13 jaar geleden

Jonathan. Een goed belovende start (14)

Jonathan – een goed belovende start

1 Samuël 17; 1 Samuël 18:1-4

Voordracht 6b

Terugkerend tot onze tekst lezen we: “En Isaï zei tot zijn zoon David: Neem toch voor uw broeders een efa van dit geroost koren, en deze tien broden, en breng ze met spoed in het leger tot uw broeders. Maar breng deze tien melkkazen aan de oversten over duizend; en gij zult uw broeders bezoeken, of het hun welga, en gij zult van hen pand meenemen” (1 Samuël 17:17-18). Deze vader die zijn zoon naar zijn broers zond om te vragen hoe het met hen ging, herinnert ons aan dat prachtige vers: “En wij hebben aanschouwd en getuigen, dat de Vader de Zoon gezonden heeft als Heiland van de wereld” (1 Johannes 4:14). God keek naar beneden op dit toneel dat wereld heet, waar de duivel alle mensen in zijn macht had gebracht, en heeft Zijn eigen veelgeliefde Zoon als Redder naar deze aarde gezonden. Ongetwijfeld is David hier een treffend voorbeeld van onze Heere Jezus. Het vorige hoofdstuk vertelt ons iets over hem. Ik lees van Hem die wijst naar de Heere Jezus: “hij nu was roodachtig, alsook schoon van ogen en schoon van aanzien” (1 Samuël 16:12).

Samuël was door God onderwezen en zalfde David tot koning over Israel; maar de gezalfde koning was onbekend bij zijn volk. Hoewel door God bestemd tot bevrijder van het volk, kwam hij pas op het toneel toen Israel zich overgeleverd zag aan de totale macht, die tegen het volk opgestaan was. Toen pas zond de vader de zoon en David kwam in het leger met het onderpand van de liefde en zorg van zijn vader in zijn hand en vroeg naar de welstand van zijn broers.

“Toen hij met hen sprak, ziet, zo kwam der kampvechter op; zijn naam was Goliath, de Filistijn van Gath, uit het heer der Filistijnen, en hij sprak overeenkomstig die woorden; en David hoorde ze”. Maar David zag evengoed als hij hoorde, want “Doch alle mannen in Israël, toen zij die man zagen, zo vluchtten zij voor zijn aangezicht, en zij vreesden zeer” (vers 22-24). David leert nu de stand van zaken kennen. “En de mannen van Israëls zeiden: Hebt gij die man wel gezien, die opgekomen is? Want hij is opgekomen, om Israel te honen; en het zal geschieden, dat de koning die man, die hem slaat, met grote rijkdom verrijken zal, en hij zal hem zijn dochter geven, en hij zal het huis van zijn vader vrijmaken in Israël”. Dat was een mooie belofte voor ieder, die het durfde te wagen het strijdperk binnen te treden; maar niemand wilde het tegen deze reus opnemen. “Toen zei David tot de mannen, die bij hem stonden, zeggende: Wat zal men die man doen, die deze Filistijn slaat, en de smaad van Israel wendt? Want wie is deze onbesneden Filistijn, dat hij de slagorden van de levende God zou honen?” (vers 26).

Bij deze woorden ontbrandde de toorn van Eliab, zijn oudste broer, tegen hem en hij zei: “Waarom zijt gij nu afgekomen, en onder wie hebt gij de weinige schapen in de woestijn gelaten? Ik ken uw vermetelheid, en de boosheid van uw hart wel; want gij zijt afgekomen, opdat gij de strijd zoudt zien” (vers 28). Strijd? Er was geen strijd te zien; niemand wilde vechten. Denk je dat er een strijd tussen jou en de duivel plaats vindt, zolang hij je vast in zijn hand heeft? Nee, daar is geen strijd. Zolang jij niet tot God bekeerd bent, zal hij je leiden en je niet uitdagen, zolang hij je superieur is. Waarom ging Eliab dan niet strijden? Hij was ook bang en toen er eindelijk een bevrijder op het toneel verscheen, wees hij hem terug. Het was zeker een eigenaardige vraag die hij stelde, “Waarom ben je nu gekomen?” Zie, mijn vrienden, dit is maar een beeld van hoe men de Heer Jezus ontving. God zond Zijn Zoon in de wereld en wat deden de mensen? “Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem geworden, en de wereld heeft Hem niet gekend. Hij kwam tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen” (Johannes 1:10-11). De Zoon van God kwam in de wereld en de mensen wilden Hem niet. Maar Hij wil jou. Hij wil jouw hart. Hij kwam niet naar beneden om de strijd te zien, maar om de mensen te redden die zeker voor eeuwig verloren zouden zijn gegaan als Hij niet gekomen was. Hij kwam als Bevrijder. God heeft Zijn Zoon, Zijn eigen eeuwige Zoon, in een wereld gezonden waarin ieder mens door de zonde verdorven was, “opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft” (Johannes 3:16). Je moet verloren gaan wanneer je geen eeuwig leven hebt. Wie je ook bent, rijk of arm, geleerd of ongeleerd, je moet verloren gaan. Maar wat betekent “verloren gaan”? God geve dat je nooit zult weten wat dat betekent. Het is iets verschrikkelijks, anders zou de Zoon van God niet in deze zondige wereld gekomen om mij ervan te bevrijden. Het is de “buitenste duisternis”, de plaats waar “de worm nimmer sterft” en waar “het vuur onuitblusbaar is”. Ik smeek je: Ga niet verloren. Haal je deze verlorenheid niet op de hals door dwaasheid, door ongeloof, door nu de genade van God te verachten. Eliab verachtte zijn bevrijder; wandel niet in zijn voetstappen.

Het antwoord van David aan zijn broer is erg ontroerend. “Toen zeide David: Wat heb ik nu gedaan? Is er geen oorzaak?” (vers 29) Waarom, zo vraagt hij, zou ik niet gekomen zijn? Ga jij dan Eliab, en ontmoet deze reus. Gaat u dan Saul, en ontmoet deze reus. Ga jij dan Jonathan, en ontmoet deze reus. Maar nee, geen van hen wil dat doen, en David zegt heel eenvoudig: “Is er geen oorzaak?” [geen reden – vertaler]. Was er geen oorzaak, een dringende noodzaak voor de komst van de Heer Jezus? Ja, die was er.

Toen David vervolgens naar Saul gebracht werd, zei hij: “Aan geen mens ontvalle het hart, om zijnentwil. Uw knecht zal heengaan en hij zal met deze Filistijn strijden” (vers 32). Hoe lijkt dit woord toch op wat geschreven staat van de Heer Jezus: “Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken van de duivel zou verbreken” (1 Johannes 3:8). De gezegende Zoon van God betrad dit toneel en werd Mens daar, waar de mens gezondigd had, en waar satan vanwege de zonde van de mens macht over hem kreeg, want door de zonde kreeg de dood macht over de mens in de wereld. In deze toestand kwam de Zoon van God in genade, en werd Mens om voor zulken te kunnen sterven die onder de macht van de dood waren. Wij moeten sterven omdat wij zondige mensen zijn. De Heer Jezus werd Mens – een zondeloos Mens – om te kunnen sterven voor anderen en hen te kunnen bewaren voor de consequenties van de zonde. “Aan geen mens ontvalle het hart, om zijnentwil. Uw knecht zal heengaan en hij zal met deze Filistijn strijden”.

Verzekerd van de overwinning maakte David zich klaar om de reus te ontmoeten. En Saul kleedde David met zijn klederen, en zette een koperen helm op zijn hoofd, en kleedde hem met een pantser. En David gordde zijn zwaard aan over zijn klederen, en wilde gaan; want hij had het nooit beproefd. Toen zeide David tot Saul: “Ik kan in deze niet gaan, want ik heb het nooit beproefd; en David legde ze van zich” (vers 38-39).

Saul rustte hem uit met zijn nieuwste wapenrusting maar David zei: Neen, dat deugt niet voor mij. Menselijke wapenuitrusting is niet toereikend voor de strijd van God en het menselijk verstand zal de waarheid van God niet begrijpen.

Wordt D.V. vervolgd)

Vertaling: Frisse Wateren – rm

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol