11 jaar geleden

Overdenking van Nehemia (8)

Wat kunnen we veel van de poorten leren. De fonteinpoort, zo zagen we de vorige keer, spreekt van levend water … Het is ook nu nodig om de waarheid van de werkzame kracht van de Heilige Geest, zowel in de gelovige persoonlijk als in het samenkomen van de gemeente, geheel te herstellen en in verbinding daarmee de deuren met hun sloten en grendels aan te brengen. De fonteinpoort bepaalt ons bij de krachtdadige werking van de Heilige Geest. De Waterpoort spreekt in beeld van Gods Woord, waaruit de schriftgeleerde Ezra het volk voorlas van het morgenlicht tot de middag. Ze werden het niet zat na een half uur, zoals dat vandaag helaas zo vaak voorkomt … Het paard is een beeld van overwinning. In het Oude Testament werd het paard in de strijd veelvuldig gebruikt. Het gaat doelbewust de overwinning tegemoet … De Oostpoort spreekt van de Overwinnaar die in het oosten verschijnt, en opgaat als de Zon van de gerechtigheid … Mifkad betekent zoveel als “monstering” of “toebedeling”, nadat de beoordeling heeft plaatsgevonden. Deze beoordeling vindt plaats voor de rechterstoel van Christus … Enkele woorden naar aanleiding van de poorten die zeker nader bekeken moeten worden … gaat u mee?

Nehemia 3:23-32 (vervolg)

Vervolg Fonteinpoort

Vanaf vers 23 verbeterden enkelen in navolging van Merémoth tegenover hun huis. Zij zagen hun verantwoordelijkheid in en om de familie. Zo ging er van hen een goed getuigenis onder elkaar en ten aanzien van hun omgeving uit. Zo waakt de Heer over Zijn werk en beschermt het. Hij verleent door Zijn Geest en Woord Zijn arbeiders de nodige genade en bijstand om het eigen huis goed te besturen (1 Timotheüs 3:1-7), want zonder Hem kunnen zij niets doen. Paulus vermocht alles door Hem Die hem kracht gaf (Filippi 4:13). De werking van de Geest is krachtig om de innige verbindingen in en van het huis van de Koning, van de beminden van de Heer intact te houden en waar nodig te herstellen. Hij geeft kracht om elke ongehoorzaamheid gevangen te nemen in de voorhof van de gevangenis en alle elementen, die zich tegen God en Zijn geliefde Zoon verheffen, buiten te houden. Hij leidt de harten door het Woord in de weg van gehoorzaamheid (2 Korinthe 10:2-6; 1 Samuël 15:22b en Numeri 14:41) en geeft kracht om elke vleselijke werking te binden, zodat het vlees in de dood blijft. God kan en wil bijstand verlenen (Azárja) door kracht van boven te schenken. De hoge toren wijst daarop.

De apostel Paulus moest tegen de Galatiërs zeggen: “Zijt gij zó onverstandig? Gij zijt in de Geest begonnen, wilt gij nu in het vlees volmaakt worden?” (Galaten 3:3). Wij allen, die naar waarheid voor Hem gekozen hebben, mogen als vrijgekochten van de Heer wandelen en tot eer van Hem van vreugde opspringen (Handelingen 3:8). Christus heeft ons vrijgemaakt (Johannes 8:31-36; 10:9; 2 Korinthe 3:17 en Galaten 5:1). Pedája betekent “vrijgekocht” en Paros “springen”. Alle arbeiders en hun helpers kunnen met David zeggen: “Met U loop ik door een bende en met mijn God spring ik over een muur” (Psalm 18:30). Niets behoeft hen in de weg te staan.

De Fontijnpoort bepaalt ons bij de krachtdadige werking van de Heilige Geest. Het zwaard van de Geest is het Woord van God (Efeze 6:17b). Hij richt door het Woord alle aandacht op de Persoon van de Heer (Johannes 16:13-15). Deze poort spreekt van de frisheid van de werking van de Geest door het Woord. God geve, dat de Geest door niets en niemand zal worden geblust of bedroefd (Efeze 4:30 en 1 Thessalonika 5:19)! God heeft Zijn Geest in de Zijnen gegeven om elke dienst die de Heer aan Zijn arbeiders geeft, toegewijd aan Hem en tot opbouwing van de Zijnen uit te kunnen oefenen.

De Waterpoort (vers 26-27)

De Heer Jezus is het eeuwige onveranderlijke Woord. Alles zal eenmaal veranderen, maar Hij blijft. “Gij, Heer, hebt in het begin de aarde gegrondvest, en de hemelen zijn werken van Uw handen. Zij zullen vergaan, maar Gij blijft; en zij zullen alle als een kleed verouderen, en als een mantel zult Gij ze samenrollen en zij zullen veranderd worden; maar Gij zijt Dezelfde, en Uw jaren zullen niet ophouden” (Hebreeën 1:10-12). “In het begin was het Woord; en het Woord was bij God; en het Woord was God. Dit was in het begin bij God” (Johannes 1:1-2). In Johannes 17:5 vraagt de Heer aan Zijn Vader: “Verheerlijk Mij, Gij Vader, bij Uzelf met de heerlijkheid die Ik bij U had, voordat de wereld was”. Hij is het eeuwige Woord. “O HEERE, Uw Woord bestaat in der eeuwigheid in de hemelen” (Psalm 119:89; Jesaja 40:8b en 1 Petrus 1:25a). Hij heeft vanouds aangaande Gods getuigenissen geweten, “dat Gij ze in eeuwigheid gegrond hebt” (Psalm 119:152).

In tegenstelling tot de andere poorten lezen wij niet, dat de Waterpoort herbouwd of hersteld wordt. Blijkt daaruit niet, dat geen duivel en demonen, geen verval de kracht van het eeuwig blijvende Woord van God kunnen verzwakken? Integendeel, het is de Waterpoort aan het oosten, van waaruit Gods licht blijvend straalt. De Goddelijke kracht en sterkte van Zijn Woord blijft onveranderd. Kracht, sterkte en zekerheid zien wij in beeld in de uitstekende toren (Spreuken 18:10).

De Nethinim, “de gegevenen”, wonen tegenover de Waterpoort in Ofel (“heuvel”), verheven boven alles wat van beneden is. Ze hadden het oog gericht op de Onveranderlijke, de Eeuwigblijvende. De Heer Jezus, de Eniggeborene betekende alles voor hen. Hij draagt alle dingen, ook de gegevenen, door het Woord van Zijn kracht (Hebreeën 1:3). Hij wordt immers het Woord van God genoemd (Openbaring 19:13). Op Hem mogen de gegevenen van de Vader in alles volkomen vertrouwen (Jesaja 26:4; Johannes 6:39; 17:6, 9-12 en 24). In Hem vinden zij een eeuwige Rotssteen.

Allen, die deze poort in stand houden, kunnen toebereid worden tot een goed werk. Ze hebben in de Heer het volmaakte Voorbeeld. In Nehemia 8:1-2 verzamelde het volk zich als een enig man op de straat voor de Waterpoort. Water is in de Schrift een beeld van Gods Woord (Johannes 3:5 en Efeze 5:26). Uit dat Woord las de schriftgeleerde Ezra het volk voor van het morgenlicht tot de middag (Nehemia 8:4). Dat onveranderlijke Woord leert Gods volk alles, wat het voor de afzondering tot eer van God nodig heeft. De psalmist zegt: “Ik zal mij nederbuigen naar het paleis Uwer heiligheid, en ik zal Uw Naam loven, om Uw goedertierenheid en om Uw waarheid; want Gij hebt vanwege Uw ganse Naam Uw Woord groot gemaakt” (Psalm 138:2). Laat dat Woord onze maatstaf zijn. Horen wij bij de wachters, die de plaats op de toren – beeld van kracht en waakzaamheid hebben ingenomen om elke aanval op het Woord vroegtijdig op te merken en af te slaan (2 Koningen 9:17 en 2 Kronieken 26:15)?

De Thekoïeten verbeteren de muur van afzondering en bescherming tegenover de uitstekende toren tot aan Ofel. Geve de Heer, dat er vandaag nog gelovigen worden gevonden, die met geestelijke kracht en zekerheid van het geloof de verlosten van de Heer kunnen voeden door het Woord om de harten meer los te maken de dingen van beneden en op te heffen naar boven! Ofel betekent immers “heuvel”. Hoe nodig is dit in de materialistische tijd, waarin wij leven (Haggaï 1:8).

De Paardenpoort (vers 28)

Het paard is in de bijbel een beeld van overwinning. In het Oude Testament werd het paard in de strijd veelvuldig gebruikt. Het gaat doelbewust de overwinning tegemoet (Job 39:22-28). Wie is er meer dan de Heer Jezus met volharding doorgegaan, onder alle omstandigheden van Zijn leven doelbewust de kampprijs tegemoet? Hij zag op de vreugde, die vóór Hem lag (Psalm 16:11 en Hebreeën 12:2). Daarom verdroeg Hij het kruis. De priesters, die gewend zijn om in Gods tegenwoordigheid te verkeren, vebeteren de Paardenpoort. Zij proeven de gemeenschap met God, Die door Zijn Woord en Geest kracht geeft om te overwinnen. Wij bezitten het eeuwige Woord van God met al Zijn beloften voor nu voor nu en voor de toekomst (2 Korinthe 1:20 en Hebreeën 10:23). We hebben bijzondere kracht en energie nodig, om de Heer navolgend, de wedloop te voleindigen. Om als priesters voor God in en voor de eigen familie de afzondering en bescherming te herstellen, opdat de wereld, ook de religieuze wereld buiten gehouden kan worden. Ziet op hen, die het Woord van God tot ons gesproken hebben, “beschouwt het einde van hun wandel en volgt hun geloof na” (Hebreeën 13:7). Paulus schrijft: “Terwijl ik vergeet wat achter is en mij uitstrek naar wat vóór is, jaag ik naar het doel: de prijs van de hemelse roeping Gods in Christus Jezus” (Filippi 3:14). Mochten al de priesters, de medebouwers van deze poort kunnen zeggen: “Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden”, opdat ook zij in de dag van Zijn verschijning de gereedliggende kroon van de gerechtigheid mogen ontvangen van hun Heer, de rechtvaardige Rechter (2 Timotheüs 4:7-8). Laten we op de pelgrimsreis de lendenen van ons verstand omgorden en nuchter zijn (1 Petrus 1:13). De Heer zal overwinnen, zal verschijnen (Kolosse 3:4; 1 Thessalonika 3:13; 1 Johannes 3:2b en Openbaring 19:11-16). Zien wij, de verlosten van de Heer, volhardend naar Hem uit? God spreekt door Zijn Woord tot de Zijnen, is rechtvaardig en maakt Zijn beloften waar. Hij staat gereed om ze kracht en sterkte te geven (Romeinen 8:37) om te kunnen volharden en uit te zien naar de verschijning van onze Heer Jezus Christus, de Overwinnaar.

De Oostpoort (vers 29)

De Overwinnaar verschijnt in het oosten (Zacharía 14:4), gaat op als de Zon van de gerechtigheid (Maleáchi 4:2). De Verworpene verschijnt met kracht en grote heerlijkheid op de wolken van de hemel (Mattheüs 24:30). De bewaarder of wachter Semája (“de HEERE verhoort”) verbeterde deze poort. Is het nu niet dringend nodig om deze poort te herstellen als bewaarders van de kostbare waarheid van Zijn verschijning, die in vele kringen totaal of gedeeltelijk niet meer wordt gekend? Met name in de schepping zien we het elke morgen in beeld. Als de zon aan de horizon opgaat, breekt de dag aan en leeft mens, dier en plant op. Vogels en andere dieren laten zich direct horen, begroeten als het ware met dankbaarheid het opkomende licht. Als dat in de natuur al zo is, hoeveel te meer zouden al de verlosten van de Heer dan uit moeten zien naar het ogenblik van de opgang van de ware Levenszon. In verband met de verschijning van de Heer wordt in Lukas 1:78 gesproken over “de Opgang uit de hoogte”. Hij verschijnt dan als Messias op aarde, als de Wortel en het Geslacht van David (Openbaring 22:16). Dan gaat het Woord van God uit Maleáchi 4:2 en Zacharía 14:4-5 met betrekking tot het ware Israël, het getrouwe overblijfsel, volledig in vervulling. Hij zal in macht en heerlijkheid verschijnen met al Zijn heiligen (Openbaring 19:14) om Zijn rijk op te richten en in gerechtigheid te regeren op de aarde, waar Hij vroeger verworpen werd (Jesaja 32:1-2; Psalm 45:7 en Zacharía 9:9). Dan is de heerlijke tijd aangebroken, waarover de heilige profeten profeteerden (Jesaja 9:6; 11:1-9 en 65:17-25). Nu ziet de schepping daar nog zuchtend naar uit (Romeinen 8:19-22). Dan wordt openlijk zichtbaar, dat alles onder Zijn voeten is gesteld, waarop Hij nu nog wacht (Hebreeën 2:7-9). De Messias zal tot Lo-Ammi zeggen: “Gij zijt Mijn volk”, en het volk zal zeggen: “O, mijn God!” (Hoséa 2:22). Dit alles betreft Gods handelen met Israël. In verbinding daarmee heeft de Oostpoort een heel bijzondere betekenis.

Toch hebben ook de verlosten van de Heer uit deze tijd heerlijke beloften van God ontvangen, bijvoorbeeld in 1 Korinthe 15:49-54; 1 Thessalonika 4:13-18 en Filippi 3:20-21. Dat wij de Heer tegemoet gaan in de lucht, wordt echter niet met de opgaande zon vergeleken. Wij verwachten onze Heer als de blinkende Morgenster (Openbaring 22:16). De spotters van de laatste dagen hebben de waarheden van de Oostpoort verbrand (2 Petrus 3:3-4). De Heer wil echter bewerken, dat er nog Semája’s gevonden worden, arbeiders, die deze waarheden bewaren. In deze donkere wereld staat het profetische Woord vast “en gij doet wèl, daarop acht te geven, als op een lamp die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de Morgenster opgaat in uw harten” (2 Petrus 1:19). Alle gelovigen uit de genadetijd gaan vóór de verschijning van Christus naar de hemel, verwachten de Heer elk ogenblik om Hem tegemoet te gaan in de lucht (1 Thessalonika 4:15-18) en de blinkende Morgenster te zien. Laten wij elkaar toeroepen, dat Hij zal komen en niet uitblijven. “De Geest en de bruid zeggen: Kom!” (Openbaring 22:17). Spoedig zal de Heer deze roep verhoren – Semája. Laten wij zolang wij nog hier op aarde zijn als trouwe bewaarders, als huisgenoten van God Zijn Woord handhaven, zodat de Vader en de Zoon woning (Sechánja) bij ons kunnen maken (Johannes 14:23). Laten wij vasthouden aan al de beloften van God totdat de Heer komt. De Heer ziet Zelf uit naar dat ogenblik, naar Zijn komst voor de Zijnen van nu (2 Thessalonika 3:5) en naar Zijn komst voor het Israël van God. Wie deze waarheden van de Oostpoort herstelt en bewaart, ontvangt gunst of genade van God (Hanánja). In het bewaren van deze waarheden kleeft ons zwakheid aan, maar de Heer wil Zijn begenadigden te hulp komen. Hij is de Regerende en Vredelievende. Mesullam verbeterde wat hem toevertrouwd was, tegenover zijn kamer. “Men is aangenaam naar wat men heeft, niet naar wat men niet heeft” (2 Korinthe 8:12; Romeinen 12:6-8 en 1 Petrus 4:10). Waarin zijn wij voor God aangenaam? De komst van de Heer voor de Zijnen, die Hem tegemoet gaan in de lucht, en Zijn verschijning op aarde om Zijn rijk te stichten, zijn twee aparte gebeurtenissen. Wellicht zal kort vóór de verschijning onze beoordeling voor de rechterstoel plaatsvinden met het oog op het loon, dat wij ontvangen. Dat brengt ons naar de volgende poort.

De poort van Mifkad (vers 31-32)

Mifkad betekent zoveel als “monstering” of “toebedeling”, nadat de beoordeling heeft plaatsgevonden. Deze beoordeling vindt plaats voor de rechterstoel van Christus, “opdat een ieder ontvangt wat in het lichaam gebeurd is” (2 Korinthe 5:10 en Romeinen 14:10), door de op aarde Verworpene en Verachte. Ongeveer ten tijde van Zijn verschijning zal de rechtvaardige Rechter Zijn plaats op die rechterstoel innemen (2 Timotheüs 4:8; Lukas 19:15-19; Openbaring 22:12 en 1 Petrus 5:4). Dan ontvangt de Heer Jezus openlijk, waar Hij al zo lang op heeft gewacht – voor het oog van Israël en de wereld zal Hij gekroond zijn met macht, heerlijkheid en eer. In de grote verdrukking zal het getrouwe overblijfsel van Israël Hem verwachten. Zij zullen zien, dat Christus, de Heer, hun Koning zal zijn (Malchia). Als de grote verdrukking en de oordelen over de van God afgevallen christenheid ten einde lopen, zal het vrederijk beginnen en Christus duizend jaar regeren in recht en gerechtigheid. De getrouwen worden dan rijk beloond.

Malchia is de zoon van een goudsmid, kwam naar de typologische betekenis van het goud uit een familie, die zich bewoog en leefde in de gedachten van de Goddelijke heerlijkheid en gerechtigheid. Hij voelde aan, welk gedeelte van de muur verbeterd moest worden – “tot aan het huis der Nethinim en der kruideniers, tegenover de poort van Mifkad en tot de opperzaal van het punt”. Misschien zijn de Nethinim, de tempeldienaars, nalatig geweest wat de waarheid van de afzondering betreft. Hoe het ook zij, Malchia herstelde tot hun huis en tot het huis van de kruideniers. Kennen wij zulke getrouwen, die Gods volk te rechter tijd voedsel aanbieden? “Welgelukzalig die slaaf, die zijn heer, als hij komt, zo bezig zal vinden. Waarlijk, Ik zeg u, dat hij hem over al zijn goederen zal stellen” (Lukas 12:43-44). Laten wij zulke trouwe en wijze knechten zijn, die Gods Woord zó weten voor te stellen, tot zegen en opbouwing van Zijn volk. De Heer wil dat bewerken. Voor hun arbeid en toewijding zullen zij van de rechtvaardige Rechter loon ontvangen. De Heer Jezus is wel het grote Voorbeeld. God heeft Hem gegeven, gewijd. Blijkt die toewijding niet uit de rok, die van boven af in zijn geheel geweven was (Johannes 19:23)? God heeft Hem het loon op Zijn werk gegeven: Hij heeft Hem uitermate verhoogd en Hem een Naam gegeven, die boven alle naam is (Filippi 2:5-11). Evenzo zal God door Christus de herstellers van de muur van afzondering en beschutting in die dag van de rechterstoel verhogen. Als de overste Herder verschenen is, zullen zij de onverwelkelijke kroon van de heerlijkheid ontvangen (1 Petrus 5:4).

Malchia verbeterde de muur tot de opperzaal. De Heer maakte, vlak vóór Zijn sterven, in de bovenzaal de intiemste gedachten aan de Zijnen bekend (Lukas 22:7-13 en Johannes 13-17). Het is in onze dagen nodig om de bovenzaal te kennen, de boven de aardse beslommeringen verheven plaats. De discipelen kenden die met enige vrouwen, wat zij toonden door daar eendrachtig te volharden in het gebed (Handelingen 1:13-14). Aan dit stuk van de muur valt veel te herstellen – eendrachtig te volharden in het gebed. Laat het ons allen aanspreken temeer daar de Heer Jezus zegt: “Zie, Ik kom spoedig en Mijn loon is bij Mij, om een ieder te vergelden zoals zijn werk zijn zal” (Openbaring 22:12). Van onze kant is er niets, wat aanleiding tot roem geeft. Het is alles genade, genade alleen. Wat wij hebben of zijn, het is alles door Hem gewerkt.

Vanaf de opperzaal tot de Schaapspoort werd verbeterd. Als die Deur van de schapen er niet was, wie waren wij dan? De gerechtigheid is op grond van geloof in Christus, de door God Gezondene. Tot eer van Zijn Naam wil God de Zijnen in Christus bewaren binnen de muur van afzondering en beschutting, door geloofsvertrouwen en in het bewustzijn van de genade. Wij mogen met de goede Herder ingaan en uitgaan en weide vinden in overvloed (Johannes 10:9-10). Aan het eind van de weg komt Hem de lof toe, want Hij heeft niemand verloren van hen, die Hem zijn toevertrouwd (Hebreeën 2:13). Onze God kon Zijn verlosten aan geen betere toevertrouwen! Hij vertrouwde ons toe aan Zijn geliefde Zoon (Johannes 17:6 en 9-12)!

Wordt D.V. vervolgd.

J. de Blaauw

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol