4 weken geleden

Gouden appels in zilveren schalen (VIII)

Achtste dag

Vuur tegen de kou en voedsel tegen de honger

Deel 2

Zeven mannen in een boot! Een nacht zwoegen! Geen vis! Mislukking toegegeven! Geen acht geslagen op de Meester! Wat voor soort discipelen zijn dit? Zullen zij niet de bittere vruchten eten van hun eigen dwaasheid? Veel meesters zullen het erover eens zijn, dat ze dit op zijn minst hebben verdiend. Maar welke meester is als onze Meester? En welke liefde is gelijk aan die van onze Geliefde?

In één woord, de Heer gaf de exacte plaats aan waar zij nu in overvloed de vis zouden vinden, die zij tevergeefs hadden gezocht gedurende de nachtwaken; en daar werd het net snel gevuld. De grote vissen bevonden zich aan de rechterzijde van het schip, ongeveer tweehonderd el [1] (Joh. 21:8) verwijderd van het land, nabij de Meester. Ver buiten de wateren, waar de Meester niet was, konden ze er geen vangen.

Het gezelschap kwam aan land. Toen ze waren geland, zagen ze verder bewijs van de bedachtzaamheid en liefdevolle zorg van de Heer. Ze zagen een vuur van kolen, en er was ook voedsel – een vuur van kolen, en vis daarop gelegd, en brood.

Het kleine gezelschap bevond zich in de aanwezigheid van de Heer van het land en de zee. Hij bracht hen naar Zijn ‘eethuis’. Hij zei niet tot hen: “Ga heen in vrede, wees opgewarmd en verzadigd”, waar u maar kunt. In de volheid van Zijn liefde zowel als van Zijn macht, voorzag Hij in het vuur en het voedsel, “nodig voor het lichaam”, en verfrissend voor de ziel.

“Komt hier ontbijten”, zei de Heer, Die er behagen in schept de Zijnen te dienen, terwijl Hij eraan toevoegde: “Brengt de vissen die u nu hebt gevangen(Joh. 21:10-12). Maar Hij was hun gastheer. Ze waren aan de tafel van de Heer. Hij nam brood en gaf het hen, alsmede de vissen. Welke vis? Die op Zijn vuur, of die in hun net?

De Heer had gezegd: “Brengt de vissen die u nu hebt gevangen”. De waarheid was dat ze de hele nacht hadden gezwoegd en niets hadden gevangen. De vissen, die zij aan land sleepten waren namelijk van Hem. Op Zijn woord wierpen zij het net uit; op die plek werden deze vissen gevonden. Ze konden alleen de ochtend-maaltijd brengen wat Hij Zelf hen uit de zee had gegeven.

Dit was inderdaad waar, maar wetend dat het de Heer was, vroegen ze naar Zijn woord niet, maar accepteerden ze de liefdevolle genade, welke in hun lange uren van verspilde inspanning zonder Hem aan hen voorbijging, en gaven Hem de korte maar vruchtbare momenten van hun arbeid, toen het in en met de Heer was.

In gemeenschap met hun opgestane Heer aten deze zeven mannen van het voedsel dat door Hem uit Zijn geheime bergplaats werd gebracht; en Hij at van de vrucht van de arbeid waarin Hij hun handen had geleid. Hij klopte eerst aan; zij openden de deur; Hij kwam binnen; zij gebruikten de maaltijd met Hem, en Hij met hen.

Welke zorg heeft de Heer voor ons als mensen “in het vlees”! Onze gezegende Heer is geen asceet [2]. De Zoon des mensen kwam etende en drinkende. Eens zei Hij tegen de apostelen: “Komt uzelf [met Mij] afzonderlijk naar een woeste plaats en rust wat. Want er waren velen die kwamen en gingen, en zij hadden zelfs geen gelegenheid om te eten (Mark. 6:31)

Hij kent ons lichaam en de behoefte aan regelmatig voedsel en rust; Hij herinnert Zich dat wij stof zijn. Van oudsher liet Hij de duizenden vermoeide mannen en afgematte vrouwen van Zijn gehoor zitten en uitrusten op het zachte groene gras, terwijl Hij hen met brood en vis voedde – de opbrengst van land en zee.

In deze zorg voor anderen was de Heer onveranderd na Zijn opstanding. Toen Hij naar de zeven discipelen keek, werd Hij geraakt door medegevoel met hun zwakheden. Ze waren koud en nat, moe en hongerig. Zonder hun hulp of iets te vragen, verschafte Hij voedsel en warmte om hun uitgeputte energie te doen herleven.

De Heer zorgde ook voor hun zielen, maar eerst aten ze samen. Ze waren te zwak, bezorgd en teleurgesteld om ten volle te profiteren van Zijn woorden, totdat ze opgewarmd en verzadigd waren. Maar “toen zij gegeten hadden” nam de Heer als het ware een handdoek en gordde Zichzelf voor verdere dienst. Met het bekken van het water van Zijn woord ging Hij naar de voeten van Petrus en zei: “Heb je Mij lief?” In hoofdstuk 13 is het het lichaam; hier is het de ziel.

Toen zag Simon Petrus in het flikkerende licht van het vuur zichzelf tussen de wrede soldaten en hoorde de stem van een dienstmeisje, en het kraaien van een haan. De arbeid van liefde had verwijtende herinneringen opgewekt aan de drievoudige loochening van zijn Meester door de apostel, maar de bediening van de liefde hield niet op totdat zijn ziel hersteld was en Petrus beleed voor hen allen: “Heer, U weet alles, U weet dat ik van U houd” (Joh. 21:17).

 * * * * *

Er zijn tegenwoordig veel moedeloze zielen die het vuur en voedsel van de bediening van de Heer nodig hebben. Veel discipelen van Christus zijn op eigen kosten de strijd ingegaan. Sommige impulsieve broeders hebben gezegd: ik ga vissen. Anderen, aangestoken door het enthousiasme, trekken met hem mee.

Ze vergeten dat het eerste essentiële kenmerk van het geloof is, om te wachten op de Heer, dat Zijn onzichtbare tegenwoordigheid nabij is, dat Hij gezocht moet worden om gevonden te worden, dat zij zonder Hem niets kunnen doen.

Niettemin gaan ze weg zonder Zijn woord van goedkeuring, hoewel ze innerlijk een algemene hoop koesteren, dat Hij hun plannen zal zegenen. Maar zij werpen hun netten, en halen deze leeg omhoog – opnieuw en opnieuw; totdat, zelfs voor henzelf, het duidelijk is dat de onderneming een mislukking is. Ze zijn dan bedroefd en moedeloos. Om weer bij te komen hebben zij vuur en voedsel nodig in de tegenwoordigheid van de Meester.

Denk aan de vele vervallen plannen en ‘verloren zaken’ onder christenen, gelanceerd met veel vuur en uiterlijke hoop, maar eindigend in een wezenloze teleurstelling. Denk aan slinkende gemeenschappen, aan mensen die “niet in het juiste spoor“ gaan in de gemeente, aan levenloze aanbidding, aan formele gebeden, aan ongepaste en onvruchtbare bediening, aan gescheiden huisgezinnen, aan dorre prediking van het evangelie – aan lege netten.

O Heer, heb medelijden met de verkilling en het verhongeren onder Uw heiligen, en kom om hen te ontmoeten met Uw vuur en Uw voedsel, zoals U lang geleden deed aan de kust van Galilea!

Inderdaad, het is niet nodig om op deze manier te bidden tot onze liefhebbende Heer, het Grote Hoofd van Zijn gemeente. Hij vergeet ook nooit hen die het koud hebben en hongerig zijn door hun gedachteloze veronachtzaming van Hem en Zijn woord. Want juist voor zulken doet Hij het vuur ontbranden en bereidt het voedsel voor. Het is Zijn vreugde om de genegenheid op te wekken en de innerlijke mens te sterken. Zijn vreugde is om Zijn eigen rustplaats te stellen in groene weiden, en hen naar de stille wateren te leiden, zodat Hij hun ziel kan herstellen door middel van Zijn eigen pastorale zorg.

NOOT:
1. Een el is voor Nederland circa 69,4 cm. Dus 200 el = ± 138 m). {Wikipedia}
2. Asceet: Onthouder van aardse genoegens; geheelonthouder.

W.J. Hocking

Tweede druk, C.A. Hammond, 1945.
Bewerkt uit het Engels.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol