6 jaar geleden

Opdat zij één zijn (1)

Eenheid

Deel 1

Hoofdstuk I

“… opdat zij allen één zullen zijn, zoals U, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons één zullen zijn” (Joh. 17:21).

In dit hoofdstuk vinden we het gebed van de Here Jezus vlak voordat Hij aan het kruis ging. In dat gebed staan deze woorden, waarvan ik vooral de belangrijke woorden aan het eind wil onderstrepen: “… één zullen zijn”. Dan gaan we naar Mattheüs 27:46. “Ongeveer op het negende uur * riep Jezus met een luide stem: Eli, Eli, lama sabachtani? Dat betekent: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?” Dit zijn praktisch de laatste woorden van onze Heer aan het kruis. Alles wat Hem nog restte was Zijn Geest bevelen aan Zijn Vader. Dit is de laatste fase van de dood van Jezus Christus en het markeert een zeer grote verandering in Zijn geestelijke leven en ervaring. Jezus had heel Zijn leven in de Vader geleefd. Hij had tegen Zijn discipelen gezegd: “Gelooft gij niet dat Ik in de Vader ben?” Zijn hele leven had Hij in alle opzichten in de Vader geleefd. We hebben er veel voorbeelden van dat Hij weigerde iets te doen buiten de Vader om.

In het stadje Kana in Galilea deed Hij Zijn eerste wonder: water veranderen in wijn op een bruiloftsfeest (zie Joh. 2:1-12). Op de een of andere manier was de hele voorraad wijn op. Dit was een ernstige situatie. De moeder van Jezus zat naast Hem aan tafel en ze keerde zich naar Hem toe en zei: “Ze hebben geen wijn”. Zij geloofde uiteraard dat Hij er iets aan kon doen en daarom legde ze het Hem voor. Ze zei in feite: “Jij zult er iets aan moeten doen. Dit hele bruiloftsfeest wordt een fiasco. Iedereen komt in moeilijkheden”. Hij moest er echt wat aan gaan doen.

U weet wat de Here Jezus zei. Hij draaide Zich om naar Zijn moeder en zei: “Vrouw, wat heb Ik met u te doen? Mijn uur is nog niet gekomen”. Twee dingen vallen hier op: een schijnbare noodzaak is niet de basis waarop Jezus werkt. Alleen omdat iets nodig lijkt, doet Hij niet iets. Hij wacht ergens op. Hij zegt: “Mijn uur is nog niet gekomen. Ik kan dit nu niet doen. Ik begrijp hoe ernstig de situatie is, maar Ik kan het nu niet doen, al heb Ik ook alle sympathie voor deze mensen”.

Waarom kon Hij op dat moment niets doen? Hij bleef in de Vader. Hij leefde niet in de omstandigheden. In Zijn Geest zei Hij: “Vader, wilt U dat Ik dit doe? Deze mensen hebben een probleem. Mijn lieve moeder zegt dat Ik er iets aan moet doen. Maar Vader, Ik kan niets doen tenzij U Mij dat zegt”. Hij leefde in de Vader. En toen Hij op de Vader wachtte, scheen Hij Hem te horen zeggen: “Ja, het is goed. Doe het maar”. Toen zei Hij: “Vul de watervaten met water”. Dit is het eerste voorbeeld van hoe Jezus in de Vader leefde.

Bij een andere gelegenheid was er feest in Jeruzalem. Jezus en Zijn discipelen waren op dat moment niet in Jeruzalem. Zijn broers naar het vlees waren bij Hem. Je weet dat er staat dat zij niet in Hem geloofden. Ze zeiden tegen Hem: “Ga met ons mee naar het feest. Iedereen gaat; dat is de gewoonte. Als je niet gaat, zullen de mensen je niet begrijpen, ze zullen kritiek hebben. Je verliest je invloed. Als je populair wilt zijn, kunt je maar beter doen wat iedereen doet. Wij gaan naar het feest. Ga toch mee”.

Wat deed Jezus? Deed Hij wat Hem populair maakte? Deed Hij het omdat iedereen het deed? Deed Hij het omdat het gebruikelijk was om te gaan? Nee, Hij keerde Zich naar Zijn broers naar het vlees en Hij zei: “Gaat u naar dit feest; Ik ga nog niet naar dit feest”. Toen gingen Zijn broers. En nadat zij vertrokken waren, ging Jezus ook naar het feest.

Wat een vreemde manier van doen! Wilde Hij niet in het gezelschap van Zijn broers zijn en vertelde Hij daarom een leugentje? “Ik ga niet op, gaan jullie maar op”. Waarom zei Hij dat? Hij bleef in de Vader. Hij wachtte op het woord van de Vader. Hij deed nooit iets omdat het populair was. Hij zou het nooit doen omdat alle religieuze mensen het deden. Hij deed het niet omdat het de gewoonte was, of om in de gunst te komen bij de mensen. Het enige dat Zijn leven bepaalde was: “Wil de Vader dat Ik dit doe?” Dus nadat Zijn broers vertrokken waren, zei Hij: “Vader, wilt U dat Ik ga?” En klaarblijkelijk zei de Vader: “Ja, ga naar Jeruzalem”. Toen ging Hij, niet eerder!

Op een keer sprak Jezus met Zijn discipelen over Zijn naderende dood in Jeruzalem. Maar Petrus nam Hem terzijde en begon Hem te bestraffen en zei: “Dit zal beslist niet met U gebeuren!” De Here Jezus keerde Zich om en zei tegen Petrus: “Ga weg achter Mij, satan! U bent een struikelblok voor Mij, want u bedenkt niet de dingen van God, maar die van de mensen” (Mat. 16:22,23). “Als Mijn Vader zegt dat Ik naar Jeruzalem moet gaan om daar gekruisigd te worden, dan is dat het laatste woord. Ik zal nooit iets doen om Mijzelf te redden”.

Later zei Jezus tegen Zijn discipelen: “Laten we naar Judea gaan”. Nu was het in Judea dat ze Hem zouden arresteren en kruisigen. Thomas zei: “Nee, laten we niet naar Judea gaan, Here, want de vorige keer dat we daar waren, wilden ze U stenigen. Wilt U daar dan nu weer heen gaan?” Jezus zei: “Wat Mijn Vader zegt, moet Ik doen. Ik weet dat dat het kruis betekent, maar Ik moet in Mijn Vader blijven”.

De satan probeerde voortdurend Jezus van Zijn Vader te scheiden, en Hem te laten handelen zonder Zijn Vader. Die drie verzoekingen in de woestijn waren een poging om tussen Jezus en Zijn Vader te komen. Heel Zijn leven door heeft de satan geprobeerd Jezus van Zijn Vader te scheiden. Toen Hij aan het kruis hing, in dat ontzaglijke lijden, kwam satan via enkele slechte mensen en zei: “Kom van het kruis af en we zullen U geloven”. Jezus had eraf kunnen komen. Hij had kort daarvoor nog gezegd dat als Hij Zijn Vader zou vragen, deze Hem twaalf legioen engelen zou sturen.

Weet u nog wel wat één engel doen kon? Eén engel in het Oude Testament doodde een heel leger. Als één engel dat kon, wat kunnen twaalf legioenen dan wel niet. Jezus hoefde er alleen maar om te vragen, en ze zouden Hem van het kruis afgenomen hebben. Maar nee, Hij liet de engelen blijven waar ze waren. Hij had gezegd: “De drinkbeker die de Vader Mij gegeven heeft, zal Ik die niet drinken?” (Joh. 18:11). Tot het laatst toe probeerde de satan tussen Hem en Zijn Vader te komen, maar Jezus wist hoe belangrijk het was om in God te blijven.

En nu, hier aan het eind, is de situatie gewijzigd. “Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?” Jezus is zonder God, gescheiden van God. Er is een grote afstand tussen Hem en God. Dit was nooit eerder gebeurd. Geen enkel moment in Zijn hele leven had Hij zo’n ervaring gehad. God is nu ver weg. Er is een grote kloof tussen de Vader en de Zoon. Jezus is niet alleen gescheiden van de Vader, Hij ervaart ook de vreselijke verlatenheid die dit met zich meebrengt. Er is niets zo vreselijk als door God verlaten te zijn. Er is niet alleen verwijdering en verlatenheid, maar ook duisternis.

Dat woord “waarom” betekent: “Ik begrijp het niet. Ik ben in volslagen duisternis. Waarom hebt U Mij verlaten?” Verder was Hij absoluut zwak. De apostel Paulus zegt: “Hij is gekruisigd uit zwakheid”. Het was geestelijke zwakheid zowel als lichamelijke. Toen ze Hem bespotten en zeiden: “Anderen heeft Hij gered. Zichzelf kan Hij niet redden”, lag daar veel waarheid in. Nee, Hij kon Zichzelf niet redden. Daar had Hij niet de kracht voor. Hij verkeerde in volslagen zwakheid, zonder enige kracht om Zichzelf te redden.

Misschien was het wel het ergste dat Gods toorn op Hem was. “God heeft geen behagen meer in Mij. God is boos. Ik onderga de toorn van God”. Kunt u zich voorstellen wat dat betekende voor Hem die Zijn hele leven in de Vader geleefd had? Waarom moest dit alles gebeuren?

In 1 Korinthe 15 wordt Jezus de laatste Adam genoemd. We moeten terug naar de eerste Adam om dit te kunnen begrijpen. Dit alles wat Jezus doormaakte aan het kruis was wat de eerste Adam over het menselijk geslacht gebracht had. Het begon in de hemel. satan kwam in opstand tegen God. Voor die tijd leefde hij in God. Toen hij in opstand kwam, werd hij buiten geworpen, buiten God, buiten zijn leven in God. Dat maakte dat er een grote afstand tussen God en satan kwam. satan werd de vorst der duisternis. Hij was onder de toorn van God.

Satan kwam nu bij Adam, die zijn leven in God had; hij “woonde” in God. Hij had alle dingen in God. En dan, door de verzoeking van satan, deed Adam (via Eva) hetzelfde als wat satan gedaan had. Hij was ongehoorzaam aan God. Hij kwam in opstand tegen God. En u weet wat er gebeurde, er kwam scheiding tussen hem en God. Hij leefde niet langer in God. De aarde werd om hem vervloekt. Allerlei slechte en verkeerde dingen begonnen op de aarde te groeien. Wat eens een prachtige hof was, was een woestenij geworden. Adam werd verdreven, de duisternis in.

Hierna begreep Adam God niet meer. Hij had geen kennis van God; en bovendien was hij uiterst zwak, onmogelijk in staat zichzelf te redden. Hij was onder de toorn van God, en als de vader van het menselijk geslacht, bracht hij het hele geslacht ook in die positie. Elk lid van Adams geslacht is van nature in die toestand. Geen enkel mens op aarde weet van nature wat het betekent in God te leven. Iedereen weet dat hij ver van God verwijderd is. En iedereen die zijn toestand werkelijk inziet, weet dat er geen uitkomst is.

De roep van het menselijk hart is: “O, als ik wist waar ik God kon vinden! Ik ben als het ware in de woestijn, in het duister. Ik heb geen verklaring voor al die problemen van het leven. Waarom? Waarom? Ik tast in het duister. En ik heb het gevoel dat God tegen mij is”. Dat is de toestand van de mensheid vanwege Adams zondeval. De mens en de wereld staan buiten God.

Nu komen we bij de wezenlijke betekenis van het kruis. Jezus, als de laatste Adam, neemt de plaats in van de eerste Adam. Hij neemt alle gevolgen van wat Adam gedaan heeft op Zich. Hij verliest de tegenwoordigheid van God. Hij gaat uit de plaats van het leven, uit het licht, in de duisternis. De plaats waar Adam was en waar wij zijn. Dit alles ligt besloten in dit woord: “Waarom hebt U Mij verlaten?” Het antwoord luidt: om de weg terug naar God weer te openen.

Lieve vrienden, wij moeten allemaal erkennen dat we ons van nature in deze positie bevinden. Van nature hebben we geen leven in God. Wij zijn van God gescheiden. We kunnen onmogelijk onszelf verlossen. We hebben geen vermogen om goddelijke dingen te verstaan en we zijn “kinderen des toorns”, maar de Here Jezus nam dat alles op Zich.

Nu gaan we van Mattheüs 27 naar hoofdstuk 28, de opstanding. Hoofdstuk 27 sluit die hele vreselijke geschiedenis af. In de opstanding is er een terugkeer in God. Alles in de opstanding van Jezus zegt: Hij is terug in de Vader. Hij is niet meer afgescheiden van Zijn Vader. Hij is terug in de boezem van de Vader. En als Hij in Zijn kruis jou en mij en het hele mensdom vertegenwoordigde, dan vertegenwoordigt Hij ieder van ons die gelooft, ook in de opstanding. Het is een nieuwe positie, maar wat ik wil benadrukken is dit ene woordje “in”. Hij heeft ons niet alleen nader tot God gebracht en ons met God op uiterlijke wijze verbonden, maar het geweldige is dat Hij ons in God gebracht heeft. Onze nieuwe positie is in God. Daarom hebben we dat gedeelte uit Johannes 17 gelezen: “Opdat zij één zijn, gelijk Gij, Vader in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn” {Staten Vertaling}.

Ziet u dat ons leven als Gods wedergeboren kinderen een leven in God is, niet alleen maar wandelen met God, maar leven in God. God is onze levensatmosfeer. Wij leven in alles wat van God is. Ik benadruk dit nog eens omdat er zoveel van afhangt. Toen u gedoopt werd, kwam u niet op de rand van het doopbad zitten, zo dicht mogelijk bij het water. Misschien om alleen je hand erin te steken. Nee, je ging in het water. Toen je gedoopt werd was het water overal om je heen. Een christenleven leiden is niet alleen maar dichtbij God komen leven, maar een christen is geroepen om in God te leven.

Het volgende punt is dat de Heilige Geest aan hen gegeven werd. Waarom? Waarom is Hij in ons? Om ons te leren wat het betekent in God te leven. Met andere woorden, om ons te doen begrijpen wat in God is en wat niet in God is. Als de Heilige Geest in ons is en als wij gevoelig zijn voor de stem van de Heilige Geest en wij spreken op een manier die niet goed is, dan zal de Heilige Geest zeggen: “Dat is niet de Here die door je spreekt, dat ben je zelf”. Als wij ons op een manier gedragen die niet goed is, zegt de Heilige Geest: “Dat is niet de Vader, dat ben jij. Dat is buiten de Vader om”. De Heilige Geest is dus gekomen om ons te leren wat in God is en wat niet.

Als we in onszelf leven, kunnen we niet tegelijk in God leven. Jezus zegt: “Blijf in Mij, zoals Ik in de Vader blijf”. Dat houdt in dat je alles van Jezus krijgt, zoals Hij alles van de Vader krijgt.

Hebt u gemerkt wat het grote werk van de duivel is? Dat is in de eerste plaats om tussen God en de mens te komen. Alles in ons leven dat niet van God is, is van de duivel. Het belangrijkste werk van de duivel, eerst in de hemel en daarna op aarde, was om scheiding te brengen. Elke scheiding die het werk van God aantast, is van de duivel. Het is God niet. Geen enkele verdeeldheid onder Gods volk is van God, maar van de duivel. En het gebeurt omdat de christenen ergens anders in leefden dan in God. Misschien leefden ze in zichzelf en wat zij wilden en dachten. Of ze zijn door de wereld besmet, want er is niets wat zo de christenen verdeelt als de wereld. Of het kan zijn dat ze in iemand anders geleefd hebben. Weet je dat het mogelijk is dat wij “in een mens” leven? Kijk uit dat je niet op een mens steunt, in hem leeft. Als je dat doet, zal die man je vroeg of laat teleurstellen en dan komt er een scheiding. Ook al is die man een geweldig prediker of bijbelleraar, maak hem niet tot je leven. Als je dat doet, begeef je jezelf buiten de Heer. Het gevolg is scheiding. Dat is altijd de bedoeling van de vijand. Blijf dus in God, doe wat de Here Jezus altijd deed. “Vader, wilt U dit? Vader, is dat wat U verlangt? Vader, is dit Uw weg? Er zijn sterke argumenten dat ik dit of dat zou doen, maar Vader, dat is niet goed genoeg. Van nature ben ik een kind van de duisternis. Vader, wilt U dit en wilt U het nu?” We moeten het van de Here ontvangen en net als de Here Jezus, moeten we misschien wachten totdat de Here spreekt.

Hij is aan het kruis gegaan om alles wat tussen God en ons in kwam, te vernietigen. De opstanding van de Here Jezus is een geweldig werk om ons weer in God te brengen. Kijk in het boek Handelingen en zie hoe het daar werkt. Petrus had een paar problemen. Hij dacht dat het verkeerd was om een maaltijd te hebben met heidenen. Hij noemde dat onrein. Hij zei: “Here, zo niet. Ik heb nooit zoiets gedaan”. Petrus bleef in zijn religieuze traditie. De Heilige Geest zegt: “Kijk hier, Petrus, Ik weet dat je religieus bent, maar wil je de traditie of God?” Petrus ging het punt zien en bleef in God. Hij moest doen wat hij nooit eerder gedaan had. Dat heeft ons veel te zeggen.

Ik heb geprobeerd om de belangrijkste wet in het geestelijk leven te geven. Ik vraag u, zoek je leven in God, niet in dingen, niet in mensen, niet in plaatsen, niet in omstandigheden, niet in argumenten, niet in menselijk verstand, maar in God. Gods gedachten zijn anders dan de onze. “Vertrouw op de HEERE met heel je hart, en steun op je eigen inzicht niet” (Spr. 3:5). Dat wij mogen leren al wat het betekent om in God teruggebracht te zijn door de opstanding. Moge de Here ons helpen.

Wordt D.V. vervolgd

* De teksten uit het Oude testament zijn geciteerd uit de Herziene Staten Vertaling, tenzij anders aangegeven.

Publicatie met toestemming van: Stichting “De Gouden Kandelaar” te Twello.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol