6 maanden geleden

Job 39 vers 36-38

“Toen antwoordde Job de HEERE en zei: Zie, ik ben te gering; wat zou ik U antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond. Eén keer heb ik gesproken, maar ik zal niet antwoorden; twee keer, maar ik zal niet verdergaan” (Job 39:36-38)

Job is voor God tot niets gebracht en voegt hieraan toe: vernedering met betrekking tot zichzelf en met vertrouwen op God; want alleen maar een vernedering van de mens is hopeloos, tenzij het hart zich met vertrouwen tot God wendt.

Dit is erg belangrijk in onze praktische wandel. Neem bijvoorbeeld het principe van afzondering, zonder welke geen echte heiligheid bestaat. Maar wat is de waarde van de afzondering, als het niet voortkomt uit de gemeenschap met God? Wees ervan verzekerd dat het geen klein gevaar is, wanneer mensen de gewoonte hebben gekregen om te hameren op afzondering, zonder stil te staan bij zijn enige goddelijke kracht. Gescheiden van die genadige bron en motief, wordt het niet alleen hol, maar echt weerzinwekkend. Dezulken die door een dor principe gevormd zijn, zijn slechts Farizeeën, in plaats van getuigen van Christus, “de Heilige, de Waarachtige” (Openb. 3:7). Het is dus van groot belang dat we altijd niet alleen de uiterlijke openbaring moeten hebben, maar de wortel die alleen goddelijk sap en werkelijke kracht geeft.

Hier hebben we dan, in het geval van Job, beiden gemanifesteerd – zijn eigen ‘geringheid’, maar ook zijn vertrouwen in God; en het was het laatste, waarvan we heel zeker kunnen zijn, die hem zijn ‘verdorvenheid’ deed gevoelen en erkennen. Gods genade is de kracht. Het laatste waar een mens toe komt, is dat hij slecht over zichzelf denkt.

W. Kelly

O Heer, Uw liefde is onbegrensd, zij is fris, zo vol, zo vrij;
Mijn ziel komt in vervoering als ik aan U denk.
Toch, Heer, helaas, wat een zwakheid vind ik in mezelf;
De omzwervingen in mijn binnenste zijn talrijker dan de wisselende pleziertjes van een kind.

J.N. Darby

© The Lord is near

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol