2 weken geleden

Jezus Christus, de Zondendrager

“… die Zelf onze zonden in Zijn lichaam heeft gedragen op het hout …” (1 Petr. 2:24).

Dit vers uit de brief van Petrus leidt de gedachten naar Golgotha, waar de Heer Jezus verhoogd van deze aarde, in de drie uren van duisternis onder het oordeel van God de drager van de zonden was en de zonden van velen gedragen heeft (Hebr. 9:28).

Voorwaarden

Voordat we ons met de Zondendrager als zodanig bezighouden, willen we eerst op een belangrijke voorwaarde wijzen, dat zonden alleen door een mens plaatsvervangend gedragen kunnen worden, wanneer deze zelf zonder zonde is. Deze vooronderstelling is alleen te vinden in de Mens Jezus Christus, de Zoon van God. Daarom lezen we in Gods Woord dat Hij “geen zonde” heeft gedaan (1 Petr. 2:22), dat Hij “geen zonde gekend heeft” (2 Kor. 5:21) en “in Hem is geen zonde” (1 Joh. 3:5). Drie verschillende, door God gebruikte en geïnspireerde schrijvers van het Woord van God geven ons getuigenis daarover, dat Hij volkomen rein was. Vanuit dit gezichtspunt vinden we ook de Heer Jezus als het Lam, dat vlekkeloos en onbesmet geopenbaard is (1 Petr. 1:19). Dit vers geeft ook nog een bevestiging van wat al genoemd is: dat Hij zonder gebrek was. Dit zo belangrijke feit van de zondeloosheid van de Heer Jezus is een belangrijke voorwaarde, dat Hij in het oordeel van God, in overeenstemming met de heilige en rechtvaardige eisen van God, als Zondendrager voor God kon verschijnen.

De betekenis van de Zondendrager ligt daarin, dat Hij zonden op Zich laat leggen en deze dan plaatsvervangend voor God draagt. Ieder die tot bekering en belijdenis van de Heer Jezus is gekomen, die zijn zonden aan Hem beleden heeft, kan nu naar Golgotha kijken en weten dat zijn zonden daar in het oordeel plaatsvervangend door Jezus Christus, de Zondendrager, gedragen en door Zijn offerdood eens voor altijd weggedaan werden (Hebr. 10:14). De Zondendrager is voor de gelovige tegelijkertijd ook de Plaatsvervanger.

De zonden van wie?

Als we nu de Zondendrager als zodanig voor ons hebben, willen we eerst nadenken van wie Hij de zonden plaatsvervangend op het hout heeft gedragen. Ook hierover geeft het vers uit de brief van Petrus ons informatie. De apostel drukt het in de woorden “onze zonden” uit. Door het voornaamwoord “ons” wordt duidelijk wiens zonden het waren: het waren de zonden van mensen geweest, die de Heer Jezus in geloof hebben aangenomen. Het zijn niet de zonden van alle mensen – alhoewel het werk op zich daarvoor toereikend is – maar alleen van degenen, die in Hem geloven en met belijdenis van zonden tot God gekomen zijn.

De Geest van God spreekt deze waarheid ook uit in andere bijbelverzen, doordat Hij spreekt over de “velen”, in plaats van “allen” (Hebr. 9:28; Mark. 10:45, Jes. 53:12b). Zo toont Hij aan, dat Christus alleen de Zondendrager en Plaatsvervanger is van degenen die in Hem geloven. Dit impliceert dat de apostel Petrus ook zichzelf en de ontvangers van de brief, de vreemdelingen in de verstrooiing, die in Jezus Christus geloofden, met “onze” benoemt.

Wat heeft Hij gedragen?

Dit brengt ons naar een ander onderwerp van het bovengenoemde vers, waaruit we kunnen zien wát de Zondendrager Jezus Christus gedragen heeft. Uit het Woord van God weten we, dat de Heer Jezus in de drie uur van duisternis tot zonde, tot het principe van de zonde, gemaakt is (2 Kor. 5:21). Maar hier in de brief van Petrus hebben we een andere kant voor ons, die tegelijkertijd plaatsvond en ook van fundamenteel belang is. We zien hier, dat de Heer Jezus de zonden gedragen heeft. Dit zijn allemaal zondige handelingen, gedachten en woorden, die we hebben gedaan, gedacht en gezegd en uit eigen wil uitgeleefd hebben.

Zo werd elke kwade daad, elke kwade gedachte die niet gevangen genomen werd en tot zonde geworden is, elk kwaad woord, elke handeling die in strijd was met Gods wil en die door God als zonde aangewezen moest worden, op de Heer Jezus, het reine en vlekkeloze Lam, gelegd in de drie uur van duisternis. Dus ál onze zonden waren het die God op Hem legde. Er is geen zonde van de gelovige, die de Heer Jezus niet gedragen heeft.

Waar heeft de Heer de zonden gedragen?

Nu komen we tot een aspect, dat uitdrukt waar de Heer Jezus onze zonden gedragen heeft. Ten eerste vinden we in de Brief aan de Hebreeën dat Hij Zich een lichaam had laten toebereiden (Hebr. 10:5) – een lichaam, dat helemaal zondeloos was. Toen Hij in de drie uur van duisternis als Zondendrager onder het oordeel van God kwam, werden onze zonden op de Mens Jezus Christus gelegd, Die deze vervolgens in Zijn lichaam droeg. In dit lichaam, waarin Hij in reinheid over deze aarde liep, droeg Hij alleen onze zonden. “Want rampen, niet te tellen, hebben Mij omvangen; mijn ongerechtigheden hebben mij getroffen, en ik heb ze niet kunnen overzien. Zij zijn machtig veel, meer dan de haren van mijn hoofd …” (Ps. 40:13). Het waren onze zonden, die Hem nu bereikt hadden. God heeft ze op Hem gelegd, en Hij heeft ze in Zijn lichaam gedragen.

Tenslotte vinden we dat de Heer Jezus als Zondendrager de zonden in Zijn lichaam op het hout gedragen heeft. Met de woorden “op het hout” wordt uitgedrukt, dat Hij onze zonden op het kruis, dat uit hout vervaardigd was, droeg en daar ook daar het offer voor die zonden heeft gebracht. Naast dit ‘plaatselijk’ aspect – op het hout – kan men daaruit tegelijk ook een ‘tijdelijk’ aspect ontlenen, wanneer Hij onze zonden gedragen heeft. “En toen [het] zesde uur was gekomen, kwam er duisternis over het hele land tot [het] negende uur” (Mark. 15:33). Tot het zesde uur had de Heer Jezus al drie uur op het kruis gehangen (Mark. 15:25-32). Maar Hij had nog geen enkele zonde gedragen en was door God nog niet verlaten. Hij leed op dat moment van de zijde van de mensen, die al hun haat en minachting voor de Heer Jezus aan het kruis tot uitdrukking brachten, wat een diepe smart voor Zijn ziel betekende.

3 uren

Maar toen kwam het zesde uur. Daarmee begon aan het kruis de tweede tijdsperiode, waarover de Bijbel bericht en die drie uren – en tot het negende uur – duurde (Luk. 23:44). In deze drie uren heerste een duisternis over het hele land, en de Heer Jezus werd door een heilig en rechtvaardig God tot zonde gemaakt en met onze zonden beladen. God moest Zich in deze drie uur van Hem afwenden en Hem verlaten (Ps. 22:4). Hij kon als de Heilige nu geen gemeenschap meer met de Heer Jezus hebben. Op grond van dit feit, dat God in deze drie uren de Heer Jezus verliet, weten we, dat Hij in deze tijdsperiode, op het hout, de Zondendrager was en onze zonden droeg.

Hoezeer heeft Zijn reine ziel in deze ogenblikken geleden, toen onze zonden, de ‘modder’, op Hem gelegd werden. God kon Zich niet tot de Heer Jezus wenden. Hij moest Hem voor onze zonden straffen (Jes. 53:5,6) – zonden die Hij nooit gedaan had, maar die Hij in Zijn liefde op Zich leggen liet. Ten slotte heeft Hij Zijn leven – als Mens – uitgegoten in de dood en het offer voor zonden gebracht (Jes. 53:12; Hebr. 9:28). Dit zondoffer was noodzakelijk om onze zonden voor altijd voor de ogen van God te verwijderen (Ps. 103:12). Nu zal Hij de zonden van de gelovigen nooit meer gedenken (Hebr. 10:17).

Moge het lijden van de Heer Jezus voor onze zonden meer voor onze harten staan, om daardoor meer een leven van praktische reinheid te leven en aan de zonden af te sterven. Als het bewustzijn van het lijden van de Heer Jezus voor onze zonden in onze harten groeit, zal het ons ertoe leiden een afkeer van de zonde te ontwikkelen en ons er van distantiëren. Zo sterven wij praktisch af van de zonden.

Manuel Walter, © www.bibelpraxis.de

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol