1 jaar geleden

Kunnen gelovigen verloren gaan? (2)

Bijbelplaatsen: Mattheüs 5:13; Mattheüs 24:13; Johannes 15:1-8; 1 Korinthe 9:27; Galaten 5:4; Hebreeën 6:6; Hebreeën 10:26-31; 2 Petrus 2:20-22; Openbaring 2:7

In het eerste deel over de eeuwige zekerheid van de gelovige zijn we ingegaan op het positieve getuigenis van de Schrift over de zekerheid van de behoudenis. In het tweede deel zullen we kijken naar een aantal bezwaren, die tegen de leer dat gelovigen niet verloren kunnen gaan, aangevoerd worden.

Algemene tegenwerpingen

De opvatting dat gelovigen veroordeeld kunnen worden, wordt vaak met ervaringen onderbouwd. “Ik heb iemand gekend”, zo wordt bijvoorbeeld gezegd, “die de Heer volgde. Nu is hij atheïst. Dit is duidelijk iemand die van het geloof afgevallen is”. Dat het daarbij alleen om een belijder moet zijn gegaan, schijnt men helemaal niet in aanmerking te nemen. En we moeten ook daarover duidelijk zijn, dat we ons gemakkelijk kunnen vergissen in onze beoordeling of iemand een gelovige is of niet. Zo hebben de discipelen jaren lang niet vermoed, dat Judas Iskariot een “duivel” was, en waarschijnlijk zou niemand Lot als rechtvaardig omschrijven, wanneer niet Petrus juist dat deed in zijn tweede brief (Joh. 6:70; 2 Petr. 2:8).

Niet zelden wordt het volgende argument aangevoerd: “Als de leer van de zekerheid van het heil waar zou zijn, zou dit de sluizen van de zonde openen. Dan zou ik kunnen doen, wat ik wil”. Dat klinkt misschien aannemelijk op het eerste gehoor, maar het is helemaal verkeerd. Want de angst voor de hel is een slechte motivatie om in heiligheid te leven en dicht bij de Heer te blijven. Angst verlamt (zie 1 Sam. 25:37; Matth. 28:4). Is niet de genade, die ons eeuwig met God verbonden heeft, een grote aansporing om trouw te zijn? Genade leidt er niet toe dat men zonde licht opvat. De vraag: “Zouden wij in de zonde blijven, opdat de genade toeneemt?”, wijst Paulus beslist af; (Rom. 6:1,2); en in het volgende vers ontvouwt hij, dat de genade de kracht is van een leven tot eer van God (zie vs. 14,15). Dat men de genade al vaak misbruikt heeft om zich over te geven aan de eigen wil, is waar. Maar welke waarheid werd al niet in het tegenovergestelde verdraaid? Wanneer iemand de genade gebruikt als dekmantel voor een losbandig leven, moet aan zijn bekering getwijfeld worden (Judas :4).

Ook als een Christen geen angst heeft voor de verdoemenis, dan is hij zich wel ervan bewust dat zonden gevolgen hebben. Zo verliest een Christen het genot van gemeenschap met zijn God, en de vreugde in de Heer vervaagt. Daarnaast grijpt de hemelse Vader, die zonder aanzien des persoons oordeelt, tuchtigend in om een dwalend kind terug te leiden. Maar een kind blijft een kind, ook als het gezondigd heeft. In het ergste geval beëindigt God het aardse leven van Zijn kinderen met de lichamelijke dood (Hand. 5:1-6; 1 Kor. 11:30, 1 Joh. 5:16). Maar de Schrift verzekert juist in deze context dat gelovigen niet met de wereld veroordeeld worden (1 Kor. 11:32). Bovendien, trouw en ontrouw is van invloed op het loon wat een Christen ontvangen zal. Maar zelfs dan, wanneer zijn werk de beproevende heiligheid van God niet kan weerstaan en verbranden zal – hijzelf zal gered worden (1 Kor. 3:14,15).

Een ander argument dat wordt aangevoerd, is: “Net zoals ik mij door de bekering tot de Heer gewend heb, kan ik mij ook weer van Hem afwenden. Zou ik dan in deze toestand sterven, ga ik verloren”. Maar daarbij ziet men over het hoofd, dat wij Christenen een nieuwe schepping van God  zijn (2 Kor. 5:17). Een schepping maakt zich niet zelf en kan zich daarom ook niet zelf verwijderen. Afgezien daarvan zijn er ook handelingen die onomkeerbaar en eenmalig zijn. In Johannes 4 vers 13 en 14 lezen we de woorden van de Heer: “Ieder die van dit water drinkt, zal weer dorst hebben; maar ieder die drinkt van het water dat Ik hem zal geven, zal in eeuwigheid geen dorst hebben”. Wie dus eenmaal van het “water” van de Heer Jezus gedronken heeft, zal het nooit meer doen. Zijn ziel is door de verbinding met God bevredigd en zal dat in eeuwigheid blijven. Een soortgelijke gedachte vinden we ook in Johannes 6 vers 35: “Jezus zei tot hen: Ik ben het brood des levens; wie tot Mij komt, zal nooit meer honger hebben; en wie in Mij gelooft, zal nooit meer dorst hebben”.

Moeilijke bijbelverzen

Wenden we ons nu tot afzonderlijke bijbelverzen, waarmee men de zienswijze wil onderbouwen, dat gelovigen verloren kunnen gaan. Wij beperken ons tot gedeelten in het Nieuwe Testament, omdat het heil en de zegeningen van een Christen in het Oude Testament niet ontvouwd worden.

Passages uit de evangeliën

Mattheüs 5 vers 13 is de eerste tekst uit het Nieuwe Testament, die  gebruikt wordt om twijfel te zaaien: “U bent het zout van de aarde; als nu het zout smakeloos wordt, waarmee zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer voor dan om weggeworpen en door de mensen vertreden te worden”. In deze tekst wordt over de hel en het verloren gaan met geen woord gerept. Het punt is dat mensen een krachteloos getuigenis van de discipelen verachten – net zoals krachteloos zout achteloos op de weg geworpen en daar door de mensen vertreden wordt. Verder moeten we bedenken dat deze woorden tot de zogenaamde Bergrede behoren, die de verantwoordelijkheid van de discipelen van Jezus benadrukken. De Heer Jezus gebruikte hier zoals zo vaak in de “Bergrede” contrastrijke beelden, alleen maar om deze discipelen op hun verantwoordelijkheid te wijzen om in hun omgeving aan het verderfelijke kwaad weerstand te bieden. Anders zouden ze werkelijk overbodig zijn – zonder dat de vraag van hun behoudenis hier behandeld wordt.

In Mattheüs 24 vers 13 sprak de Heer tot Zijn discipelen: “Wie echter zal volharden tot [het] einde, die zal behouden worden”. Hier wil ik aan het belangrijke principe herinneren (vooral ook bij dit onderwerp!), dat een tekst alleen in zijn verband verklaard kan worden. In Mattheüs 24 en 25 gaat het over de toekomst van het Joodse volk (hfdst. 24:4-44), het christendom (hfdst. 24:45-25:30) en de volkeren (hfdst. 25:31-46). De bovenstaande verklaring van de Heer staat in het gedeelte, dat de tijd van de verdrukking na de opname van de gelovigen beschrijft. Hier worden dus geen ware christenen bedoeld! Degenen die volharden in de verdrukking, zijn trouwe Joden die bevrijd respectievelijk gered worden, wanneer de Heer Jezus in macht en heerlijkheid verschijnt. Vergelijkbaar is het verband in Mattheüs 10 vers 22, waar we dezelfde woorden van de Heer vinden.

In Johannes 15 vers 1-8 vergelijkt de Heer Zichzelf met een wijnstok en zijn discipelen met ranken. Het gaat hier niet om het onzichtbare eeuwige leven, zoals in Johannes 10 bij de Herder en de schapen, maar het gaat over zichtbare vrucht. Met andere woorden: het gaat om de vraag hoe iemand kan laten zien, dat hij een discipel van de Heer is (vs. 8). Velen volgden Jezus na, maar zij moesten laten zien of zij ware discipelen waren (Joh. 6:64,66; 8:31). Een wijnstok heeft veel ranken, maar of er een echte “levensverbinding” met de wijnstok bestaat, onthult alleen het fruit. Indien een rank geen vrucht draagt, neemt de Vader ze weg (vs. 2). Laten we er rekening mee houden: Het betekent niet, dat de rank geen vrucht meer voortbrengt, maar dat ze geen vrucht brengt, ook nog nooit gebracht heeft. Dit is een beeld van de ongelovigen die het nieuwe leven en de Geest niet hebben, en daarom niet geschikt zijn de vrucht van de Geest voort te brengen. Dit geldt ook voor de persoon in vers 6, die niet in Christus blijft. “Blijven”, de kenbare uitdrukking van een innerlijke levensverbinding met de Zoon van God, waardoor een ware Christen wordt gekenmerkt (verg. Joh. 6:56).

Passages uit de brieven

De woorden van Paulus “… om niet, nadat ik anderen heb gepredikt, zelf verwerpelijk te worden” (1 Kor. 9:27), hebben velen verontrust. Leefde de apostel in de de zorg verloren te gaan? Nee, dat was helemaal niet het geval, zoals andere tekstplaatsen laten zien (bijv. Fil. 1:21,23). Paulus geeft ons hier zijn eigen persoon als voorbeeld dat men verloren kan gaan, ook als je een apostel bent en het Woord van God verkondigt. Een zekere “status” te hebben en ijverig in de dienst te zijn, is niet toereikend. Het voorbeeld van Judas Iskariot, die nooit geloofd heeft, spreekt een onmiskenbare taal. In het volgende verzen (1 Kor. 10:1-14) ontvouwt Paulus verder het idee dat het niet genoeg is om uiterlijke voorrechten te hebben – maar hij sluit het gedeelte af met een verwijzing naar de trouw van God, die een uitkomst in elke verzoeking geven zal (vs. 14).

De uitspraak “u bent van de genade vervallen” (Gal. 5:4) wordt vaak gebruikt om te documenteren, dat een Christen verloren kan gaan. In het boek “Kan een Christen verloren gaan?” (A. Remmers), staat het volgende commentaar: <<De plaats betekent niet beslist dat een gelovige door het plegen van bepaalde zonden het eeuwig heil zou kunnen verliezen. Uit de genade vallen betekent zich uit het gebied van de genade van God binnen het toepassingsgebied van de wet te begeven (zie Rom. 5:2; 1 Petr. 5:12). Wie – zoals de ontvangers van de brief aan de Galaten – voor de wet van de Sinaï en het houden van zijn voorschriften als leidraad voor zijn geloofsleven kiest, verlaat de genade als grondslag van zijn relatie met God en is daarmee van de genade vervallen. Ook hier zien we het weer, hoe belangrijk het is rekening te houden met de context om een juist begrip te krijgen. De gelovigen in Galatië waren in groot gevaar om zich aan de Joodse wet als richtsnoer voor het leven te onderwerpen, nadat ze door het geloof in het werk van Christus gered waren. Paulus waarschuwt hen zeer ernstig, maar met weinig succes, want het grootste deel van de Christelijke wereld houdt tot op vandaag nog steeds de Tien Geboden als ideaal richtsnoer voor het leven>>.

Passages uit de brief aan de Hebreeën

De Hebreeënbrief wordt vaak gebruikt om de eeuwige zekerheid van de Christenen in twijfel te trekken. In veel gevallen echter wordt het specifieke karakter van deze brief genegeerd. De Hebreeënbrief was gericht aan Joden die in Palestina woonden. Daar was na Pinksteren een enorme opwekking, duizenden werden Christen. Opmerkelijke tekenen en wonderen gebeurden door de handen van de apostelen. Men kan zich gemakkelijk voorstellen, dat sommigen werden aangetrokken door de nieuwe leer, zonder zich echt te bekeren (zoals Simon de tovenaar in Hand. 8:13 v.v.). Toen de Christenen echter door de ongelovige Joden vervolgd en verdrukt werden, begon zich het kaf van het koren te scheiden. Degenen die alleen zich uiterlijk tot Christus gewend hadden, keerden snel naar het Jodendom terug om aan de enorme druk te ontsnappen. De schrijver van de brief waarschuwt heel duidelijk voor dit afval. Met de waarschuwing wendt hij zich direct tot de loutere belijder – maar ook tot de waarachtige gelovigen om hen tegen elke stap in deze richting te beschermen.

De Hebreeënbrief zou niemand in twijfel storten, maar tot de volle zekerheid leiden (Hebr. 6:11; 10:22). Het is ook opmerkelijk dat juist deze brief van het eeuwige heil, de eeuwige verlossing, het eeuwige erfgoed en het eeuwig verbond spreekt (5:9; 9:12; 9:15; 13:20).

In Hebreeën 3 vers 12, en 6 vers 6 is van afval sprake – maar niet van de gelovigen, maar van de ongelovige belijders. Want volgens Hebreeën 3 vers 12 is iemand die afvalt, iemand die een boos, ongelovig hart heeft. En direct na deze verzen zegt de schrijver: “Want wij, die geloofd hebben, gaan in de rust” (Hebr. 4:3).

Ook in Hebreeën 6 vers 6 gaat het louter om belijders. In de verzen 4 en 5 wordt beschreven, welke ervaringen zij gehad hebben, die afgevallen zijn. Het onderwerp is de uiterlijke verbinding tot het christendom en niet de eeuwige zegeningen van een Christen.

  • Ze waren “verlicht” geweest. Toen Christus in de wereld kwam, werden de mensen door Hem verlicht, dat betekent in het licht van God gesteld (Joh. 1:9). Maar velen grepen het licht niet aan (Joh. 1:4-5). Het is een andere zaak wanneer God licht in het hart van een mens laat schijnen en iemand “licht in de Heer” wordt (2 Kor. 4:6; Ef. 5:8).
  • U hebt “de hemelse gave” geproefd. Iets te proeven of te proberen is niet gelijk aan iets je eigen maken. Christus is het levende Brood uit de hemel. Wie van dit brood eet (en niet alleen proeft!), zal leven in eeuwigheid (Joh. 6:51; zie ook vs. 56).
  • Ze waren “de Heilige Geest deelachtig geworden”. Het zelfstandig naamwoord van het Griekse woord voor “deelgenoot” wordt elders vertaald als “partijgenoot”. En dat laat zien waarom het gaat: Deze mensen waren medegenoten van de Heilige Geest doordat zij zich op het terrein bevonden, waar Zijn grote werkzaamheid zich ontvouwde. Iets heel anders is het, wanneer de Geest in het hart van een mens gegeven wordt en zijn lichaam de tempel van de Heilige Geest kan worden genoemd (2 Kor. 1:22;. 1 Kor. 6:19).
  • U hebt “het goede woord van God geproefd”. Maar we lezen niet dat ze door het Woord van God wedergeboren zijn (zie 1 Petr. 1:23).
  • U hebt de “krachten van de toekomstige eeuw geproefd”. Men kan wonderen beleven en daardoor innerlijk onder de indruk komen en zich toch niet bekeren.

Wanneer deze mensen, die zo duidelijk goddelijke kracht hadden ervaren – zoals dit vandaag niet het geval is – weer in de schoot van het Jodendom terugkeerden, was er voor hen geen bekering meer mogelijk (Hebr. 6-8). Ze hadden zich bewust aan de kant van het volk gesteld, dat Christus gekruisigd had, en daarmee openlijk getuigd dat het doden van Jezus terecht was gebeurd. Hiermee overschreden zij een goddelijke grens en konden geen genade meer vinden. Deze historische eenmalige situatie mogen we  niet eenvoudig op vandaag toepassen.

Degenen die zeggen dat gelovigen verdoemd kunnen worden, spreken er vaak over dat men zich meerdere malen bekeren kan. Een broeder meende zelfs dat hij zich honderd keer bekeerd had! In de Schrift vinden we echter geen voorbeeld daarvan, dat iemand zich ook maar twee keer zou hebben bekeerd. En als je deze gedachten bewijzen wilt met Hebreeën 6, heb je een probleem: De tekstplaats zegt, dat er voor de afvallige geen weg terug meer is! Een “tweede bekering” vind je in Hebreeën 6 niet! We merken ook op dat juist in dit gedeelte de ware Christenen bemoedigd worden: “Maar, geliefden, wij zijn wat u betreft overtuigd van de betere en met [de] behoudenis verbonden dingen, ook al spreken wij zo” (Hebr 6:9).

Hebreeën 10 vers 26-31 heeft dezelfde achtergrond. Het gaat over Joden die beleden hadden te geloven in het offer van Christus, maar daarna weer naar het Jodendom met zijn offerdienst terugkeerden. Wie zo de Zoon van God met voeten trad, nam het karakter aan van een tegenstander van God en had alleen het oordeel te verwachten. Kort daarna toont de schrijver wederom, wat voor de gelovigen geldt: “Wij echter behoren niet tot hen die zich onttrekken tot verderf, maar tot hen die geloven tot behoud van [de] ziel” (Hebr. 10:39).

In Hebreeën 10 vers 26 v.v. worden enkele dingen genoemd, die tot de conclusie hebben geleid, dat de schrijver ware Christenen op het oog had. Want:

  • De schrijver van de brief sluit zichzelf mee in en zegt: “Want als wij moedwillig zondigen …” (vs. 26). Echter het gebruik van het woord “wij” maakt eenvoudig duidelijk, dat de schrijver een principe wil vaststellen die van toepassing is op degenen die belijden Christen te zijn. Dit idee vinden we op vele plaatsen in de Schrift, bijvoorbeeld in 1 Johannes 1 vers 6,8,10.
  • De afvalligen hadden “kennis van de waarheid” (vs. 26). – Maar kennis kan men in het hoofd hebben, zonder dat het hart veranderd wordt. Men kan iets kennen zonder de juiste conclusies eruit te trekken (zie Rom. 1:32).
  • De afvalligen waren geheiligd door het bloed van het verbond (vs. 29). Met “heiliging” wordt op vele plaatsen een innerlijke afzondering voor God bedoeld (bv. 1 Kor. 6:11), maar bij enkele slechts een uiterlijke afzondering. Deuteronomium 7 vers 6 en 1 Korinthe 7 vers 14 bewijzen dat. En zo is het ook in Hebreeën 10. Het gaat om het bloed van Jezus als zegel en grondslag van het nieuwe verbond met het Joodse volk, en niet om de afwassing van zonden door het bloed van Christus, zoals in Openbaring 1 vers 5.

2 Petrus 2 vers 20-22 sluit het gedeelte af, dat begint met de waarschuwing tegen dwaalleraren (vs. 1). Er worden mensen beschreven die de bevlekkingen van deze wereld ontvlucht waren en de weg van de gerechtigheid gekend hadden, en zich toch van het Woord van God afwendden, om zich nog erger dan voorheen aan hun excessen over te geven. Deze mensen waren in eerste instantie geboeid door de Christelijke leer en pasten hun gedrag daarop aan. Maar omdat het geen zaak van het hart was, kon het niet iets van lange duur zijn. Zij kenden de weg van de gerechtigheid, maar ze hadden Hem nooit liefgehad. “Hun is overkomen wat het ware spreekwoord zegt: ‘[De] hond is teruggekeerd naar zijn eigen braaksel’, en: ‘[De] gewassen zeug tot [het] wentelen in [de] modder” (vs. 23). Dit citaat illustreert dat zij zich alleen uiterlijk en niet innerlijk veranderd hebben. Men kan een varken uit de modder trekken, brandschoon schrobben en zijn staart met een strik versieren – maar een varken blijft een varken met de liefde voor modder. Zijn natuur is onveranderd, en dat zal vroeg of laat te zien zijn. De valse leraren hadden nooit berouw, hun zielen waren niet gereinigd en daarom bleef hun liefde tot de zonde ongebroken.

Passages uit Openbaring

In de zogenaamde zendbrieven wordt aan de overwinnaars beloften gegeven (Openb. 2:7,11,17,26-28; 3:5,12,21). Wie niet overwint, zal deze zegeningen niet ontvangen en de tweede dood ondergaan (verg. 2:11). Dat is waar; maar je mag er niet aan voorbijgaan, dat het kenmerk van een ware gelovige is om te overwinnen. Johannes, de schrijver van Openbaring, getuigde dat in zijn eerste brief: “Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning die de wereld overwonnen heeft: ons geloof. Wie is het <nu> die de wereld overwint, dan wie gelooft dat Jezus is de Zoon van God?” (1 Joh. 5:4,5). Het gaat bij de tekstplaatsen in Openbaring om onze verantwoordelijkheid en niet om de eeuwige zekerheid van de gelovigen. Dit mag niet worden afgezwakt! Maar als je met deze bijbelgedeelten angst aangejaagd wordt, is de aanwijzing noodzakelijk, dat gelovigen (principieel) overwinnen, omdat ze nieuw leven en geloof hebben.

Gods Woord is volmaakt. Het toont de genade van God en leidt de gelovigen naar een vreugdevolle zekerheid, terwijl zij gelijktijdig ook gewezen worden op de verantwoordelijkheid van de mens. Zo worden de onverschilligen gewaarschuwd en de angstigen getroost.

Bibelstudium.de, © Gerrid Setzer

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol