2 jaar geleden

Ontmoediging in de dienst

1 Koningen 17-19

Als we in Gods Woord naar een voorbeeld van ontmoediging zoeken, dan komt ons vooral “Elia onder de bremstruik” voor de geest.

Maar dat is niet alles wat we van Elia weten. Om ontmoedigd te kunnen worden, moeten we eerst moedig geweest zijn. En juist in het leven van Elia vinden we talrijke bewijzen van uitzonderlijke moed.

Het optreden van deze profeet was in een donkere tijd. Achab regeerde over Israël en “deed wat slecht was in de ogen van de HEERE”. “… zodat Achab nog meer deed om de HEERE, de God van Israël, tot toorn te verwekken dan alle koningen van Israël die vóór hem geweest waren” (1 Kon. 16:30,33). Izebel, zijn gewetenloze vrouw, was daar als een levende belichaming van het kwaad en spoorde hem aan tot onverkorte afgoderij en elke wetteloosheid. – Het volk van Israël zelf “hinkte op twee gedachten” (zie 1 Kon. 18:21). Met één voet wandelde het in bepaalde uiterlijke vormen van de wet, met de andere voet echter volgde het de schandelijke Achab na met zijn Baäls, die hij kuste. Van de profeten van de HEERE waren er slechts honderd overgebleven en zij leefden ergens verborgen in grotten. Elia had geen hulp aan hen. Dat was de wereld waarin Elia te handelen had. Waarheen zijn ogen ook keken: alleen maar deprimerende feiten! Maar nee, er was een plaats waar Elia een grote bemoediging vond: het heiligdom van God. Hier hield hij zich op in de kracht van de Geest van God. De geschiedenis van deze profeet begint met de uitroep: “… de HEERE, de God van Israël, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta” (1 Kon. 17:1). Dus dat was zijn verborgen kracht. Vanaf deze plaats kwam Elia, die een mens “van gelijke natuur als wij” was (Jak. 5:17), vanuit de voorbeeldige moed en grote energie tot zijn daden (zie ook 1 Kon. 18:15).

In deze energie verlangde hij als dienaar van de Heer zich door Hem te laten gebruiken als een instrument om het volk van Israël te herstellen. In zijn hart was geen ruimte voor woorden als: “Het heeft toch allemaal geen zin” – “Elke inspanning is toch zinloos!” – “Men kan hoogstens het weinig goede dat er nog bestaat, behouden!”

Niets van dat alles! Trouw voerde hij de bevelen van God uit, maar niet alleen als een dienaar die gehoorzamen moet, ook wanneer hij de bevelen van zijn Meester niet begrijpt. De gemeenschap met de gedachten van God, de ijver voor Zijn zaak en de krachtige moed lieten hem actief worden: “Hij bad een gebed, dat het niet zou regenen”. En omdat deze tuchtiging naar de wil van God was, om het volk te straffen, zo regende het niet op aarde “drie jaar en zes maanden”. En Elia bad opnieuw, “en de hemel gaf regen en de aarde bracht haar vrucht voort” (Jak. 5:17,18).

En hoe verfrissend is, met betrekking tot het gedrag van Elia, de scène op de berg Karmel (1 Kon. 18)! Deze moed, deze energie om de mensen tot herstel te bewegen, dit rekenen op de aanwezigheid van God, deze ijver in de afzondering van het kwaad, als gevolg van innerlijke afzondering voor God! En Elia bewoog zich op dit toneel als iemand, die op geen van de aanwezigen kon rekenen, en die zich daarvan bewust was!

*

En toen kwam de ontmoediging van deze trouwe dienaar van de Heer! Het gebeurde nadat God het volk op een zo indrukwekkende wijze Zijn onveranderlijke macht en grootheid getoond, en hen bewezen had, dat Hij alleen “God is”. Het gebeurde nadat alle profeten van Baäl en Asherah, die in Israël geweest waren, hun einde in de beek Kison gevonden hadden.

Het bleef voor de ogen van Elia gewoon niet verborgen, dat het dit volk met de uitroep: “De HEERE is God! Jehovah, De HEERE is God” (1 Kon. 18:39) geen ernst was! Het leek alsof iedereen net thuis was van een volksfeest en naar het oude leven teruggekeerd was. Er werd geen boetvaardigheid gezien, geen verandering van de geest, geen beven voor de levende God en Zijn Woord! De les die het volk ter harte had moeten nemen, was toch zo goed voorbereid geweest door de jarenlange droogte, had zo’n glanzende afsluiting gevonden op de berg Karmel, en dan nu dit resultaat! (als er tekenen van ommekeer zichtbaar geweest waren, zou de profeet op de Horeb geen aanklacht tegen het volk van God gedaan hebben (1 Kon. 19:10,14)). Kunnen we Elia begrijpen dat er nu gedachten van moedeloosheid in zijn hart kwamen? “Wat heeft mijn dienst nog voor waarde? Ik heb mijn best gedaan en zonder resultaat, waarvoor ben ik nog hier?”

Toen dan bij zulke gedachten nog de boodschapper van Izebel kwam: “… als ik morgen om deze tijd uw leven niet zal maken als het leven van de profeten van Baal!” (zie 1 Kon. 19:2), toen was het voorbij met zijn kalmte. Toen stond hij niet langer meer “voor het aangezicht van God”. De wolk van zijn teleurstelling en de boze schaduw van de dreigende koningin waren tussen God en hem getreden. “Hij zag” alleen nog dit alles en ging weg naar de woestijn en vluchtte voor zijn leven.

Geliefde broeders en zusters, allen die de eer van God, het welzijn van de Zijnen, de toestand van Zijn volk en het christelijk getuigenis in de wereld na op het hart liggen: Kennen ook wij niet zulke uren en dagen van ontmoediging? Er is toch veel wat deprimeert: Het Woord van onderwijs en vermaning wordt vaak zo weinig aangenomen. Onze inspanningen brengen zo weinig vrucht op. De wereld heeft de dijken doorbroken en lijkt het hele christelijke getuigenis te overspoelen. Het feit dat we deze en gene ziel zo vaak ten koste van tijd en energie, geprobeerd hebben te dienen, was blijkbaar van geen enkel nut. Het komt ons allemaal zo zwak voor, zo hopeloos! Zo zinloos lijkt onze dienst!

Zijn ons deze en soortgelijke gedachten vreemd?

*

Laten we nu opmerken hoe God Zijn ontmoedigde dienaar opricht:

Een engel raakte hem aan en maakte hem wakker onder de bremstruik: “Sta op, eet” (1 Kon. 19:5). Daar lag aan zijn hoofdeinde een koek en er stond een kruik water bij, beide van God. Elia stond op, at en dronk na herhaalde oproep tot verzadiging toe en ging in de kracht van dat voedsel, veertig dagen en veertig nachten tot aan de berg van God, de Horeb.

Hebt u niet bij alle ijver misschien vergeten, voor de behoeften van uw eigen ziel van het hemelse brood te eten, en wel tot verzadiging toe? Hoe kan ons de “geest van liefde, van macht en van bezonnenheid” in de dienst doen herleven, als wij Hem niet toestaan, ons door het Woord van God voedsel aan te bieden, die ons tot aan de “berg van God” leidt, tot aan de liefde van God en tot aan de kostbaarheid van de naam van Jezus? Hoe kan de kracht van de Geest ons in de dienst versterken als we niet Zijn eerste, zo uitermate belangrijke hulp in aanspraak nemen?

Op de berg van God ontving Elia verdere instructies. Welke zijn de woorden die hij hier voor God uitsprak? “Ik heb mij zeer voor de HEERE ingezet … Ik alleen ben overgebleven!” – Maar de anderen “hebben immers Uw verbond verlaten, Uw altaren omvergehaald en Uw profeten met het zwaard gedood!” (zie 1 Kon. 19:10). – Een lofzang op hemzelf – een aanklacht tegen het volk! Wijst dat er niet op dat een groot deel van de ontmoediging van Elia aan hemzelf te wijten was? Dat het geringe resultaat van zijn missie voor hem daarom ook zo zeer pijnlijk was, omdat het een vernedering voor hemzelf was? Anders zou hij wel verder voor het volk met belijdenis  voor het volk tot God gebeden hebben en zou hen niet hebben aangeklaagd.

Het verdere verloop van de geschiedenis van Elia laat zien, dat hij zich verootmoedigd heeft en met zichzelf tot een einde gekomen is. – Zijn wij met onszelf en met onze dienst tot dit einde gekomen? Hoeveel redenen tot ontmoediging vallen daar weg! God was niet in de storm, niet in de aardbeving en niet in het vuur. Hij verscheen Elia in het zachte suizen van de genade. In deze genade had God Zich “zevenduizend in Israël overgelaten, allen die de knieën niet gebogen hebben voor Baal!” (zie 1 Kon. 19:18). Van dit verborgen werk heeft Elia niets geweten. – Dus zal God in Zijn wonderbare genade, zelfs in onze dagen van verval, daar waar we het niet verwachten, een aantal van zulken kunnen “overlaten”, die zich voor Hem afzonderen en Hem met heel hun hart dienen.

*

Elia is niet in slaap gevallen onder de bremstruik, zoals hij het zich in zijn ontmoediging gewenst had. God had grotere dingen in de zin. Zijn trouwe dienaar mocht op vurige wagens en vurige paarden naar de hemel gaan! – Hoe zijn toch de gedachten van God in Zijn goedheid zo veel hoger dan onze gedachten!

Toen Elia eeuwen later met Mozes vanuit de heerlijkheid op de “heilige berg” verscheen, en zij met Jezus “over Zijn uitgang spraken die Hij zou volbrengen in Jeruzalem” (verg. Luk. 9:30-31), waren er drie mensen bijeen die op verschillende tijdstippen als dienaren van God onder hetzelfde onhandelbare en hardnekkige volk hadden gewerkt. Daarmee komt een vergelijking op ons af: De Heer Jezus, de Zoon van God, die vrijwillig de gestalte van een slaaf aangenomen heeft, had in Zijn dienst zeer smartelijke ervaringen opgedaan, die Hem aanleiding gaven tot de aangrijpende klacht: “Ik zei, voor niets heb Ik Mij vermoeid, nutteloos en tevergeefs heb Ik Mijn kracht verbruikt. Voorwaar, Mijn recht is bij de HEERE, en mijn arbeidsloon is bij Mijn God” (Jes. 49:4). – “Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en hen stenigt die tot u zijn gezonden, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen bijeen verzamelen, zoals een hen haar kuikens bijeen verzamelt onder haar vleugels, en u hebt niet gewild” (Matth. 23:37). – Maar Hij is nooit nutteloos geweest in de dienst, hetzij door ontmoediging, noch door het zoeken naar eigen eer. Hij diende God vanuit het hart en in volmaakte gehoorzaamheid. Door niets liet Hij zich daarvan afbrengen! Nooit vergiste Hij Zich in Zijn liefde tot het volk en de mensen. Toen hun haat de hoogste graad bereikte, heeft Hij het grootste offer gebracht, Zijn eigen leven voor hen overgegeven!

Mochten wij Hem toch ook als dienaars meer en meer gelijk worden: “Let op Hem die zo’n tegenspraak door de zondaars tegen Zich heeft verdragen, opdat u niet moe wordt en in uw zielen bezwijkt” (Hebr. 12:3).

W. Gschwind, © Haltefest.ch

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol