2 jaar geleden

Hebreeën 11 vers 6

“… want wie tot God nadert, moet geloven dat Hij is en dat Hij een beloner is van hen die Hem zoeken”.

“Laten wij even bidden”, zegt de vader. Hij heeft het niet zo gemakkelijk om gehoor te krijgen. De moeder verricht aan tafel nog een laatste kunstgreep, en de kinderen zijn nog met andere dingen bezig. – “Even bidden”. Is dat een naderen tot God? Waartoe dient dan het gebed aan tafel? Is het slechts een formaliteit? Horen niet het gebed en het aannemen van de spijzen nauw bij elkaar?

Van de eerste christenen lezen wij in de bijbel: “namen samen voedsel met vreugdegejuich” (Hand. 2:46). Was het voedsel er de oorzaak van, dat hen deed juichen? Was het niet veeleer Diegene, die hen de spijzen gaf en die Gods Woord een “Onderhouder van alle mensen, het meest van de gelovigen” (1 Tim. 4:10) noemt? En zegt Gods Woord niet in de mededelingen aan Timotheüs, dat God het voedsel geschapen heeft om met dankzegging te worden genuttigd, en dat ze geheiligd worden door Gods Woord en door gebed (1 Tim. 4:3-5)?

Wat een plechtige zaak is het als we tot God naderen in gebed – ook in het gebed aan tafel. Hoe zou elk lid van de familie zich daarvan volledig bewust moeten zijn, dat het God is tot Wie we naderen. Hij is het die ons alles rijkelijk geeft om ervan te genieten. Zouden wij Hem niet van harte danken voor Zijn gaven en ook van de gaven zelf genieten “met dankzegging”, dat betekent met het bewustzijn van dank in onze harten? Laten wij dus God steeds met gepaste eerbied naderen, en niet “eventjes bidden” om aan een vorm te voldoen, anders doen wij net als de heidenen. Ieder gebed aan tafel moet voor ons een gelegenheid zijn, om tot God te naderen. Is het niet een groot voorrecht, dat wij Hem onze God en Vader mogen noemen in Christus Jezus?

 

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol