2 jaar geleden

Mattheüs 27 vers 46

“Eli, Eli, lemá sabachtháni? Dat is: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?”

Al het onuitsprekelijke lijden die de mens in zijn haat en verblinding de Heer heeft aangedaan, zijn niets in vergelijking met dat, wat Hij ondervond toen er duisternis over het hele land kwam, van het zesde uur tot het negende uur toe. Voor de ogen van de mensen verborgen, had Hij nu met God te doen. Als het “Lam van God” tot zonde gemaakt, moest Hij op dat moment het verzoenend lijden ten volle genieten. Het blijft voor ons een geheim, wat Zijn heilige ziel doorgemaakt moet hebben, in het oordeel van ónze schuld.

“Omstreeks het negende uur nu riep Jezus met luider stem”. Hoe smadelijk de mens Hem ook had  behandeld, er was geen klacht uit Zijn mond gekomen; maar op dit moment getuigde deze “schreeuw” van een onbegrijpelijke nood. Had Hij tot dan toe altijd gezegd: “Abba Vader”, “Vader”, “Mijn Vader”, zo klinkt er nu in het donker: “Mijn God, Mijn God waarom hebt U mij verlaten?” De Heilige God moest Hem verlaten, Ja “Maar het behaagde de HEERE Hem te verbrijzelen, Hij heeft Hem ziek gemaakt” (Jes. 53:10a). En het “waarom” ervan doet ons diep in het stof buigen: “De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem” (Jes. 53:5). Hij stelde daar het schuld- en zondoffer voor, daar leed Hij, om verzoening te doen voor onze zonden. Wij staan stil en zijn niet in staat om Hem te volgen in dit onmetelijke lijden en roepen het uit:

O, Lam voor onze zonden
op Golgotha geslacht.
U wordt uit vele monden
de lof en eer gebracht!

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol