7 jaar geleden

Opdat zij één zijn (3)

Eenheid

Deel 1

Hoofdstuk III

Lezen: Johannes 4 vers 19-23; Exodus 25 vers 8; Johannes 1 vers 14.

We willen proberen achter alles wat het christendom nu geworden is, het wezen, het fundamentele principe daarvan te vinden. Ik denk dat we allemaal wel zien dat het christendom een systeem is geworden, door de mens opgebouwd. Al gauw nadat de apostelen gestorven waren, begonnen de mensen hun hand te leggen op het christendom. Ze maakten van de bijbelse waarheden een vast systeem van leerstellingen. Ze maakten van zijn getuigenissen een vorm van ritueel. Altijd weer legt de mens zijn hand op de dingen. Van de dag af dat Adam zijn hand naar de boom der kennis van goed en kwaad uitstrekte, heeft de mens altijd zijn hand willen leggen op de dingen van God. Of, met andere woorden, hij wilde de dingen van God zelf onder controle krijgen. Wij gebruiken onze handen om iets onder controle te krijgen.

Maar met betrekking tot de dingen van God is dat een verkeerd gebruik van onze handen. De mens heeft dat altijd gedaan. De Filistijnen legden hun hand op de ark met rampzalige gevolgen voor henzelf. Uzza, in de dagen van David, greep met zijn hand naar de ark, en de Here sloeg Uzza zodat hij stierf. En een tijdlang was er verwarring in Israël. De ark van het getuigenis moest aan de kant worden gezet. De hele onderneming om Gods doel te realiseren was een halt toegeroepen. En zelfs David was boos op de Here. Alles was er het gevolg van dat de mens zijn hand legde op de dingen van God. Zo is het altijd geweest. En zo is het ook in het christendom.

Het christendom begon op een heel mooie, eenvoudige en levende manier. Alles ging in het leven en de vrijheid van de Geest. En zolang de Heilige Geest Zijn hand op de dingen had ging alles goed. Toen kwamen de mensen en zij trokken het christendom naar zich toe en het resultaat daarvan zien we vandaag. Nergens is zoveel verwarring als in het christendom. Het getuigenis van de Heer is tot stilstand gekomen. Het is beperkt omdat het in mensenhanden is. De mens heeft het onder zijn beheer. Dat is altijd een gevaarlijke en rampzalige zaak. Gods houding is: “Ik houd Mijn handen er van af totdat jullie je handen er van aftrekken. Zolang jullie de hand hebben in Mijn dingen, laat ik ze aan jullie over”. En alles gaat dus van kwaad tot erger. Ik denk dat we dit allemaal wel inzien. Hoe meer een mens zijn hand legt op de dingen van God, hoe meer verwarring er is. Als de mens de dingen van God onder zijn controle neemt en ze domineert, betekent dat problemen. Daarom moest de Here de mens zo vaak zwak maken zodat hij zijn eigen zwakheid zag. De apostel Paulus was van nature een sterke man. En als Saulus van Tarsus legde hij zijn hand op de dingen van God. Toen kwam de Here hem tegen en sloeg hem. En aan het eind van zijn leven zei hij: “Daarom zal ik veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij komt wonen” (2 Kor. 12:9).

Ik wil graag dat u deze dingen ter harte neemt, want wat ik hier gezegd heb, is iets buitengewoon belangrijks. Broeders en zusters, kijk uit hoe je je handen legt op de goddelijke dingen. Kijk uit hoe je probeert de dingen van de Geest onder je controle te krijgen. Misschien slaat de Here je als je dat doet. Als je dat doet, breng je alleen maar verwarring in de gemeente. Al deze ontzettende verwarring binnen het christelijke systeem komt alleen doordat de mens zijn hand op de dingen van God gelegd heeft. Dit brengt deze dingen binnen het bereik van zijn eigen verstand en hij zegt: “Zo moet het gebeuren. Dit is wat we moeten doen en dat is wat we niet moeten doen”.

Petrus begon daar ook mee toen de Here hem liet zien dat hij naar het huis van Cornelius moest gaan, een heiden. Petrus was altijd van mening geweest dat de Joden niets van doen hadden met de heidenen. Toen de Geest tegen Petrus zei dat hij naar het huis van een heiden moest gaan, zei hij: “Beslist niet, Heere” (zie Hand. 10:14). Hij stak zijn hand uit en zei: “Here, U hebt het mis en ik heb gelijk. U moet in overeenstemming met mijn oudtestamentisch inzicht handelen”. Dat was een kritieke dag voor Petrus, maar ook een heel kritieke dag voor de gemeente. Toen Petrus zijn handen terugtrok, werd het een wonderbare dag voor de gemeente.

We moeten dus van het christendom als systeem zoals we het kennen, teruggaan naar het eerste eenvoudige geestelijke principe van Jezus Christus. Dit gedeelte in Johannes 4 vers 23 brengt ons weer terug naar het begin. Het is het begin van een nieuwe bedeling. Jezus zei tegen de vrouw: “… de ure komt en is nu ..” (SV). Daarna verwierp Hij het hele systeem dat tot die tijd bestond, het hele systeem van het Judaïsme volgens het Oude Testament. In één zin had Hij afgedaan met de hele bedeling. En Hij introduceerde een totaal nieuwe orde.

Wat bedoelde Hij? Toen Hij zei dat de ure komt en nu is, bedoelde Hij niet letterlijk een uur van zestig minuten. Hij bedoelde dat het het eerste uur was van de nieuwe dag. Met dit uur is er een totaal nieuwe dag aangebroken. Wat is die nieuwe dag? Als je Jezus gevraagd had dat in een kort antwoord aan te geven, zou Hij gezegd hebben: “Ik ben hier”. Het uur is niet alleen een kwestie van tijd, maar van een Persoon. De nieuwe bedeling is de bedeling van Jezus Christus. Christus is de nieuwe bedeling. “Ik ben hier”, zei Hij eigenlijk. Lees het evangelie van Johannes maar door. In alles is Hij het middelpunt. “Ik ben de weg, Ik ben de waarheid, Ik ben het leven; Ik ben de goede herder; Ik ben de wijnstok, Ik ben de opstanding”. Het is een Persoon. Het is datgene wat achter alle dingen ligt. Het christendom is Christus en Christus is het christendom. Daar begint alles en het wijkt nooit van Hem af. De ontwikkeling van het christelijk leven is alleen de ontwikkeling van Jezus Christus in ons leven.

In Johannes 4 is het punt waar het om gaat het huis van God. De vrouw zei: “Onze vaderen hebben op deze berg aangebeden” (vs. 20). Ze bedoelde de berg Gerizim waar de Samaritanen aanbaden. “Onze vaderen zeiden: dit is de plaats waar je God kan vinden, maar jullie, Joden, hebben gezegd: het is de tempel in Jeruzalem”. Alle Joden zeiden: “Als je God wilt vinden, moet je naar de tempel in Jeruzalem gaan”. Dat was hun idee van het huis van God. Dit onderwerp brengt Jezus nu in het licht van de nieuwe bedeling. Hij zegt: “De ure komt, dat gij noch op deze berg, noch te Jeruzalem de Vader zult aanbidden” (vs. 21 – SV).

Nu willen we iets zeggen over de tekst die we aan het begin genoemd hebben, Exodus 25 vers 8, waar staat: “En zij moeten voor Mij een heiligdom maken, zodat Ik in hun midden kan wonen”. Dit vers geeft de grote waarheid van de hele bijbel weer. Hier begint en eindigt de bijbel mee. In het begin woont God bij de mensen. De Here God kwam in de hof. Daaraan zien we dat het Gods grootste verlangen is om bij de mensen te zijn. Met dat doel heeft Hij de mens geschapen, dat Hij in hun midden zou wonen. Hij wilde niet een God van verre zijn die je niet kent, maar de God die neerdaalt om bij de mensen te wonen. Dat was iets dat altijd in het hart van God geweest is. De hele geschiedenis door is het altijd Gods verlangen geweest om bij de mensen te zijn.

De bijbel laat ons zien hoe heerlijk het is om in Gods tegenwoordigheid te zijn. Wat is het gezegend als de Here zelf aanwezig is! En het verschrikkelijkste wat de bijbel laat zien is als de Here Zich van de mensen terugtrekt. Ik neem aan dat wij daar allen iets van weten. Ik bedoel dat het in onze ervaring het moeilijkste is als we niet de aanwezigheid van de Here merken. Als wij dan een dag hebben dat het lijkt of de Here ver weg is, is dat een heel, heel moeilijke dag. Maar als we een dag hebben dat we de aanwezigheid van de Heer wel bemerken, is dat de beste dag van ons leven. U weet wel wat Mozes heeft gezegd: “Als Uw aangezicht niet meegaat, laat ons dan van hier niet verder trekken” (Ex. 33:15). Het was voor hem ondenkbaar om zonder God verder te gaan. De Here zegt: “Moet Mijn aangezicht meegaan om u gerust te stellen?”1 En zo konden ze verder gaan.

Ja, de aanwezigheid van de Here is altijd het belangrijkste. Laat dat tot je doordringen want ik wil hier verder op ingaan. Toen de Here tegen Mozes zei: “En zij moeten voor Mij een heiligdom maken, zodat Ik in hun midden kan wonen” (Ex. 25:8), verwees Hij uiteraard naar de tabernakel. En toen gaf God hun het model van alle details van de tabernakel. Toen alles volgens dat model gemaakt was, daalde God neer en vervulde de tabernakel. Zo kwam Hij wonen temidden van het volk.

Nu komen we bij Johannes 1 vers 14. Een idee voor een kleine bijbelstudie: kijk hoeveel verwijzingen naar het Oude Testament er in het Johannes-evangelie staan. Johannes was een Jood en hij kende het Oude Testament heel goed. Telkens als hij schreef, haalde hij iets uit het Oude Testament aan. Dat is een heel vruchtbare bijbelstudie. Hij begint zijn evangelie met: “In het begin was het Woord” en “En het Woord is vlees geworden” (Joh. 1:1,14). Let op het woord dat hij gebruikt. “Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons getabernakeld”. Dat is het oorspronkelijke woord. Hij heeft Zijn tabernakel onder ons opgericht. In zijn gedachten bracht Johannes Jezus in verband met de tabernakel in de woestijn. En hij zegt dat zoals God onder de mensen kwam wonen in de tabernakel in de woestijn, zo is God komen “tabernakelen” onder de mensen in Zijn Zoon Jezus Christus. Wat is de tabernakel van God in deze bedeling? Het is Zijn Zoon. Wat is het huis van God? Het is Jezus Christus. Wat is de gemeente? Ik vraag me af wat u op papier zou zetten als ik u die vraag stelde. Ik weet zeker dat iemand me een prachtig systeem van gemeente-waarheden zou opschrijven, een prachtig systeem van gemeenteordening. Het antwoord is simpel. De gemeente is Jezus Christus, niets minder dan dat, niets meer dan dat. Als Christus woont in een aantal personen, vormt Hij de gemeente. Christus in ons vormt de gemeente, niet in de eerste plaats onze leer, niet in de eerste plaats onze praktijk, niet onze manier van samenkomen, maar allereerst de aanwezigheid van de Heer. De aanwezigheid van de Heer in hen die samenkomen, dat maakt de gemeente.

Maar let op dat ik begonnen ben met de gemeente. En ik denk aan de universele gemeente, wereldwijd. Er is geen geografie in de gemeente. Begrijpt u dat? Het is niet op deze berg of in Jeruzalem. Er is geen geografie in de gemeente. Er is geen tijd in de gemeente. De Here gaat nooit slapen. Duisternis en licht zijn beide voor Hem gelijk. Er is geen dag of nacht in de hemel. God kent geen tijd. Daar ben ik heel blij mee.

Maar we keren terug naar dat punt: Christus is dezelfde op alle tijden en op alle plaatsen. Daarom is de gemeente dezelfde. De gemeente is niet Amerikaans, Engels, Chinees, Nederlands enz. De Here let daar niet op. Het enige waar het Hem om gaat is dat Hij een plaats heeft in de harten en het doet er niet toe waar dat in de wereld is of wat voor tijd het is. De gemeente ontleent haar karakter aan Christus. Christus uitgedrukt in Zijn lichaam is de gemeente. U moet aantonen dat Christus niet in mij woont om te kunnen beweren dat ik niet in de gemeente ben. En u heeft niet het recht tegen iemand te zeggen in wie Christus woont, dat hij niet bij de gemeente hoort. Begrijpt u dat? Bent u het daarmee eens? Achter het christendom is Christus en dat is de kern. Daar moeten we naar terug.

Na iets over de universele gemeente gezegd te hebben, willen we nu iets over de plaatselijke gemeenten zeggen. Wat is een plaatselijke gemeente? We moeten hier opnieuw over nadenken en onze gedachten hierover bijstellen. De meesten denken dat de apostelen het idee hadden dat ze de wereld moesten intrekken om gemeenten te stichten. Dat is wat Paulus deed volgens hen – overal in de wereld gemeenten stichten. Want God wil in elke plaats een gemeente hebben. Gelooft u dat? Dan hebt u het helemaal mis. Denk er eens ernstig over na. Dit gaat namelijk ons hele denken op de kop zetten. Wat geloofden Paulus en de apostelen dat hun werk was? Beslist niet om overal gemeenten te stichten. Ze geloofden dat het hun taak was om Christus in iedere plaats te brengen. Kunt u mij zeggen waar u in het Nieuwe Testament leest dat een apostel ergens naartoe gaat en zegt: “We zijn hier gekomen om een gemeente te stichten. De Here heeft ons naar deze plaats gestuurd om een gemeente te stichten”. Dat staat nergens. Er zijn nog veel meer dingen waarvan wij denken dat ze er staan, maar die er niet staan. In het Evangelie lezen we: “En Jezus zond zijn discipelen twee aan twee uit naar alle steden en plaatsen, waar Hij zelf komen zou”. Dat principe heeft Hij nooit veranderd. Hij zendt ons niet uit om gemeenten te stichten of het christendom te vestigen. Hij zendt ons voor Zich uit om Hemzelf daar te brengen. Dat betekent niet dat gemeenten niet van belang zijn. Maar dit brengt ons bij ons onderwerp. Wat zijn gemeenten? Het zijn alleen maar mensen die in Christus bij elkaar komen waar Hijzelf is. Het punt waar alles om draait is deze eeuwige gedachte van God, de aanwezigheid van de Here. De aanwezigheid van de Here, dat is het doel van alles wat gemeente heet. En dat is het enige doel.

U weet wel dat er in het Oude Testament een tabernakel of een tempel was. En als de Here Zich terugtrok, was die plaats niet langer heilig. Het deed er voor God helemaal niets toe of de tempel er was of niet. Dat was maar een leeg omhulsel. De Heer is er niet langer in geïnteresseerd. Dat is wat de Here Jezus bedoelde toen Hij zei in de tempel in Jeruzalem: “Zie, uw huis wordt als een woestenij voor u achtergelaten … hier zal niet één steen op de andere steen gelaten worden die niet afgebroken zal worden” (zie Matth. 23:38; 24:2). Zo heilig is dit gebouw voor Hem als Hij er niet meer aanwezig is. Het verschilt niet van alle andere gebouwen. Dat is wat de Here bedoelde toen Hij aan de gemeenten in Asia schreef: “Ik weet uw werken en inspanning. Ik weet alles van uw leerstellingen en alles van uw samenkomsten. Maar bekeert u en doe weer uw eerste werken, anders kom Ik tot u en zal Ik uw kandelaar van zijn plaats wegnemen” (zie Openb. 2:2,5). Het heeft allemaal geen betekenis of doel meer als het belangrijkste er niet meer is.

Wat is het belangrijkste? Het is niet het onderricht en de leer. Het zijn niet bepaalde christelijke praktijken. Het zijn ook niet uw samenkomsten. Het is de aanwezigheid van de Here. Het eerste wat iemand zei die van buiten af in de gemeente kwam, was: “God is met u”. Er staat dat zo iemand zich ter aarde wierp en beleed dat God inderdaad in hun midden was. Ga terug naar het Oude Testament, toen de Here de tabernakel en de tempel met Zijn heerlijkheid vervulde. Er staat dat zelfs de priesters niet konden blijven staan in de tegenwoordigheid van de Here. Ze waren maar mensen, zondige mensen. En als mensen hadden ze geen plaats in de tegenwoordigheid van de Here.

Wat heeft men toch van het christendom gemaakt? De mens neemt daar de centrale plaats in. Soms kom ik in een bepaalde plaats en word ik voorgesteld aan de gemeente. Degene die me introduceert zegt: “Meneer Austin-Sparks, de grote bijbelleraar uit Europa”. En nog veel meer. Mijn hart zinkt me in de schoenen. Ik voel me ziek. Ik moet gaan staan en zeggen: “Schenk geen aandacht aan zijn woorden. Ik ben niets. De Here is alles”. De mens heeft geen plaats in het huis van God. Wij komen in Gods huis in onze eigen gewichtigheid, in onze eigen kracht en leggen onze handen, onze gedachten, onze wil op de dingen van God. We veranderen de hele aard van het huis van God. De Here wordt daar beperkt. Hij kan Zijn gang daar niet gaan. Deze Jezus, die zelf de aanwezigheid van God was, zei: “Ik ben zachtmoedig en nederig van hart”. Dat is het fundament.

De dag komt dat de hemel alles doet wankelen hier. Het enige wat er overblijft is dat wat van de Here is in de harten van de mensen. Dit wankelen en schudden is nu al aan de gang. De bijbel heeft het voorzegd. Het christendom zal ontzettend geschud worden. En alleen dat waar de Here aanwezig is, blijft. Misschien wordt de samenkomst onmogelijk gemaakt of wordt de gemeenschap der heiligen uiterst moeilijk. Misschien wordt de prediking van het Woord verboden. Misschien verdwijnt al het uiterlijke doen en laten van de gemeente. En dan is het enige: hebben wij de Here? Kennen we Hem? Is de Here met ons? Je zult het zien, dit is wat de Here zal doen. Hij doet dat heel vaak met individuele christenen. Als ons christelijk leven op uiterlijke dingen berust, scheidt de Here ons van die dingen. En dan is de grote vraag hoeveel ik van de Here heb. Dat is waar het uiteindelijk om gaat, omdat het punt één is. Onthoud dat de toets voor elke gemeente de aanwezigheid van de Heer is. Niet of het hier is of daar, of het zus gedaan wordt of zo. Maar alleen: hoeveel van de Here vinden we daar. Hoeveel mensen vinden de Here daar. En als er meer van de Here is in ons midden, betekent dat dat er heel weinig van de mensen is.

Wordt D.V. vervolgd

NOTEN:
1. Andere vertalingen hebben: “Mijn aangezicht zal meegaan, en Ik zal u rust geven”.
* De teksten zijn geciteerd uit de Herziene Staten Vertaling, tenzij anders aangegeven.

Publicatie met toestemming van: Stichting “De Gouden Kandelaar” te Twello.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol