3 weken geleden

God zorgt … (1)

Een verhaal door

HESBA STRETTON

Schrijfster van “Jessica’s eerste gebed”

Dit oude verhaal dat in boekvorm verscheen bij G.F. Callenbach in Nijkerk, kan uitstekend in de decembermaand gelezen én voorgelezen worden. Het is een aangrijpend verhaal over een heel armoedig gezin dat de zorg van de hemelse Vader mocht ervaren. Voor kinderen vandaag staat dit heel ver van hen af, aangezien zij vergeleken met hen in grote weelde leven. Toch wel eens goed om op deze wijze eens bepaald te worden bij het feit dat God zorgt voor al de Zijnen.

God zorgt voor de Zijnen … (1)

Op ongeveer een steenworp afstand van het laatste huis in het landelijk stadje Armitage stond nog een huisje, waaraan bijna in het geheel niets veranderd scheen te zijn, sedert het ruim tweehonderd jaren geleden gebouwd was. Het houten dak was goed betimmerd en dik met riet bedekt. Hier en daar waren diepe holten onder het riet, waarin de zwaluwen haar nestjes maakten.

Het kleine uitstek aan het schuine gedeelte van het dak gaf het huisje een alleraardigst voorkomen, net alsof het een kap over het hoofd was getrokken. Op dat dakje groeiden tal van kleine, purperen bloempjes, die zeer schoon afstaken bij het bruine riet en het zacht gekleurde mos; de lage vensters met hunne kleine, in lood gevatte glasruitjes schitterden in het zonnelicht. Vóór het huis was een kleine tuin vol frisse, kleurige bloemen; deze strekte zich uit van de landweg tot het kleine afdakje, dat het huisje tegen het slechte weer beschermde en in de zomer een lieflijk beschaduwd zitje vormde. Het was zeker wel het meest schilderachtige plekje uit de gehele buurtschap.

“Welke naam draagt uw huisje?” vroeg eens een jonge schilder, die er juist een schets van genomen had, aan de bewoonster.

“O! het heeft in het geheel geen naam, mijnheer,” antwoordde Johanna Ferry, “het is alleen maar ons eigen huisje.”

In dat huisje was zij dan ook geboren, en gedurende een tijdperk van vijf en twintig jaren had zij het zeker nooit langer dan soms voor een enkele week verlaten. De benedenverdieping van het huisje bevatte een goede, ouderwetse woonkamer en twee kleinere vertrekken, die beide in de woonkamer uitkwamen, en waarvan het ene tot een soort van bergplaats diende, terwijl het andere tot slaapkamer was ingericht. In dat kamertje was zij geboren, en gedurende haar gehele leven was het haar slaapvertrek geweest. Onder het schuin aflopende dak bevond zich nog een aardig kamertje met twee venstertjes, waarvan het ene een heerlijk uitzicht naar het oosten en het andere naar het westen aanbood. Johanna kon er zich geen denkbeeld van vormen, dat in de inrichting van haar huisje ooit enige verandering of verbetering zou aan te brengen zijn, want volgens haar beschouwing ontbrak er niets aan en was het in alles zó volmaakt, dat men niets beters kon wensen.

De rijzige en nog altijd flinke oude vrouw was voortdurend ijverig bezig. Aan haar helder oog ontsnapte geen enkel onkruidje in de tuin, en geen stofje dat het wagen durfde door de deur of het raam naar binnen te zwerven, op gevaar van elk ogenblik door haar verjaagd te zullen worden. Geen enkel knopje van de rozen of klimplanten die langs haar huisje opklommen, ontging haar aandacht. De klimrozen en zonnebloemen, even recht opgaande als zijzelf, waren haar ieder afzonderlijk bekend en dierbaar. De bedden met aardappelen achter het huisje, die door haar man, Amos Ferry, in zijn vrije tijd bebouwd en in orde gebracht werden, de lange rijen erwten en bonen, de bedden met uien en salade, de vruchtbomen, die hun rente zo goed opbrachten — zij waren om zo te zeggen haar eigen kinderen. En binnenshuis waren de oude eikenhouten stoelen, die dicht bij het vuur geschoven stonden, de stevige tafel en de aanrechtbank, die glommen, doordat zij door veelvuldig wrijven de minste ruwheid en oneffenheid daarvan had doen verdwijnen, niet minder een bewijs van haar voortdurende vlijt en werkzaamheid. De boom, die het huisje overschaduwde, was niet vaster geworteld in de grond, dan Johanna gehecht was aan haar woning. En toch was er iemand in huis, die zo mogelijk nog meer aan die oude woning was gehecht dan zij zelf. Het was haar enig kind Charlotte, die het aardige kamertje onder het dak bewoonde. Het meisje was verlamd en zeer hulpbehoevend, gedeeltelijk ten gevolge van een val, die zij gedaan had toen zij nog maar een klein kind was.

 

 

Het gebeurde maar heel zelden, dat zij wél goed genoeg was, om met veel moeite de ruwe trappen af te kruipen en de benedenverdieping te bereiken. Maar door de twee vensters konden haar ogen zich verlustigen in alles, dat vóór en achter het huisje te zien was, en zij kende al wat in het tuintje groeide evengoed als haar moeder. Ten oosten werd haar het verdere uitzicht belemmerd door een lange reeks heuvels, waarboven de morgenwolkjes zich soms vol heerlijke schakeringen vertoonden, voor nog de zon van achter de heuvels was opgegaan. Ten westen lag een groot uitgestrekt vlak weiland met een aantal hier en daar verspreide huisjes, en aan het uiteinde was nog een klein streepje van de zee te zien, dat dikwijls, als het door de stralen van de zon verlicht werd, als goud schitterde. Behalve wanneer de lucht betrokken was en het zonnetje zich schuil hield, gebeurde het maar zelden, dat Charlotte het op- en ondergaan van de zon niet gezien had. Zij was dertig jaar, hoewel zij bijna net zo oud leek als haar moeder. Zij zag er zeer bleek en vermagerd uit, en in haar ogen lag die weemoedige uitdrukking, welke aan kreupele en misvormde mensen zo dikwijls eigen is. De verhouding tussen moeder en dochter was in zeker opzicht gedurende de laatste vijftien jaren wel wat veranderd. Was het vroeger haar moeder, nu scheen Charlotte de raadgeefster, het hoofd van het kleine huisgezin en de scheidsrechter te zijn, aan wie elke belangrijke vraag ter oplossing werd gegeven. Zij peinsde altijd over allerlei plannen, om het vader en moeder zo gemakkelijk en aangenaam mogelijk te maken, en wist als het ware door vriendelijke ingeving, wat dag aan dag het beste voor hen zou zijn.

Johanna was nog jeugdig van hart, en altijd gereed om naar de eerste opwelling van haar gemoed te handelen. Dit bracht haar wel eens in verlegenheid, en dan had zij later zeer veel spijt over haar voortvarendheid, hetgeen zij, als bij het bed van Charlotte neerzat, meermalen met droefheid en berouw bekende. Het scheen niet mogelijk, dat tussen die twee een geheim zou kunnen bestaan.

Amos Ferry, die twee jaar ouder was dan zijn vrouw, was al gedurende zeven en dertig jaar postbode van het stadje en de omstreken geweest. Zijn dagelijkse bezigheden waren in het geheel niet veranderd. In de zomer en in de winters zag men hem geregeld ’s morgens om zes uur bij het postkantoor in de stad; dan kreeg hij een aantal zakken met brieven, die hij aan de verschillende adressen langs de weg over een afstand van ruim elf kilometer te bezorgen had. Daar het onmogelijk voor hem zou geweest zijn om van het uiterste punt naar huis terug te keren en dan die lange weg nog eens af te lopen, bleef hij daar de gehele dag en had er een klein, oud huisje gehuurd, waar hij zijn tijd zo nuttig mogelijk doorbracht met de laarzen en schoenen te lappen van al degenen, die degelijk werk op prijs stelden. Om vier uur ging hij weer op weg met al de zakken, die hij ’s morgens had meegebracht, en was dan om half zeven terug aan het postkantoor, vroeg genoeg om de brieven, die hij op zijn terugweg in ontvangst had genomen, met de laatste trein te laten verzenden. De klok van de oude kerk had nauwelijks zeven uur geslagen, of hij was in zijn woning, waar hij onmiddellijk het kamertje van zijn dochter opzocht. De aanblik van haar gezichtje, bleek en samengetrokken door voortdurend lichamelijk lijden, maar toch altijd verhelderd door een glimlach van verwelkoming, was voor hem het liefelijkste gezicht van de wereld. Hij had nooit een geheim voor haar gehad. Zijn hart, ja, zijn gehele ziel lag zo geheel en al voor haar open, zoals maar mogelijk is van de ene mens voor de andere.

“Ik geloof niet, dat iemand op de wereld zo gelukkig is als wij,” zei Amos op zekere dag, volkomen overtuigd van de waarheid van zijn bewering, “ten minste niemand kan nog gelukkiger zijn, dan ik ben.”

“Neen, zeker niet, als Charlotte maar gezond en sterk was,” antwoordde Johanna met een zucht, want zijzelf had haar kind per ongeluk laten vallen, toen het nog klein was.

“Maar het kon wel zijn, dat ik u dan al sedert lang verlaten had,” sprak Charlotte. “Ik zou hier toch nooit in ledigheid mijn dagen hebben kunnen doorbrengen. Misschien zou ik dan ook reeds lang getrouwd zijn,” voegde zij er glimlachend en blozend aan toe.

“Hoe het ook zijn moge, het is Gods wil,” antwoordde Amos, “maar soms denk ik wel eens, dat de Heere het niet goedvindt, mij zo dikwijls te horen zeggen, dat ik zo gelukkig ben.”

Er bestond niet veel kans, dat hun stil geluk zou verstoord worden. Eerzucht was hun volkomen onbekend. Noch godsdienstige noch maatschappelijke verschillen konden hun zielen verontrusten. Zorgen hadden zij niet, want zij bezaten meer dan genoeg om in hun eenvoudige behoeften te voorzien. Zij hadden geen mooie kleren, noch lekker eten, noch sierlijke meubelen nodig. Enige stichtelijke boeken, reeds door Johanna’s voorouders bijeengebracht, voldeden volkomen aan hun zeer matige eisen. “De Pelgrimsreis” en “De heilige oorlog” van Bunyan en nog een paar andere boeken stonden naast elkaar op het boekenhangertje in Charlotte’s kamer, en waren met de Bijbel, die hun boven alles dierbaar was en dagelijks onderzocht werd, volkomen voldoende voor de behoeften van Johanna en Amos, terwijl nu en dan eens een nieuw boek aan Charlotte geleend werd door de een of andere vriend uit de stad, die hen kwam bezoeken. Zij hielden hun huisje keurig in orde, en bebouwden hun tuintje naar hun eigen wens, en als het hun eens geoorloofd geweest zou zijn om drie wensen te doen, zo zouden zij over de keus daarvan niet weinig in verlegenheid zijn geweest, daar hun niets te wensen overbleef.

Hield Johanna veel van haar huisje, Amos hield veel van de weg, die hij dagelijks door alle weer en wind moest afleggen, en waarvan hij iedere bijzonderheid kende.

Meer dan zeshonderd maal in een jaar liep hij dezelfde huisjes voorbij, stapte door dezelfde lanen en dezelfde hoge hekken heen, en keek naar de steeds veranderende lucht boven hem. Hij hield heel veel van dat alles, al begreep hij er de volle schoonheid niet van, en al was hij ook niet in staat zijn gevoelens te omschrijven. Hij zong heel graag, maar hij zong zo ongeveer als de vogels, die er niet meer dan een paar melodieën op nahouden. Amos kende maar zeer weinig liederen, en hij herhaalde die telkens en telkens weer gedurende zijn wandeling, zodat de bewoners van de hutjes hem reeds in de verte hoorden aankomen en naar voren liepen, om hem vriendelijk goedendag te knikken.

Het was tegen het einde van oktober. De heuvels waren dicht begroeid met akkermaalshout, en grote beukenbomen, waarvan de bladeren reeds de prachtigste herfsttinten had aangenomen, stonden er als reuzen tussen in. Door ieder dal stroomde een klein beekje, dat zich telkens met een breder stromend water verenigde en daarna langs de steenachtige oever in de zee uitstortte. Amos ging zelden naar huis, zonder een bloem of een mooi groen takje voor Charlotte mee te brengen, en juist was hij bezig, een lief takje van een hulststruik vol heldere, rode besjes af te plukken, toen een jonge man, de oudste zoon van de heer Sutton van “Sutton Hall”, een van de grootste buitenplaatsen in de omtrek, en waar hij juist de laatste brieven had afgehaald, snel en bijna ademloos hem achterna liep. Hij riep of schreeuwde volstrekt niet, maar was geheel buiten adem toen hij Amos had ingehaald.

 

 

“Amos,” stamelde hij, “hier is een brief. Het is voor mij een zaak van leven of dood, laat mij die brief nog in de brievenzak steken.” Amos wachtte rustig tot hij de zak open- en weer dichtgemaakt had. De jonge man was reeds weer wat op adem gekomen, en keek Amos aan, terwijl een wereld vol angst op zijn gelaat stond te lezen. “Ik geloof, dat je nog nooit te laat geweest bent,” zei hij eindelijk.

Neen, mijnheer Gerard, u hebt mij uw leven lang gekend,” antwoordde Amos, “en u zou bijna evengoed kunnen vragen, of de zon wel op de juiste tijd zou ondergaan. Ik heb al bijna veertig jaren deze weg op- en afgelopen, en ben nog nooit te laat gekomen. Niemand gaf mij echter tot hiertoe ooit een brief, waar leven of dood van afhing, en het zou waarlijk wel heel vreemd zijn, indien ik nu juist deze avond te laat aankwam.”

Toen Amos weer voortliep, ging de zon juist achter een der schone, dichtbegroeide heuvels onder. De lucht scheen nog dichterbij te zijn dan midden in de zomer, en het was, alsof zij haar beschermende vleugels over het rustige woud uitbreidde. Twee of drie roodborstjes tjilpten nog vrolijk tussen de reeds zeer gedunde bladeren, en een frisse avondkoelte blies uit de zee over het dal heen. Een diepe stilte heerste in de eenzame laantjes en de weilanden, die hij moest doortrekken. Maar opeens weerklonken enige kinderstemmen, die de heersende stilte verbraken, en een ogenblik daarna zag Amos een troepje angstige kinderen op hem toelopen, die eenparig om hulp schreeuwden. Terwijl hij over hen heen zag, bemerkte hij‚ dat een van hun speelmakkertjes in het water was gevallen, en de vrij sterke stroming het kind naar zee voortsleepte. Hij had geen tijd om lang over het geval na te denken, want er was geen ogenblik te verliezen. Binnen een paar minuten zou het arme kind reeds ver verwijderd zijn van de plaats, waar hij nu stond.

 

 

Hij legde zijn zakken zo veilig mogelijk op de oever, en waadde door het snel stromende water, dat nog slechts weinige ogenblikken geleden als een gouden draad tussen zijn oevers in de ondergaande zon had geschitterd. Het was een groot waagstuk, dat Amos ondernomen had. Het water in dat riviertje, ten minste indien het niet door veelvuldige regens sterk gestegen was, kwam echter nooit hoger dan tot aan de borst. Na enige krachtige slagen greep hij het kind met één hand vast, en een ogenblik later stond hij met de kleine in zijn armen weer op de oever. Onder het troepje kinderen bevond zich niemand, die oud genoeg was om de zorg voor de kleine op zich te nemen. Het kind had het hoofdje tegen een steen gestoten en lag nu als een zware last in Amos’ armen. Hij moest het dus zelf naar een van de naastbijgelegen hutten dragen, die zeker nog wel op een kwartier afstand van de plek, waar het ongeval had plaats gehad, verwijderd was. Met zijn brievenzakken over de schouders geslagen, en zijn kleren zwaar van het water, kon hij daarenboven niet spoedig vooruitkomen.

De hutbewoners waren ook niet zeer gewillig een vreemd kind op te nemen, van wie niemand wist waar het thuis hoorde, zodat Amos heel wat moeite had om van zijn last ontslagen te worden. Meer dan een uur was op deze wijze voorbij gegaan, voordat hij zijn weg kon vervolgen.

Hij haastte zich zoveel hij kon, en ondanks zijn natte kleren en doorweekte laarzen liep hij met de meeste spoed door de lanen en weilanden, om toch maar geen enkel ogenblik te verliezen, daar het ook al vrij donker was geworden.

Charlotte had altijd de gewoonte om voor het raam te gaan zitten tegen den tijd, dat haar vader voorbij moest komen, om hem dan nog even toe te lachen en, als de avond vroeg inviel, plaatste zij een kandelaar op de vensterbank, opdat het flauwe schijnsel van de kaars hem een welkom zou toeroepen.

De kaars stond ook nu weer rustig te branden voor de heldere ruitjes, doch Amos keek er nauwelijks naar toen hij voorbij liep.

Wat Amos gedurig vóór zich zag, was de angst die op het gezicht van de jonge heer Sutton lag, toen deze hem vroeg: “U komt immers nooit te laat?”

De postmeester stond op de stoep en keek de stille straat langs, terwijl het gaslicht in het kantoor reeds laag was neergedraaid, zoals gewoonlijk enige ogenblikken voor het sluiten geschiedde, toen Amos ademloos en doodmoe op de hem zo welbekende deur toetrad.

“Wel, Amos!” riep de postmeester, “wat is er toch gebeurd? Wij hebben tot het laatste ogenblik gewacht, maar om niet te laat te komen moesten ongeveer tien minuten geleden de zakken naar het station gebracht worden. Luister, daar hoor ik het fluitje reeds! De trein is dus alweer in beweging.”

Amos viel tegen de deur aan, alsof hij door de bliksem getroffen was. Hij was dus te laat! Het duurde enige ogenblikken, voor hij in zoverre bekomen was van den schrik, dat hij alles vertellen kon, en de postmeester deed zijn best om hem van zijn medegevoel en zijn goedkeuring te verzekeren en hem zoveel mogelijk te troosten.

“Niemand kan er u een verwijt van maken, Amos,” zei hij, “ik moet natuurlijk aan het hoofdkantoor de zaak ophelderen, en zal daarom even telegraferen; er zal wellicht een onderzoek naar ingesteld worden, maar dat is niet eens zeker, want het is tien tegen één, dat er geen enkele brief van enig belang bij was.”

“O, mijnheer!” riep Amos uit, “is er dan niets aan te doen? Denk er toch eens over na, of er niets meer aan te verhelpen zou zijn!”

“Wel,” antwoordde de postmeester na enig nadenken, ”je zou de sneltrein naar Norton nog kunnen halen; het zou ten minste altijd nog te proberen zijn; maar ik vrees, dat de onkosten ervan niet door de administratie zullen vergoed worden. Maar we kunnen in elk geval de proef nemen, een licht karretje met een goed paard ervoor zou je binnen twee uren in Norton kunnen brengen”.

“Ik wil ten minste doen, wat ik kan,” sprak Amos. “Doe mij het grote genoegen, om een boodschap aan mijn vrouw en Charlotte te zenden, anders zitten zij de hele nacht in angst over mij”.

Wordt vervolgd.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol