand. 6:3). Alles moet gedaan worden onder de zalving van de Heilige Geest.

Vandaag de dag zien we in veel christelijk werk mensen die een bepaalde positie hebben maar niet gezalfd zijn. Ze hebben die positie gekregen van mensen, omdat ze beschouwd werden als goed in het werk. Natuurlijk hebben ze de Heer lief; ze zijn erg toegewijd en willen graag voor de Heer werken. En dus geven de leiders hun een bepaalde positie. Maar dan blijkt al gauw dat ze nooit een zalving van God hebben gekregen voor die plaats. Leiderschap in het werk van God is gezalfd leiderschap. Het moet voor alle geestelijke mensen zichtbaar zijn: die man of die vrouw heeft een zalving voor die taak. Ze vervullen die niet omdat ze zichzelf daartoe opgeworpen hebben, of omdat de andere verantwoordelijke personen vonden dat het een goede zaak was hun die taak te geven, maar omdat de Heer hen voor die taak gezalfd had en daarom is de Heer met hen. Misschien hebben ze veel menselijke tekortkomingen, misschien hebben ze eigenschappen die je van nature niet prettig vindt. Maar je moet toegeven dat de Heer met die man of vrouw is. Ze zijn op de juiste plaats omdat de Heer hun die gegeven heeft.

De zalving is de belangrijkste factor in alles wat met Christus te maken heeft. Het is niet een individuele zalving. Er zijn niet evenveel zalvingen als mensen. Er is maar één zalving en die rust op het Hoofd, Christus. We hebben alleen deel aan die zalving als wij in Christus zijn en wanneer we Hem als Hoofd hebben. We hebben geen deel aan die zalving als we onze eigen positie kiezen of als mensen ons die geven. De zalving is Christus’ zalving. Wij hebben die zalving alleen als we Hem volledig als Hoofd hebben. Kortom, het bepalende principe is de zalving van de Heilige Geest.

Het volgende punt dat we gezien hebben was dat alle geestelijke groei bepaald wordt door de aanwezigheid van de Heer. Stel je een situatie voor in de woestijn. Ik kan me voorstellen dat al die mensen vol enthousiasme waren toen de tabernakel opgebroken werd en de trompetten schalden om verder te trekken. “Nu gaan we naar het beloofde land! Het zal nu niet lang meer duren …”. Maar de wolkkolom stopte en de Heere zei hun de tabernakel weer uit te pakken en op te richten. Misschien zeiden de mensen wel: “O, waarom moeten we hier stoppen en wachten. We willen naar het beloofde land. Hoe lang blijven we hier?” En als de wolk vele dagen bleef rusten, zoals gebeurde, zouden ze gezegd kunnen hebben: “Waarom verliezen we zoveel tijd? Waarom trekken we niet sneller op?” Ja, waarom? Weet je, de Heer wilde niet dat ze alleen bezig waren met de reis, maar met Hemzelf. Hij wilde dat ze optrokken terwijl ze door Hem in beslag genomen werden. En als ze een tijd rustten en bezig waren met de Heer, zei Hij: “Nu gaan we weer verder”. Hij bedoelde: we stoppen verderop weer. De Heer doet dit op verschillende manieren. Wij klemmen ons vast aan “dingen” en willen daarmee voortmaken. We zijn vol van onze eigen energie in de dingen van God en we zeggen: “Kom, laten we aanpakken”. En zo gaan we door. Soms zegt de Heer: “Stop eens even”. Hij brengt ons soms tot stilstand door iets wat er gebeurt, de een of andere tegenspoed of een vorm van lijden. Er gebeurt iets en we weten dat de Heer gezegd heeft: “Stop, je bent te druk om naar Mij te luisteren, je bent teveel in beslag genomen door Mijn dingen in plaats van door Mij persoonlijk”. We moeten dus een tijd hebben dat we bezig zijn met de Heer. Mijn punt is dat alle geestelijke groei door de aanwezigheid van de Heer komt.

Toen Mozes het volk bijeen riep, brachten allen “ieder wiens hart hem daartoe bewoog” (Ex. 35:21; verg. 35:22) al het benodigde voor het werk. Op die manier maakte de Heer de mensen verantwoordelijk. De tabernakel viel niet kant en klaar uit de hemel, alleen het model kwam van de hemel. Toen zei de Heer: “Ziet toe dat gij alles maakt overeenkomstig het model”. Hij legde de verantwoordelijkheid hiervoor op de schouders van het volk. Zij moesten het model begrijpen en de verantwoordelijkheid voor de verwezenlijking ervan op zich nemen. Toen ze dat gedaan hadden, vulde de heerlijkheid van de Heer het huis.

Maar soms waren er momenten dat ze afweken van het model. Eén voorbeeld. Aäron had twee zonen, Nadab en Abihu. Deze jongens moeten alles geweten hebben van het model. Ze moeten geweten hebben wat God gezegd had over elk detail en ze wisten ook wat God gezegd had over het vuur. Wanneer ze hun vuurpannen vulden met vuur, moest dat van het altaar genomen worden. Maar waar kwam dat vuur op het altaar vandaan? Hier is het altaar, daar is het hout op het altaar, alles ligt klaar. Staken ze het hout aan? Maakten ze vuur en brachten ze dat naar het altaar? Nee, het altaarvuur kwam van de hemel. Toen het altaar opgericht werd en het hout erop lag en het geslachte offer, daalde het vuur van de Heer neer, en dat vuur ging nooit meer uit. Ze hoefden dat geen tweede keer te doen. De hele tijd dat de tabernakel op die plaats was, bleef het vuur dag en nacht branden. Geen mens hoefde vuur te maken. Nadab en Abihu namen het vuur niet van het altaar, maar maakten zelf vuur. Ze haalden het ergens anders vandaan en deden dat in hun vuurpannen en brachten dat voor het aangezicht van de Heer en de Heer sloeg hen zodat zij stierven voor het aangezicht van de Heer. Ze offerden vreemd vuur. Het was niet het vuur van het kruis. Het was hun eigen vuur, het vuur van het vlees, het vuur van de natuurlijke mens, het vuur van hun ziel en niet van de Geest. De Heer zegt dat dat vreemd vuur is. Het was niet volgens Gods aanwijzing en de Heer oordeelde dat. Kunt u dit zelf interpreteren?

Je ziet hoe belangrijk verantwoordelijkheid voor Christus is. De Heer heeft de verantwoordelijkheid op ons gelegd. Hij zegt: “Als je alles naar het model (Christus) maakt, ben Ik met je. Je zult gezegend worden. Ik ga verder met je. Als je vreemde dingen binnenbrengt, die niet volgens het model zijn maar van de mens, brengt dit geestelijke dood”. Moge de Heer ons geestelijk inzicht geven.

Slot.

* De teksten zijn geciteerd uit de Herziene Staten Vertaling, tenzij anders aangegeven.

Publicatie met toestemming van: Stichting “De Gouden Kandelaar” te Twello.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol