11 jaar geleden

Mattheüs 25:40

“Dat hebt u Mij gedaan”. Het voorgaande bijbelvers is een toetssteen waaraan ook onze liefde tot de Heer afgemeten kan worden! Hij zegt: “De armen hebt gij altijd bij u en wanneer gij wilt kunt gij hun weldoen” (Markus 14:7). Moge het ons toch niet aan dit willen, aan deze bereidwilligheid om barmhartige, meevoelende liefde te bewijzen, ontbreken! Op de weg naar de huizen van bejaarden, zieken, bedroefden of alleenstaanden vinden we de voetsporen van onze Heiland waarin we mogen treden. Kennen mijn en uw voeten de weg naar de armen, treurenden, terneergeslagenen en ook de vredezoekenden?

We zijn er dankbaar voor dat in onze tijd de regering zich door allerlei wetten en verordeningen zich inspant om sociale nood te voorkomen of ze minstens te lenigen. Doch er bestaat voor ons als kinderen van God meer dan ooit het gevaar het zicht op de noden van onze medebroeders en -zusters te verliezen. Zeker, meestal bestaat de nood in onze dagen niet uit financiële armoede. Maar hoeveel nood is er ook vandaag nog, nood van andere aard. Hebben we daar oog voor? Belangstelling, bemoediging en praktische hulp in velerlei vorm vermag te helpen, te lenigen. En dit verwacht de Heer van ons.

Een uur aan een ziekbed of ook een bezoek bij een terneergeslagene zal tot grote zegen zijn, ook voor onszelf, want het bewustzijn dat de Heer mij heeft kunnen gebruiken, mag het hart met vreugde en dank vervullen. Wij moeten kanalen van zegen zijn te midden van een lijdende en beproefde mensheid en boven alles voor hen die behoren tot de “huisgenoten van het geloof”.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol