6 jaar geleden

Jeremia (1) – de vragende profeet

Jeremia heeft in zijn dienst veel geleden, maar hij bleef toch trouw aan zijn opdracht. Het hinderde hem niet aan God, zijn ‘Opdrachtgever’, vragen te stellen, die hem bezighielden, ja hem kwelden. Zeven maal komt hij bij God met een “waarom?” – Waarom-vragen die ook ons bezig kunnen houden, die gewoonlijk ook heel begrijpelijk zijn, maar die niet tot een aanklacht tegen God mogen worden.

1. Waarom geneest God niet het lijden van het volk van God (Jer. 8:22)?

De ellendige toestand van het volk van God laat Jeremia niet koud. Hij is ziek van verdriet, hij weent over de gesneuvelden – en gevoelt gelijk de noodzaak zichzelf van de massa van het trouweloze volk te distantiëren (8:18-9:1). Dit dilemma laat in hem de vraag omhoogkomen: “Is er geen balsem in Gilead? Of is er geen geneesheer daar? Want waarom is er dan geen herstel opgetreden bij de dochter van mijn volk?” (8:22). Zweeg God toen en zwijgt Hij nu over de situatie van het volk van God? Ja en neen. Ja, want God wil Zijn volk tot omkeer brengen en daarom geeft Hij vaak “geen medicijnen” ter genezing (30:13). Neen, want aan het einde zal Hij “het herstel en genezing” van Israël zeer zeker bevorderen (33:6). – en ook vandaag schenkt Hij bij echte vernedering ook de verhoging op Zijn tijd (1 Petr. 5:6). Laten we in de houding van Jeremia meevoelen, bidden en onszelf van het kwade distantiëren!

2. Waarom gaat het de goddelozen goed (Jer. 12:1)?

De mannen van zijn geboortestad Anathoth hebben geprobeerd om Jeremia van het leven te beroven – en kwamen daarbij zonder kleerscheuren ervan af. Daarover klaagt Jeremia bij zijn God. Uiterlijk gezien leek hun optreden ook nog onder Gods bescherming te staan (vs. 2). Wie zou niet kunnen instemmen met de vragen van Jeremia? Soms stuurt God zelfs mensen in onze omgeving – “mensen van deze wereld” – om ons door hen te beproeven, terwijl ze zelf in overvloed leven (Ps. 17:14,15). Maar het einde van deze mensen is verderf (verg. 11:22), terwijl wij weten: De Heer zal ons zeker aan het einddoel brengen (Fil. 3:19-21). Laten wij Hem vertrouwen, ook wanneer wij soms uiterlijk aan het kortste eind trekken!

3. Waarom volgt God Zijn volk op afstand (Jer. 14:8,9)?

Het is voor de wenende profeet duidelijk, dat de ongerechtigheden van het volk voor God oorzaak zijn tot handelen. Maar hij vraag twijfelend, waarom God zelfs alleen nog maar “om te overnachten” bij Zijn volk blijft en Zich gedraagt “als een held die niet verlossen kan”. “U bent toch in ons midden, HEERE, en wij zijn naar Uw Naam genoemd” (vs. 9). Kon Jeremia toen, kunnen wij vandaag de tegenwoordigheid van de Heer vorderen, eisen, als een grondrecht voor altijd? God is werkelijk barmhartig en genadig, geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw (Ex. 34:6), maar wanneer wij persoonlijk of ook gemeenschappelijk ons blijvend tegenover Zijn wil verzetten, trekt Hij de consequenties. We zullen Zijn gemeenschap en Zijn tegenwoordigheid niet meer genieten kunnen, ook wanneer Hij in genade ons altijd weer een weg terug tot Hem, ‘met geheel ons hart’ (29:13), tonen wil. “Blijft in Mij en Ik in u” (Joh. 15:4) – deze opdracht van de Heer Jezus is het middel tot bewaring en zegen tegelijk voor ieder van ons persoonlijk, maar ook voor christenen gemeenschappelijk.

4. Waarom slaat God Zijn eigen volk (Jer. 14:19)?

God Zelf treurt over de verbrijzeling van Zijn volk (14:17,18) – daar vraagt ​​ Jeremia hem: “… walgt Uw ziel van Sion? Waarom hebt U ons zo geslagen …? (14:19). Maar Gods geduld met Zijn volk was ten einde, Hij zou het spoedig in Babylonische gevangenschap brengen. Had God toen Zijn volk niet lief en heeft Hij het vandaag niet lief? En of! “Daarom is Mijn binnenste onrustig over hem (Efraïm)” (31:20); verg. Hos. 11:8). De Heer Jezus heeft Zijn vergadering (gemeente, kerk) zelfs zozeer liefgehad, dat Hij Zichzelf voor haar overgegeven heeft (Ef. 5:25). Maar soms hebben wij persoonlijk of ook gemeenschappelijk “een schot voor de boeg” nodig, om wakker geschud en tot inzicht gebracht te worden. Heeft Hij misschien ook bij u of mij al eens – uit liefde! – hard ingegrepen, omdat wij niet meer naar Zijn woord geluisterd hebben? Laten wij Hem daarvoor dankbaar zijn en Hem met nieuwe toewijding dienen.

5. Waarom stelt God de godvruchtigen teleur (Jer. 15:18)?

Temidden van de oordelen over het volk en de verdrukkingen van zijn volksgenoten vraagt Jeremia aan God zich over hem te ontfermen. Hij heeft Gods woord met vreugde in zich opgenomen – tenslotte is hij immers naar de naam van God genoemd. Ook had hij zich verre gehouden van de spotters. Alleen vanwege de tuchtigende hand van God zat hij alleen. Dan komt het naar buiten: “Waarom is mijn lijden er voor altijd, en is mijn wond ongeneeslijk, weigert hij te genezen? Bent U nu echt voor mij als een onbetrouwbare beek, water dat niet betrouwbaar is?” (15:18). Dit maal gaat Jeremia bij zijn vragen duidelijk te ver, hij beschuldigt God van misleiding (verg. Job 6:15-20). Daarom geeft drie aanwijzingen, waarvan er twee voor zijn innerlijk herstel nodig zijn:
Hij moet in het hart terugkeren om weer voor Gods aangezicht te zijn (vs. 19a); Hij moet het kostbare, Gods woord (vs. 16), van de verachtten (vs. 18), van zijn boze aanklagers, scheiden; zo kan hij weer de mond van God zijn (vs. 19b); Alzo gereinigd moeten andere personen tot hem terugkeren, maar hij moet zich niet – aan hun verkeerde houding – aansluiten. Zo kan hij voor het volk een vestingmuur worden (vs. 19c,20a). “Maar deze vastheid vraagt mildheid en nederigheid”.

Neen, God stelt de godvruchtigen niet teleur, maar Hij wil hen voor hoogmoed en hardheid bewaren. Dan kunnen ze voor velen tot zegen zijn – ook vandaag.

Waarom laat God trouwe dienaars zoveel leed meemaken (Jer. 20:18)?

De ijver van Jeremia voor God is indrukwekkend. Hoewel hij vanwege de spot het liefst zwijgen en zijn dienst beëindigen wilde, gaat hij verder. Te zwijgen was voor hem nog erger. Want er brandt in hem een vuur: hij is overweldigt door Gods opdracht. Ja de Heer is met hem als een machtige Held (20:7-9,11). “Zing voor de HEERE, prijs de HEERE”. Plotseling echter stort hij emotioneel helemaal in: “Vervloekt is de dag waarop ik geboren ben … Waarom toch ben ik uit de baarmoeder naar buiten gekomen, om moeite en verdriet te zien en opdat mijn dagen zouden eindigen in schande?” (20:13-18). Komt het ook niet vandaag voor, dat wij met stuwkracht in de dienst voor de Heer actief zijn en dan plotseling alleen nog maar negatieve dingen zien, ieder probleem onder christenen als reuzengroot beoordelen en het genadige werk van God in moeilijke tijden over het hoofd zien? Jeremia, uw wisselbaden van gevoelens zijn ons ook bekend, u spreekt ons naar het hart. Wij kunnen net als u niet “de tegenstellingen” in het werk van God oplossen, maar wij mogen als u verder op de Heer vertrouwen.

Waarom handelt God zo onbarmhartig (Jer. 22:28)?

Weer moet Jeremia oordeel aankondigen, dit maal over Chonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda. Deze moet samen met zijn moeder naar Babel “weggesleept” worden. Jeremia houdt het met deze boodschap nauwelijks uit: Behandelt God de koning van het land als een afgedankte kruik, dat men breekt? “Waarom zijn hij en zijn nageslacht weggeslingerd?” (22:28). Moet het nu ook om het hachje gaan van de koning, die op Davids troon zit? Waarom tuchtigt God ook vandaag Zijn volk en laat daarbij ook de “vorsten” niet met rust, ja, begint zelfs daarmee (Ezech. 9:6; verg. 1 Petr. 4:17)? Is er geen ontferming, geen keer ten goede meer?

Enkele uitspraken uit het boek Jeremia zelf helpen ons vandaag, de blik naar boven, op de Heer gericht te houden en antwoorden te vinden:

1. Hij heeft altijd gedachten van vrede met ons, persoonlijk en gemeenschappelijk (29:11).

2. Hij heeft ons met eeuwige liefde liefgehad en zal ons met Zijn goedertierenheid blijven omringen (31:3).

3. Inderdaad oordeelt Hij verder “ieders werk” (1 Petr. 1:17), maar “alleen”, “tot Hij gedaan en tot Hij tot stand gebracht heeft de gedachten van Zijn hart. In later tijd zult u dat begrijpen” (30:24).

“Jeremia, uw waarom-vragen zijn voor ons een hulp ook voor het 3de Millennium. We willen net zoals u met onze vragen tot onze Heer komen – en op Zijn antwoord en hulp wachten”.

“Met eeuwige liefde heb Ik u liefgehad, daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid” (Jer. 31:3).

Slot.

Martin Schäfer. Uit: © Folge mir nach

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol