6 jaar geleden

Opdat zij één zijn (4)

Eenheid

Deel 1

Hoofdstuk vier

“Het woord is vlees geworden en heeft onder ons getabernakeld” (Joh. 1:14).

Christus, de Zoon van God, is de tabernakel van God. De woonplaats van God is in Zijn Zoon, nu en tot in alle eeuwigheid. Niet als type, maar in werkelijkheid; niet een tijdlang, maar alle eeuwigheid door. Christus is Gods tabernakel. Zijn naam is Immanuël, “God met ons”. Zijn bediening was en is de dienst van de tabernakel. Zijn offer, Zijn kruis was het allesomvattende offer van de tabernakel. Zoals de tabernakel een deur had, zo is Hij de deur. Hij alleen is de weg tot God. Zoals er net binnen de poort het brandoffer-altaar stond, zo is Zijn kruis het altaar. Zoals een eindje verder het koperen wasvat stond, zo reinigt Hij ons door Zijn kruis en door Zijn Geest, de Geest van het leven, zodat wij in de tegenwoordigheid van God kunnen komen. Al deze dingen hadden met dit ene te maken: Gods aanwezigheid bij de mens, de Heere met ons.

Net zoals God heel precies was met betrekking tot elk detail in de oude tabernakel, zo is God er ook heel specifiek en precies op dat alles in Zijn tegenwoordigheid Christus uitdrukt. Bij God bestaan er niet zomaar dingen. Dingen, ongeacht welke, zijn niet heilig.

Overal zie je grote religieuze gebouwen met een kruis erbovenop. Als mensen die gebouwen binnengaan, buigen ze zich neer; ze kijken heel eerbiedig. Ze denken dat dit een heilig gebouw is. Als je dan iets zou doen wat niet hoort, noemen ze dat heiligschennis. Voor God is dat allemaal onzin. Het heeft niets te betekenen. Het enige wat er voor God toe doet is niet dat prachtige gebouw en al die mooie dingen daarbinnen en zelfs het kruis op de toren niet. Het enige wat er toe doet voor God is de vraag of Hij er wel of niet is. Is God zelf daar aanwezig? Voor God verschilt die plaats in niets van alle andere, als Hij er zelf niet aanwezig is.

Wij horen christenen die in een samenkomst komen, zeggen dat ze naar Gods huis gaan. En als ze bidden zeggen ze: “Wij zijn blij om deze morgen in het huis van God te zijn. Het is goed om in het huis des Heeren te zijn”. Wat maakt een plaats tot het huis van God? Wat maakt deze plaats heilig? Als het al een gewijde plaats is, wat maakt het gewijd? Het is niet het gebouw, niet de gemeente die daar samenkomt. Het enige wat het gewijd maakt is dat de Heere aanwezig is. De Heere is niet geïnteresseerd in ons gebouw of in onze gemeente. Het gaat Hem alleen om een plaats voor Zichzelf waar Hij met vreugde aanwezig kan zijn. Ik vraag me af waar de tabernakel in de woestijn nu is. Ik vermoed dat die ergens diep onder de grond begraven ligt. Ik vraag me af waar de grote tempel van Salomo is. U zou uw tijd verspillen als u er naar gaat zoeken. God heeft al die dingen begraven. U vindt misschien dat ze zo heilig zijn dat God ze had horen te bewaren. Maar dat heeft Hij niet gedaan. Toen de tabernakel niet langer zijn ware betekenis vervulde, was hij voor God niet heilig meer. Toen de tempel niet langer zijn doel vervulde, ging God daar gewoon weg. En telkens weer liet Hij toe dat de heidenen kwamen om hem te vernielen. Het doel is de aanwezigheid van de Heere.

Dit klinkt misschien heel elementair en eenvoudig, maar wij zijn dan ook weer bij “de beginne”. Johannes begint met te zeggen: “In de beginne … God”. God is er niet alleen in het begin, maar tot het einde toe. God is alleen waar Zijn Zoon is. Maar waar Zijn Zoon dan ook is, is God ook. Wij moeten heel erg uitkijken dat we geen valse grond hebben voor de aanwezigheid van God. Het is niet hier of daar, op deze berg of in Jeruzalem, het is daar waar Zijn Zoon is. En we zullen alle andere dingen aan de kant moeten schuiven en zeggen: “Als de Heere met jullie is, dan ben ik ook met jullie”. In dit verband zijn er twee dingen die van het allergrootste belang zijn.

Het christendom dat wij nu kennen, is niet het christendom van het begin. Het is in grote trekken iets totaal anders. We zouden daar heel veel over kunnen zeggen en dat zou allemaal negatief zijn. We willen ons bij het positieve houden.

Het eerste punt met betrekking tot de aanwezigheid van God is dat God altijd begint Zijn Zoon te laten zien. Op de een of andere wijze is een openbaring van de Zoon van God altijd de basis waarop God begint. In het Oude Testament is dat in type of figuurlijk, maar of de mensen het nu opmerkten en begrepen of niet, het was er. Als u de scheppingswerken van God in het boek Genesis zou begrijpen, dan zou u Christus zien. In elk detail zou u iets van Christus uitgedrukt zien. Maar daarvoor is het nodig dat onze geestelijke ogen geopend worden. Er staat van Gods Zoon geschreven dat alle dingen door Hem geschapen zijn.

Als iemand iets schept, bijvoorbeeld hij schildert een schilderij, of als beeldhouwer maakt hij een beeld of iets anders, en als hij echt een kunstenaar is, een vakman, en niet iemand die gewoon iets maakt omdat hij iets te doen moet hebben, dan legt hij zichzelf in zijn werk. Als dan de mensen later zijn werk bekijken, zeggen ze: “Wat een fantastische man was dat, 20 wat een kunstenaar!” Ze zien in het kunstwerk een uitdrukking van de kunstenaar zelf, ze zien zijn hart. Het hele kunstwerk is een uitdrukking van de schepper daarvan. Als de Zoon van God werkelijk alles gemaakt heeft, heeft Hij dat niet zomaar op een objectieve manier gedaan. Hij heeft Zichzelf daarin uitgedrukt. En als u geestelijk inzicht hebt, ziet u meer dan de uiterlijke schepping. U ziet in alles degene die het geschapen heeft. God laat Zijn Zoon daarin zien. Het is een openbaring van de Zoon van God. Dat is waar God begon. Dat is “de beginne”.

De tabernakel was geen idee van de mens. Hij kwam niet voort uit het menselijk brein. Het was Gods gedachte. God zei tegen Mozes: “Want zie erop toe, zegt Hij, dat u alles maakt overeenkomstig het voorbeeld dat u op de berg getoond is” (Hebr. 8:5). God heeft maar één doel voor ogen en Hij werkt in alles met het oog op dat doel. Dat doel is Gods Zoon. Deze tabernakel was tot in alle details een uitdrukking van de Zoon van God, in type. Dit was een ander begin van God: het ontstaan van de natie Israël, een volk op deze aarde.

Ik wil graag nog eens beklemtonen dat bij God alles begint met een openbaring van Zijn Zoon. Als wij daarvan afwijken, brengt God ons daarnaar terug. Dat geldt ook voor onze verlossing. Er is geen echt begin van het christelijk leven zonder dat men Jezus Christus ziet als de Zoon van God. En dat geldt voor alle groei in het christelijk leven. God laat onze geestelijke groei gelijk op gaan met de openbaring van Jezus Christus. Dat geldt voor al het werk van God. Alle werk dat werkelijk van God is, kan alleen gedaan worden als we de Heere Jezus zien. Jezus zelf leefde naar dat principe. Hij zei: “De Zoon kan niets van Zichzelf doen, als Hij dat niet de Vader ziet doen, want al wat Deze doet, dat doet ook de Zoon op dezelfde wijze” en “De woorden die Ik tot u spreek, spreek Ik niet uit Mijzelf, maar de Vader, Die in Mij blijft, Die doet de werken” (Joh. 5:19; 14:10). Jezus was in Zijn leven in alles op de Vader gericht. Hij sprak geen woord, deed geen werk of de Vader moest het Hem zeggen. Wat zo was bij de Heere Jezus moet ook bij ons zo zijn. Wij kunnen dit leven van een christen alleen leven als we de Heere Jezus zien.

We willen nu even teruggaan naar de tabernakel en die als illustratie gebruiken. Het belangrijkste punt is dat het geen ding was. Hij had een goddelijke betekenis, maar die was bedekt. Als niet-Israëlieten naar die tabernakel kwamen kijken, zouden ze waarschijnlijk gezegd hebben: “Dat is een vreemd geval, wat is dat voor een ding?” Maar de waarheid was er binnen in. De waarheid was een geheimenis, en er was een geopend hartenoog nodig om de waarheid daarin te zien.

Johannes zei vele jaren na Jezus’ aardse leven: “En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid”. Met andere woorden: “We hebben Hem van binnen gezien. Wij hebben de goddelijke betekenis in Hem gezien”.

Toen Jezus hier op deze aarde was, was Hij zelf de tabernakel van God. Hij was de woonplaats van God in deze wereld. Maar wat zagen de mensen? Jesaja zei: “ … Gestalte of glorie had Hij niet; als wij Hem aanzagen, was er geen gedaante dat wij Hem begeerd zouden hebben. Hij was veracht, de onwaardigste onder de mensen …” (Jes. 53:2,3). Precies hetzelfde zou de vreemdeling over de tabernakel gezegd hebben: “Daar zie ik niets moois aan. Hij is helemaal bedekt met die kleden van huiden. Absoluut niet mooi”. Ze zouden het veracht hebben. Maar Johannes zei: “Wij hebben Zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader” (Joh. 1:14). Johannes had een innerlijke openbaring van Jezus Christus.

Johannes was natuurlijk niet de enige. Voor de apostel Paulus steunde alles op deze waarheid. Heel zijn leven en bediening was het resultaat van wat hij zei in Galaten 1 vers 15 en 16: “Maar toen het God … behaagde Zijn Zoon in mij te openbaren …”. Het is een openbaring van Jezus Christus aan het hart en dat is altijd Gods begin, zowel voor het leven als voor de dienst en voor de gemeente. Wij zouden nooit iets moeten doen in het werk van God, tenzij we daar een opdracht van de Heer voor ontvangen hebben.

Daarom zijn comités vaak zo gevaarlijk. We brengen een aantal mensen bij elkaar. Waarom doen we dat? Omdat we denken dat ze intelligent zijn. Misschien hebben ze wel veel succes in zaken gehad, of misschien zijn ze invloedrijk in de wereld. En we brengen ze bij elkaar om het werk van de Heer te bespreken. We moeten dan ook niet verbaasd zijn als het werk voor de Heere zo traag gaat. In het Nieuwe Testament was de bidstond de plaats waar al het werk zijn oorsprong vond. Ik hoop daar later nog op terug te komen.

Maar we gaan nu weer terug naar het begin. Niets in het werk van God begint bij de mens. Toen de tabernakel gebouwd zou worden, kwam eerst het ontwerp uit de hemel. Dat was een openbaring van Jezus Christus. Maar zelfs daarna heeft de Heere niet gezegd: “We leggen dit ontwerp in de handen van het volk en laat ze maar met de uitvoering beginnen”. Er staat dat de Geest van God twee mensen vervulde en daardoor kwam al het werk tot stand. Ze werden door de Geest van God gezalfd “voor allerlei werk”, staat er. Of het nu dit werk was of dat, of nog een ander soort werk voor de tabernakel, het ontstond allemaal door de Geest van God. Jezus zelf begon Zijn grote werk niet eerder dan dat Hij gezalfd was door de Heilige Geest. Er staat: “God heeft Hem met de Heilige Geest gezalfd”. En als Jezus, die uit de Geest geboren was en een goed, volmaakt leven heeft geleid tot Zijn dertigste, de zalving voor het werk van God nodig had, dan wij zeker.

Er is verschil tussen geboren worden uit de Geest en gezalfd worden met de Geest. Geboren worden uit de Geest betekent dat je nieuw leven ontvangt, dat je een kind van God wordt, dat je het Koninkrijk binnengaat. Maar de zalving heeft met de dienst, met het werk van God te maken. Die twee mannen Bezaleël en Oholiab waren gezalfd. Er staat in Exodus 31:3: “… vervuld met de Geest van God, met wijsheid, inzicht, kennis en allerlei vakmanschap”.

Deze tabernakel in de woestijn was toen hij klaar was het werk van de Heilige Geest en vond zijn vervulling in de Heere Jezus, de ware tabernakel en elk detail van Hem is het werk van de Heilige Geest. En zoals de Heere tegen Mozes zei: “Zie toe, dat gij alles maakt naar het voorbeeld, dat u getoond werd op de berg”, zegt Hij nu met betrekking tot Zijn werk: “Zie toe dat gij alles maakt naar Mijn Zoon”. Elk detail moet naar Christus zijn.

U ziet dat God nooit iets overgelaten heeft aan het inzicht van de mens. Er was allerlei materiaal voor de tabernakel nodig. Goud voor de gouden voorwerpen, zilver voor de zilveren, verschillende kleuren en verschillende stoffen. Niemand heeft ooit gezegd: “Als je wat materiaal hebt, breng het dan maar en we gebruiken het wel ergens voor”. Geen vrouw kwam aanlopen en zei: “Ik had nog een heel goede lap stof liggen, gebruik dat maar voor de gordijnen”. Bezaleël en Oholiab zouden gezegd hebben: “Maar dat is niet de juiste kleur” en: “Dat is zilver en hiervoor heb ik goud nodig”. Niemand kon langs komen en zeggen: “Ik heb nog iets liggen voor dit werk en ik ben bereid het te geven. Neem het en gebruik het maar”.

De Geest van God zei: “Is dit van Christus? Is dit een uitdrukking van Christus? Het gaat er niet om wat u denkt over dit werk van God, niet uw ideeën en meningen, niet hoe je iets in de wereld doet. Maar het gaat erom of het van de hemel komt door de Geest van God. Hebt u op God gewacht om het van Hem te ontvangen? Zo is het in het begin altijd geweest. Zo was het ook in het begin van de Handelingen der apostelen.

Alles wat niet van Christus is moet verdwijnen, gaat wankelen. Vergis je niet. Dit hele systeem van christendom zal beoordeeld worden naar de maatstaf van Christus. Het christendom wordt getoetst in hoeverre het het werk van de Heilige Geest is, overeenkomstig Christus. De Heere zegt: “Nog eenmaal zal Ik niet alleen de aarde, maar ook de hemel doen beven”. De wankele dingen verdwijnen. Dat wat niet wankel is blijft (Hebr. 12:25-27). En wat blijft voor eeuwig? Niet de tabernakel, maar Jezus Christus. Alles wat van Christus is, en alleen dat, zal blijven.

Wordt D.V. vervolgd.

* De teksten zijn geciteerd uit de Herziene Staten Vertaling, tenzij anders aangegeven.

Publicatie met toestemming van: Stichting “De Gouden Kandelaar” te Twello.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol