11 jaar geleden

Jezus Christus … de Amen … (1)

Zoals in de andere zes zogenaamde zendbrieven in Openbaring 2 en 3 heeft de manier waarop Christus zich aan de toenmalige gemeente voorstelt, een grote betekenis. Aan de ene kant openbaart Hij daarmee Zijn persoonlijke heerlijkheden, aan de andere kant echter wordt daardoor duidelijk, waarin de toenmalige gemeente in het bijzonder gefaald heeft. Bij de overdenking van de afzonderlijke drie titels wordt ons dit zeker duidelijk.

Met drie indrukwekkende titels stelt de Heer Jezus zich aan het begin van zijn boodschap aan de gemeente van Laodicéa voor:

“En schrijf aan de engel van de gemeente in Laodicéa: Dit zegt

  • de Amen;
  • de trouwe en waarachtige getuige;
  • het begin van de schepping van God”.

Openbaring 3:14

Alle beloften van God “in en door Christus”

“Amen”, een uit het Hebreeuws overgenomen woord, betekent zoveel als “waarlijk” (zo wordt het woord in de grondtekst ook dikwijls vertaald), “vast”, “zeker”, of ook: “betrouwbaar”, “trouw”. Met het oog op deze titel van onze Heer lezen we in 2 Korinthe 1:19-20: “Want de Zoon van God, Jezus Christus, die onder u door ons gepredikt is, … was niet ja en nee, maar in Hem is het ja; daarom is ookk door Hem het amen, tot heerlijkheid van God door ons”.

Paulus kan dit zo zeggen, omdat op grond van het volbrachte werk van Jezus aan het kruis van Golgotha alle beloften van God – zijn gehele raadsbesluit – vervuld worden. Door Christus spreekt God om zo te zeggen Zijn “Amen” uit ten opzichte van al Zijn voornemens, ja meer nog: Christus zelf is het Amen van God.

  • Denken we daarbij aan onze geestelijke zegeningen, aan onze wonderbare positie voor God: we hebben het alleen “in Christus” (Efeze 1:3 v.v.).
  • Als het gaat om de vervulling van de beloften van God aan Israël, om de zegeningen van het “nieuwe verbond”: Zij zijn vast en zeker, omdat het bloed van jezus vergoten is (Hebreeën 8:6 v.v.).
  • En denken we aan de voornemens van God met het oog op de aarde: Zij vinden eveneens in de Heer Jezus hun vervulling (Openbaring 21:5-6).

Al heeft de mens ook in alle tijden door zijn ontrouw altijd weer de voornemens van de zegeningen van God gehinderd, verhinderen kan hij ze niet. Niet eens satan, de grote tegenspeler van God, kan dit. Christus zelf, de “Zoon van God”, heeft het in de hand genomen, de voornemens van God te vervullen. En omdat Hij daarvoor de garantie is, zal uuiteindelijk alles tot “heerlijkhjeid van God” leiden. Want: “en het welbehagen des Heeren zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan” (Jesaja 53:10).

De stralende heerlijkheid van Jezus voor een donkere achtergrond

Ook wij Christenen hebben ons zeker te schamen voor onze ontrouw en ons falen. Want de gemeente zou als verantwoordelijk getuigenis van God op aarde onvoorwaardelijk het haar door God “toevertrouwde goed”, Zijn waarheid, vasthouden en trouw beheren moeten. Maar als geheel heeft ze dat niet gedaan. En Laodicéa toont ons profetisch het treurige hoogtepunt in de eindfase van het Christelijk getuigenis: aan de ene kant lauwheid en onverschilligheid tegenover Christus en Zijn rechten; aan de andere kant echter zelfvoldaanheid en zelfgenoegzaamheid alsook absolute blindheid over de eigen morele toestand (Openbaring 3:15-17).

Tekent zich niet voor deze donkere achtergrond de volkomenheid en heerlijkheid van onze Heer, zoals dit in de titel “de Amen” tot uitdrukking komt, des te duidelijker af? En ligt tegelijk ook niet een grote troost voor ons in het feit, dat God in Christus toch tot Zijn doel komen en Zich verheerlijken zal? Daar, waar wij mensen door onze zonden alles verloren hebben, waar ook de gemeente als verantwoordelijk getuigenis opp aarde gefaald heeft, neemt Christus als “de Amen” als het ware onze plaats voor God in. En op de grondslag van een volbracht verlossingswerk stelt Hij voor ons toch alle toezeggingen van God veilig, maakt Hij alle beloften van God “vast en zeker”. En God heeft dit recht gedocumenteerd [op feiten berustend – vertaler], doordat Hij Hem heeft opgewekt, Hem een plaats aan Zijn rechterhand gegeven en Hem het gehele oordeel over gegeven heeft.

Het “Voorwaar, voorwaar” in de evangeliën

Worden we ons bij het overdenken van deze titel niet ook vernieuwd bewust, welke volmacht in de woorden van de Heer ligt, wanneer Hij bij bepaalde gelegenheden Zijn toespraak met een “Voorwaar, voorwaar”, respectievelijk “Amen, Amen”, inleidt (zie bijvoorbeeld in Johannes 1:51; 3:3,5,11; 5:19; 6:47; 8:58 en andere plaatsen in het Johannes-evangelie)? Alleen Hij, de Mens geworden Zoon van God, kon met recht zo spreken. Niet alleen dat Jezus door deze plechtige inleiding de opmerkzaamheid van Zijn toehoorders verhogen en op de bijzondere belangrijkheid van de nu volgende woorden wijzen wilde. Veelmeer maakte Hij hierdoor ook ondubbelzinnig duidelijk, dat Hij met Goddelijke volmacht sprak. Want de Joden kenden zeker ook het vers uit de profeet Jesaja, waar God, de Heere, een “God van trouw” of “God der waarheid” (letterlijk “God van de Amen”) genoemd wordt (Jesaja 65:16). Zo maakt de Heer ook duidelijk, dat Hij Zelf God is en hier op aarde woorden gesproken heeft, die volkomen waar zijn en ook met absolute zekerheid vervuld worden.

Draagt onze Heer niet inderdaad met recht deze wonderbare titel “de Amen”?

De kring sluit zich, wanneer we aan de zichtbare verschijning van Jezus ter oprichting van Zijn rijk denken. Openbaring 19:11 v.v. schildert ons dit tafereel. En van de vele namen, die de Overwinnaar en Voleinder op het witte paard hier draagt, wordt helemaal aan het begin genoemd: “Getrouw en Waarachtig” of juist “de Amen”.

Wordt vervolgd met: “Jezus Christus, de getrouwe en waarachtige getuige …”.

Wolfgang Kleine, © Folge mir nach

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol