12 jaar geleden

Het Mattheüs-evangelie (2)

Mattheüs heeft van God de opdracht gekregen, enkele uitingen van onze Heer, die zeker niet op hetzelfde ogenblik gedaan werden, in vijf grote toespraken samen te vatten, om telkens een bepaald onderwijs aan ons door te geven. Hierin verkondigt de Heer Jezus de grondbeginselen van het koninkrijk der hemelen in tegenstelling tot de wet. Er is vaak gevraagd, of deze rede voor Christenen geldt. Sommigen willen de bergrede “eens voor altijd” voor Christenen als grondregel laten gelden; anderen weer meenden, omdat de Heer zich tot Zijn discipelen en daarmee tot de Joden gericht heeft, zouden wij ons als Christenen ons om deze drie hoofdstukken helemaal niet moeten bekommeren. Beide inzichten zijn verkeerd …

Jezus Christus en de gemeente

Er is verder nog een zeer opmerkenswaardige uitdrukking in het Mattheüs-evangelie: de vergadering (gemeente, kerk). In geen ander evangelie vinden we deze uitdrukking, deze “gemeenschap” weer terug. De Heer Jezus kondigt door het toepassen van dit begrip aan, dat na Zijn dood, Zijn opstanding en hemelvaart een “gemeenschap” van mensen op aarde zou zijn, die bijzondere kenmerken draagt en bijzondere zegeningen zou ontvangen. Het gaat daarbij om alle gelovigen, die in de tijd van Pinksteren (Handelingen 2) tot de wederkomst van de Heer Jezus hun zonden belijden en de Heer Jezus als hun persoonlijke Redder aannemen.

In Mattheüs 16:18 spreekt de Heer Jezus erover, dat Hijzelf de bezitter en de grondslag is van deze vergadering, die noch door de dood noch door de duivel kan worden aangetast. Daarmee zal de vergadering en zijn allen, die tot haar behoren, volkomen zeker opgenomen worden5. In Mattheüs 18:15-20 toont de Heer Jezus dan, welk gezag Hij aan de plaatselijke vergaderingen heeft toegekend. Dat is met heerlijke zegeningen, maar ook met hoge verantwoording verbonden, zoals vers 20 toont: “Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden”.

Jezus Christus – de vervulling van veel oud-testamentische profetieën

Mattheüs spreekt echter niet alleen van “nieuw” in het evangelie. Hij toont tegelijk, dat veel handelingen en daden van Jezus de vervulling van lang geleden uitspraken in het Oude Testament zijn. In totaal vinden we bij hem in totaal rond de 60 aanhalingen uit het Oude Testament. Veertien maal worden gebeurtenissen in het leven van Jezus direct als vervulling van bepaalde profetieën gekenmerkt.

Daarmee wordt zeer duidelijk, dat de Heer Jezus werkelijk de door God gezonden Messias is, die door de “deur” (Johannes 10:2) van het Oude Testament tot Zijn volk komt. Hij is niet alleen de vervulling van vele beelden, offers en aanduidingen in het Oude Testament. Vele profetische uitspraken zijn uitsluitend gedaan, om op Christus te wijzen. Dat mag ons allen aansporen om in deze zin het Oude Testament nog eens grondig te lezen!

Jezus Christus – Zijn vijf grote predikingen

Een belangrijk deel van het Mattheüs-evangelie zijn de toespraken van de Meester. En ook zij zijn uiteindelijk de vervulling van een Oudtestamentische profetie: “door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen (Jesaja 53:11). Vijf grote toespraken [redes – vertaler] vinden we in dit boek. Mattheüs heeft van God de opdracht gekregen, enkele uitingen van onze Heer, die zeker niet op hetzelfde ogenblik gedaan werden, in vijf grote toespraken samen te vatten, om telkens een bepaald onderwijs aan ons door te geven.

1. De bergrede (5:1-7:28)

In deze – waarschijnlijk de bekendste rede – verkondigt de Heer Jezus de grondbeginselen van het koninkrijk der hemelen in tegenstelling tot de wet. Deze drie hoofdstukken worden vaak “grondstelling van het rijk” genoemd. Het valt op dat de Heer Jezus in deze zogenaamde “bergrede” met geen woord over Zijn persoonlijk lijden en Zijn dood ingaat. Veelmeer stelt Hij het wezenlijke karakter van Zijn toekomstig koninkrijk voor: gerechtigheid. De eerste maal zal een regering met recht zeggen kunnen, dat zij door en door rechtvaaardig is.

Er is vaak gevraagd, of deze rede voor Christenen geldt. Sommigen willen de bergrede “een voor altijd” voor Christenen als grondregel laten gelden; anderen weer meenden, omdat de Heer zich tot Zijn discipelen en daarmee tot de Joden gericht heeft, zouden wij ons als Christenen ons om deze drie hoofdstukken helemaal niet moeten bekommeren.

Beide inzichten zijn verkeerd. Enerzijds wordt ieder bij het lezen van de drie hoofdstukken duidelijk, dat de prediking van Jezus een door en door joods karakter draagt. Juist hoofdstuk 5 maakt duidelijk, dat de Heer Jezus hier de wet niet opheft – Hij was niet gekomen om op te heffen, maar om te vervullen (vers 17). Hij verscherpt het zelfs nog. Uit Romeinen 10:4 weten we echter: “Want Christus is het einde van de wet tot gerechtigheid voor ieder die gelooft”. In deze zin wordt bijvoorbeeld een verkeerd gebruik gemaakt van het zogenaamde “onze Vader” (Mattheüs 6:9-13), alsof wij Christenen dit gebed altijd weer moesten uitspreken.

Anderzijds is het net zo verkeerd om geen acht te slaan op de bergrede. Want de morele principes van de regering van God hebben zich nog niet veranderd: God beloont het goede en veroordeelt respectievelijk het boze. Moeten wij niet “het zout der aarde” en “het licht van de wereld” zijn? Daarom gelden de in deze hoofdstukken beschreven morele en geestelijke principes van het koninkrijk der hemelen ook voor ons.

2. De uitzendingsprediking (10:1-11:1):

In Zijn tweede “grote” rede richt de Heer Jezus Zich uitsluitend tot Zijn twaalf discipelen – overigens ook tot de ongelovige en ongoddelijke Judas Iskariot. De koning zendt om zo te zeggen Zijn onderdanen uit, opdat zij in Zijn rijk voor Hem getuigen. Want Zijn rijk zal opgericht worden. Deze dienst moest tijdens de tijd, waarin de Heer Jezus hier op aarde leefde, uitgevoerd worden (vers 1-15). Maar hij moest voortgezet worden, tot het 1000-jarig rijk werkelijk opgericht zou worden (vers 16-26)6. In zoverre zijn de twaalf apostelen hier de voorlopers van de Heer en Koning, Jezus Christus.

In het verdere verloop van de rede toont de Heer Jezus, dat de getuigen weliswaar vervolgd worden, hun dienst echter van God ontvangen hebben en het daarom ook voor Hem volbrengen moeten. En daarvoor is er loon!

Op eigen voorschrift van de Heer wordt duidelijk, dat de in deze rede vervatte verordeningen een eenduidig joods karakter dragen, zodat wij de bijzonderheden niet op ons dienstleven kunnen toepassen7. De Heer Jezus Zelf verandert daarom deze opdracht in Lukas 22:35-37, en ook in Mattheüs 28:19-20 krijgen wij een indruk van het veranderde karakter. Toch kunnen wij Christenen dit hoofdstuk net zo min als de hoofdstukken 5-7 overslaan. Enerzijds zal elke Christen het zich interesseren, wat Zijn Heer en Redder voor andere tijdsperioden voorzien heeft. Anderzijds geldt ook hier, dat er bepaalde morele8 principes zijn, waarvan we voor ons eigen leven leren kunnen.

NOTEN:
(5) Dat betekent natuurlijk niet, dat deze mensen op aarde geen uiterlijke moeilijkheden zouden kunnen hebben. Petrus, tot wie de Heer Jezus Zich bij de woorden in Mattheüs 16 wendt, is daarvoor het beste voorbeeld, want hij werd een martelaar. Maar daarom gaar het de Heer Jezus niet. In geestelijk opzich laat Hi niet toe, dat de vergadering (en daarmee ook de gelovigen) aangetast worden. Zij zullen bij Christus in heerlijkheid zijn.
(6) De Heer Jezus beperkt Zich daarbij niet tot de “ingeschoven” tijdsperiode, die wij het Christelijke tijdsperk noemen, waarin wij vandaag leven. Van deze tijd was de Joden en in het bijzonder de oudtestamentische gelovigen niets bekend, omdat zij een geheimenis voorstelt, dat God pas eerst aan de apostel Paulus en aan de andere apostelen geopenbaard heeft.
(7) Dit betreft bijvoorbeeld de ziekengenezingen en de demonenuitdrijvingen (vers 8). Maar het gaat ook om de aanwijzing, geen twee paar sandalen en geen staf mee te nemen – iets, wat we later in de brieven van het Nieuwe Testament niet weer terug vinden. Ook het gezegde over het oordeel in vers 14 – het stof van de voeten te schudden, wanneeer men niet ontvangen wordt – staat in tegenstelling tot de houding van genade, die ons vandaag kenmerken moet.
(8) Het zijn geestelijke, zedelijke, innerlijke – niet uiterlijke – grondbeginselen.

Wordt vervolgd D.V.

Manuel Seibel, © Folge mir nach

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol