1 jaar geleden

Mattheüs 14 vers 28 en 29

“Heer, als U het bent, beveel mij naar U toe te komen over de wateren. Hij nu zei: Kom!”

De Heer heeft in goedheid en ontferming het volk met brood verzadigd. Dat was voor Israël een getuigenis daarvan, dat Hij tegenwoordig was die het volk in de zegeningen van het rijk zou invoeren (Ps. 132:15). Israël echter heeft het niet erkend en de Heer verliet de menigte, zonderde Zich van haar af en klom alleen de berg op om te bidden. Zijn discipelen heeft Hij echter gedwongen in het schip te gaan om over de zee te varen naar de overkant. Hiermee toont de Heer ons de veranderde positie na Zijn verwerping van de kant van Israël. Een klein overblijfsel wordt uitgenodigd alleen op zee temidden van de moeilijkheden te strijden, zelfs in de donkerheid van de nacht. Hij Zelf, de Heer, ging (na het volbrachte werk) naar boven naar de Vader om Zich daar voor hen in te zetten.

“De wind was tegen”, dat hebben de discipelen moeten ervaren. Maar het oog van de Heer doordrong de nacht en Hij voelde alles wat zij ondervonden als Zijn eigen leed. Wandelend op zee naderde Hij tot hen om hen te troosten. Niet voor niets, want Petrus kreeg daardoor zo’n moed, dat hij op bevel van de Heer uit het schip klom om bij Jezus te komen. Hierin zien wij het eigenlijke beeld van de gemeente. Zij verlaat zelf het schip en wandelt, ziende op Jezus op een element, dat op zich geen houvast biedt. De enige voorwaarde hiervoor is, zoals bij Petrus, ten eerste het woord: “Heer, als U het bent”, en ten tweede het woord van Jezus: “Kom!”.

Hier hebben we het fundament van de gemeente, echter ook voor de afzonderlijke gelovigen, een fundament dat zelfs water draagkracht verleent. Op de weg waarheen we op Zijn bevel gaan, zullen we niet zinken, tenzij wij tot onze eigen schade niet op de Heer maar op wind zien.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol