11 jaar geleden

Overdenking van Nehemia (7)

De mest- of aspoort spreekt van de plaats, waar de Zoon des mensen verhoogd moest worden, waar het oordeel van God de Heer Jezus als Zoon des mensen trof. In dat oordeel heeft de oude mens een einde gevonden … Laten we in onze tijd de plaats van het oordeel over de oude mens in Christus meer openbaren en verwerkelijken, meer de deuren, sloten en grendels in de praktijk toepassen, zodat elke lichtvaardige vleselijke werking naar buiten kan worden gebracht, bij de Aspoort … De fonteinpoort spreekt van levend water, dat graag terug wil naar de plaats, vanwaar het is gekomen. Sprak de Heer daar niet over tegen de vrouw bij de put van Sichar? … Het is ook nu nodig om de waarheid van de werkzame kracht van de Heilige Geest, zowel in de gelovige persoonlijk als in het samenkomen van de gemeente, geheel te herstellen en in verbinding daarmee de deuren met hun sloten en grendels aan te brengen. Zo worden verkeerde invloeden en gebruiken, die de werking van de Geest in de weg staan, geweerd en kan de Geest ons door het Woord in de hele waarheid leiden …

Nehemia 3:14-22 (vervolg)

De mest- of aspoort (vers 14)

Deze poort spreekt van de plaats, waar de Zoon des mensen verhoogd moest worden, waar het oordeel van God de Heer Jezus als Zoon des mensen trof. In dat oordeel heeft de oude mens een einde gevonden. God heeft “door Zijn eigen Zoon in een gedaante gelijk aan het vlees van de zonde en voor de zonde te zenden, de zonde in het vlees veroordeeld” (Romeinen 8:3). Hij leed buiten de poort (Hebreeën 13:11-13), buiten elk systeem. Laten we daarom tot Hem uitgaan, tot ons grote Voorbeeld.

Elke werking van de oude mens, al het zuurdeeg hoort buiten de muur gebracht en veroordeeld te worden op de plaats, waar het oordeel gewoed heeft. Bij deze poort dient iedere bevlekking en elke verontreiniging, al het vuil van de zonde, voortkomend uit de oude mens, in het sterven van Christus geoordeeld te worden. In 2 Korinthe 5:15 lezen wij: “Hij is voor allen gestorven, opdat zij die leven niet meer voor zichzelf leven, maar voor Hem Die voor hen gestorven en opgewekt is”. Hij heeft op grond van Zijn werk in de gelovige nieuw leven gewerkt, is Zelf het eeuwige leven (1 Johannes 5:11-12): “Wie de Zoon heeft, heeft het leven”. Dat leven heeft in feite niets meer van de oude mens, Adam, maar heeft de mogelijkheid geopend om ons God welgevallig te openbaren, door de Heer en Zijn openbaar geworden gezindheid na te volgen (1 Korinthe 2:16b). Als het hart vervuld is met de voor ons Gestorvene en Opgewekte, kost het geen moeite om al de voortbrengselen van de oude natuur door de Aspoort buiten de stad te brengen. Wat ons zou verontreinigen horen we weg te doen (Kolosse 3:5-10). Ieder voortbrengsel van de mens zelf zal de bouw van deze poort in de weg staan. Daarom doen we als uitverkorenen van God, heiligen (afgezonderd tot eer en gebruik voor God) en geliefden (voor Zijn hart), de dingen aan uit Kolosse 3:12-16a en veroordelen als trouwe bouwers de dingen uit Efeze 5:3-5. “Altijd dragen wij het sterven van Jezus in het lichaam om, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam openbaar wordt” (2 Korinthe 4:10). Dan zijn we bekwaam, bruikbaar voor de Meester (2 Timotheüs 2:21) om met Gods Woord en onder de leiding van Zijn Geest de Heer Jezus voor te stellen. Hij geeft wijsheid in de dienst, als alles veroordeeld en weggedaan is, wat de dienst in de weg staat. Aan zo’n dienst verbindt Hij dankbaarheid en vreugde (Beth Chérem). De trouwe arbeider zal dan de gemeenschap ervaren met de Heer, in Wiens dienst hij staat (1 Kronieken 4:23b; Filippi 3:1 en 4:3b).

Laten we in onze tijd de plaats van het oordeel over de oude mens in Christus meer openbaren en verwerkelijken, meer de deuren, sloten en grendels in de praktijk toepassen, zodat elke lichtvaardige vleselijke werking naar buiten kan worden gebracht, bij de Aspoort. Zo wordt “de rechtvaardige eis van de wet vervuld in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest” (Romeinen 8:4). Zo zijn we dood voor de zonde, maar levend voor God in Christus jezus (Romeinen 6:10-13). ‘Want al wat in de wereld is: de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en de hoogmoed van het leven, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld. En de wereld gaat voorbij en haar begeerte, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid” (1 Johannes 2:16-17). Mochten wij toch allen in zelfoordeel door deze poort binnengaan om in ons leven de Heilige Geest ruimte te geven om te werken, wel heel in het bijzonder in de dienst voor de Heer!

De Fonteinpoort (vers 15-25)

Deze poort spreekt van levend water, dat graag terug wil naar de plaats, vanwaar het is gekomen. Sprak de Heer daar niet over tegen de vrouw bij de put van Sichar? “Het water dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een bron van water, dat springt tot in het eeuwige leven” (Johannes 4:14b). En op de laatste, de grote dag van het feest stond Hij in de tempel en riep: “Als iemand dorst heeft, hij kome tot Mij en drinke! Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn buik vloeien. Dit nu zei Hij van de Geest, die zij die in Hem geloven, ontvangen zouden” (Johannes 7:37-39). Wie heeft meer dan de Heer Jezus zegen voor anderen uit Zijn innerlijk laten stromen? Hij wandelde en handelde in de kracht van de Heilige Geest (Mattheüs 4:1; Lukas 4:1 en 14), sprak alleen wat Hij van de Vader had gehoord (Johannes 12:49-50).

Het is ook nu nodig om de waarheid van de werkzame kracht van de Heilige Geest, zowel in de gelovige persoonlijk als in het samenkomen van de gemeente, geheel te herstellen en in verbinding daarmee de deuren met hun sloten en grendels aan te brengen. Zo worden verkeerde invloeden en gebruiken, die de werking van de Geest in de weg staan, geweerd en kan de Geest ons door het Woord in de hele waarheid leiden (Johannes 16:13-15). Alleen zo kunnen de Zijnen genieten van alle zegeningen en beloften, die op grond van het werk van de Heer klaar liggen en in Hem ‘ja en amen’ zijn (2 Korinthe 1:20). De bouwers mogen deze Fonteinpoort aan de verlosten voorstellen tot hun zegen. Wie het van harte aanneemt, zal nooit meer dorsten naar de dingen van vroeger (Johannes 4:14a). Zo iemand zegt wellicht met de vrouw aan de put: “Heer, geef mij dat water” (Johannes 4:15), zoals Paulus zei: ‘Wat winst voor mij was, heb ik om Christus’ wil schade geacht. Ja, zeker, ik acht ook alles schade te zijn om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus, mijn Heer” (Filippi 3:7-8). Dan is het hart vervuld met de Heer Jezus en is de Heilige Geest werkzaam om uit het innerlijk stromen van zegen voor anderen te laten vloeien. Is dat niet de vervulling van Jesaja 44:3? Hoewel het daar om de toekomst voor Israël gaat, mogen wij het toepassen op de ware gelovigen. De gelovige, in wie de Heilige Geest woont en die het voetspoor van zijn Meester drukt, kan mee herstellen en tot zegen zijn voor anderen, zodat die opgebouwd worden. De apostel Petrus zegt, dat wij altijd gereinigde zielen moeten hebben door de gehoorzaamheid aan de waarheid (1 Petrus 1:22). Zo brengen we de vrucht van de Geest uit Galaten 5:22-25 voort: Liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing.

De Geest wil door middel van het Woord een ieder in de dienst gebruiken tot zegen voor anderen. Zijn alziend oog slaat alle dienstknechten gade en wel met name hen, die een speciale taak ontvingen – de oversten. Wie in ootmoed en zelfoordeel de goede paden bewandelt, ontvangt van Hem kracht en genade om de muur van beschutting en afzondering te herstellen. Zal die de eerste zegen dan niet zelf onvangen? De Heer openbaart Zichzelf aan hem (Johannes 14:2l), brengt hem door de werking van de Geest tot de vijver van de verkwikkingen van de Koning, tot de lusthof van de Koning. De muur wordt immers hersteld tot de vijver van de hof van de koning, waar in type de verkwikkingen worden gevonden, waar voeding en bescherming, rust en vrede voor hart en leven is. Wij mogen zijn bij Hem, Die schoner is dan de mensenkinderen (Psalm 45:3; Hooglied 2:3-5 en 5:10-16). Bij de heerlijkheid van Zijn Persoon worden de verlangens gestild, in Zijn tegenwoordigheid worden we naar Zijn beeld veranderd (2 Korinthe 3:18). De aandacht wordt gevestigd op de stad van David, de Beminde van de HEERE, Die eenmaal alles onder Zijn beheer zal hebben. De dag komt, dat de Heer de trappen zal afgaan. Is het vrederijk niet een wonderbare toekomst? Dan is de Koning verbonden met het getrouwe overblijfsel en zal de gemeente duizend jaar met Hem regeren (Openbaring 20:4-6). Welk een lusthof van de Koning zal dat zijn Jesaja 11:1-10; 12; 32:1-2 en 65:17-25)! Zullen wij dan niet met de aardse bruid uitroepen: “O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame, en ate Zijn edele vruchten!” (Hooglied 4:16b)?

De Geest wijst op de tijden van de herstelling van alle dingen, waarvan God sinds oude tijden heeft gesproken door de mond van Zijn heilige profeten (Handelingen 3:21). Hij spreekt tot vertroosting en bemoediging, ook door te wijzen op de opstanding. Spoedig laat de ware David, de opgestane Christus, Zijn stem als van een aartsengel horen en staan allen, die leven uit Hem hebben ontvangen, verheerlijkt op uit hun graven. De nog in leven zijnde gelovigen worden dan in een punt des tijds, in een ondeelbaar ogenblik veranderd, Hem gelijkvormig. Beide groepen gaan dan samen Hem tegemoet in de lucht. Met al deze kostbare gedachten vertroosten de arbeiders, de bouwers en de gelovigen elkaar (1 Thesalonika 4:16-18; 1 Korinthe 15:51-52; Romeinen 8:11 en Filippi 3:20-21). Nehemia betekent “de HEERE vertroost”. Als de grote verdrukking voorbij is, verschijnt de Christus met al Zijn heiligen (Zacharia 14:5b; Kolosse 3:4; 1 Thessalonika 3:13b; Judas :14 en Openbaring 19:14) en zijn zij allen met Hem in Zijn lusthof. De Geest richt door het Woord de aandacht op het huis van de Rots (Beth Zur) en op al de toekomstbeloften, die in Christus ja en amen zijn. Er is sprake van Davids graven. De ware David is als Eersteling uit de doden opgestaan, en tot onze troost zegt Gods Woord: “… daarna die van Christus zijn” (1 Korinthe 15:23). Die in de tijd van Zijn verwerping als helden bij Hem schuilden, worden dan vertroost (1 Samuël 22:1-2 en 23).

Gods genade maakt op grond van geloofsgehoorzaamheid nog steeds Zijn beminden gereed voor het werk. Hij voegt toe, die Hij geschikt acht om een werk voor Hem te doen, en geeft hun in het midden van de Zijnen een taak om anderen in hun dienst aan te sporen en verlangend te maken om in het herstellen ook hulp en bijstand te verlenen. Bavai betekent “begerig” en Ezer “bijstand” of hulp.

Vers 19 toont de bouwers tegenover de opgang naar het wapenhuis aan de hoek, voor elk duidelijk zichtbaar. In het wapenhuis werden de soldaten, voordat ze ten strijde trokken, voorzien van de nodige wapens. Voert dit ons niet in geestelijk opzicht naar 2 Korinthe 10:4-5? De wapens van het licht (Romeinen 13:12b; Efeze 5:13 en 6:11) zijn niet vleselijk, maar krachtig voor God. Waarmee omgorden wij ons? “Lijd mee verdrukking als een goed soldaat van Jezus Christus” (2 Timotheüs 2:3-5). “Doet de hele wapenrusting van God aan” (Efeze 6:10-20). Vooral in onze dagen van verval is dit echt nodig. “De nacht is ver gevorderd en de dag is nabij. Laten wij dan afleggen de werken van de duisternis en aandoen de wapens van het licht” (Romeinen 13:12-14).

Baruch

Wat hebben wij in Baruch (“knielend”) een voorbeeld! Hij was zeker een bijzondere steun te midden van de arbeiders. Naar de betekenis van zijn naam was het een man van gebed en in zijn werk was hij zeer vurig. Dat was als het ware een stempel op zijn werk en persoon. Zo zegt de Schrift ook tot allen: “Weest vurig van geest” (Romeinen 12:11 en Handelingen 18:25). Merémoth herstelde vanaf de huisdeur tot het einde van Eljásibs huis. De grote nalatigheid van de hogepriester Eljásib was, dat hij verzuimde om met betrekking tot zijn eigen huis en familie te herstellen. Dat heeft nare gevolgen, namelijk de verbinding met de wereld, zelfs met de vijanden van God en Zijn werk. Hij gaf Tobia, de grote vriend van Sanballat, een kamer in de voorhoven van Gods huis. Door zijn nalatigheid liet hij de wereld toe in het midden van Gods volk (Nehemia 13:4-7), ja nog meer, één van zijn kleinkinderen werd de schoonzoon van Sanballat (Nehemia 13:28). Wel heeft dit ons veel te zeggen! Laten we knielend en vurig van geest deuren met hun sloten en grendels aanbrengen voor onze huizen en families, vroegtijdig de wereld en de haters van God en Zijn werk de vrije toegang ontzeggen en veroordelen. Als de bittere dood van de Heer Jezus Christus, de doornenkroon en het alles doordringende vuur van Gods toorn op ons hart en leven diepe indruk heeft gemaakt, zeggen we dan niet met Paulus, dat door onze Heer Jezus “voor mij de wereld gekruisigd is en ik voor de wereld” (Galaten 2:20 en 6:14b)? Is dit laatste niet te vergelijken met de deur, die met grendels gesloten is? De priesters, die in de vlakke velden woonden, verbeterden na Merémoth (vers 22). Zij verrichtten dagelijks voor Gods aangezicht hun werk. De vlakke velden zeggen ons, dat hen niets in de weg stond om de wereld en haar invloeden buiten te houden (Handelingen 5:13; Johannes 20:19 en 2 Korinthe 6:14-7:1).

Wordt D.V. vervolgd.

J. de Blaauw

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol