2 jaar geleden

God vertrouwen in moeilijke tijden (5)

Psalm 122

  1. Een pelgrimslied, van David.
    Ik ben verblijd, wanneer zij tegen mij zeggen: Wij zullen naar het huis van de HEERE gaan!
  2. Onze voeten staan binnen uw poorten, Jeruzalem!
  3. Jeruzalem is gebouwd als een stad die hecht samengevoegd is. *
  4. Daarheen trekken de stammen op, de stammen van de HEERE, naar de ark van de getuigenis van Israël, om de Naam van de HEERE te loven.
  5. Want daar staan de zetels van het recht, de zetels van het huis van David.
  6. Bid om vrede voor Jeruzalem, laat het goed gaan met hen die u liefhebben.
  7. Laat vrede binnen uw vestingwal zijn, rust in uw burchten.
  8. Omwille van mijn broeders en mijn vrienden spreek ik nu: Vrede zij in u!
  9. Omwille van het huis van de HEERE, onze God, zal ik het goede voor u zoeken.

* die hecht samengevoegd is – Letterlijk: die samen met haar één geheel vormt.

Het smachtend verlangen naar de woonplaats van God

De gelovige joden in den vreemde denken veel aan Jeruzalem. Hoewel zij verdreven zijn, weten ze in hun harten dat Jeruzalem de plaats is, waarin God wonen wil. Zij hunkeren naar deze plaats. Reeds Daniël bad eens in gevangenschap driemaal per dag voor een open venster in de richting van Jeruzalem (Dan. 6:11). In Psalm 137 vers 1 staat: “Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij, ook weenden wij als wij aan Sion dachten”. Dat is het fixatiepunt van deze getrouwen: Sion of Jeruzalem, de plaats waar eens de tempel van God stond.

Wat betekent de stad Jeruzalem en de tempel voor ons christenen?

  • De stad Jeruzalem spreekt enerzijds van onze toekomst in de hemel, van het hemelse Jeruzalem (Hebr. 12:22). De tempel met zijn cellen rondom is een zwakke verwijzing naar het Vaderhuis waar vele woningen zijn (Joh. 14:2). Zoals de joden in den vreemde verlangden naar Jeruzalem, zo verheugen wij ons op de toekomst in de hemel.
  • Anderzijds wijzen de stad Jeruzalem en de tempel vandaag op de plaats van samenkomen van de gelovigen. Jeruzalem was voor de Israëlieten een geografische plaats, die zij altijd weer opzochten. Voor ons christenen is het samenkomen als gemeente een plaats, waar de bijbelse grondbeginselen voor de plaatselijke gemeente vastgehouden en verwerkelijkt worden.  Dat is overal het geval, waar twee of drie tot de Naam van de Heer Jezus vergaderd zijn en Hij in het midden is (Matth. 18:20). Gedurende ons leven in deze boze wereld is ook de plaats van samenkomen tot de Heer Jezus voor ons een fixatiepunt. We gaan naar school of naar het werk, we doen onze huiselijke arbeid en worden door ongelovige mensen omgeven. Maar we mogen altijd weer gemeenschappelijk naar de Heer Jezus gaan. Verlangen wij in de dagelijkse hectiek naar het samenkomen, waar Hij in het midden is?

De stad en de tempel van God

Jeruzalem als stad is een beeld van God als passend bestuur. De gemeente wordt in haar allesomvattend aspect in Openbaring 21 als stad voorgesteld. Zo zal zij in het duizendjarig rijk een bestuurstaak waarnemen (Openb. 21:9-27). Maar ook nu al moet het samenkomen van de gemeente in overeenstemming met God beheerd worden. Dat houdt in het handhaven van de afzondering van de wereld (stadsmuur) en het opnemen in de gemeenschap alsook in een ernstig geval de uitsluiting van de gemeenschap aan de tafel van de Heer (poorten).

De Tempel is de plaats van de heiligheid van God. Zo wordt ook de plaatselijke gemeente als heilige tempel van God beschouwd (1 Kor. 3:16,17).

Wij zullen naar het huis van de HEERE gaan!

“Ik ben verblijd”. Deze Psalm is door David geschreven. Doch hier spreekt Iemand groter dan David, van Wie hij slechts een beeld is. Het is de Heer Jezus, die in deze Psalm driemaal het woord neemt (vs. 1,8,9). In vers 1 verheugt Hij zich, wanneer in ons hart een verlangen naar de plaats is, waar Hij Zijn tegenwoordigheid beloofd heeft.

Op onze individuele geloofsweg staan we persoonlijk in verantwoording voor de Heer. Maar bij het samenkomen als gemeente gaat het om de collectieve weg van de gelovigen. Daar zeggen we: “Wij zullen naar het huis van de HEERE gaan!”

Het overblijfsel in den vreemde is ver verwijderd van de tempel van God. Zij weten dat het daarheen een lange weg is. Maar zij nemen de beslissing: “Wij zullen naar het huis van de HEERE gaan!” In zekere zin is dat ook voor ons waar, in het bijzonder voor jonge gelovigen. Zij moeten innerlijk een weg afleggen, totdat zij met een overtuiging van het hart aan de wonderbare plaats van samenkomen blijven.

Dat begint ermee, dat ze de bijbelse waarheid over de gemeente leren kennen, zich dit persoonlijk toe-eigenen en zoeken te verwerkelijken. Dan worden zij – in de soms moeilijke situaties in de plaatselijke gemeente – op de gemeenschappelijke weg van de gelovigen, die in overeenstemming is met de gedachten van God, beproefd en bevestigd.

Onze voeten staan binnen uw poorten

In vers 1 spreekt de Heer Jezus, in vers 2 het gelovig overblijfsel. We willen van de uitspraak die zij hier doen, vier punten leren:

  • Onze voeten staan binnen uw poorten, Jeruzalem!” Het woord ‘onze’ benadrukt nogmaals, dat het hier om een gemeenschappelijke weg gaat.
  • “Onze voeten staan binnen uw poorten, Jeruzalem!” Wij moeten in geloof onze voeten op de waarheid van het samenkomen van de gemeente zetten. Dat betekent dat wij haar voor ons in de praktijk omzetten. Een bijbels feit begrijpt men pas echt, wanneer men deze ook verwerkelijkt. Niemand kan echt begrijpen wat de breking van het brood betekent, voordat hij zelf daaraan deelneemt. In de verwerkelijking ervaren wij pas iets van de waarde van de gemeenschappelijke weg van de gelovigen in overeenstemming met het Woord van God. Petrus wijst op dit feit wanneer hij over bevestigen, versterken en grondvesten schrijft (1 Petr. 5:10). Door het Woord worden wij bevestigd, door de Geest versterkt en in de praktijk gegrondvest.
  • “Onze voeten staan binnen uw poorten, Jeruzalem!” Deze joden houden in geloof vast, dat zij in de toekomstige tijd in Jeruzalem zullen staan. Als christenen verwerkelijken wij in geloof het samenkomen als gemeente in de tegenwoordige tijd.
  • “Onze voeten staan binnen uw poorten, Jeruzalem!” Poorten dienen ertoe mensen binnen te laten. Dat is wonderbaar. Op de plaats van samenkomen laat men graag mensen binnen. Men verheugt zich hen te kunnen zeggen: Bekeert u, geloof in de Naam en het werk van de Heer Jezus en vervult van harte de wens van de Heer: “Doet dit tot Mijn gedachtenis”! Er zijn poorten in de muur om mensen binnen te laten en in een zeer treurig geval ook naar buiten te doen.

Een stad die hecht samengevoegd is

Deze beschrijving van Jeruzalem geeft verdere aanwijzingen op het samenkomen van de gemeente. Het is een plaats, waar opgebouwd wordt. Paulus erkent in 1 Korinthe 3 ook de mogelijkheid, dat iemand vernietigend werkt. Dan stellen we ons de vraag: Zijn wij door onze activiteit en door ons gedrag bezig met het opbouwen of met het vernietigen van de plaatselijke gemeente.

Wat betekent de uitdrukking “hecht samengevoegd”? Het beginsel van het samenkomen vinden we in het Woord van God. Daartoe hebben wij geen licht van buiten, van de wereld, nodig. Een belangrijk voorbeeld van de gemeente is de woning van God, de tabernakel in de woestijn. Daar was geen enkel venster. Geen lichtstraal drong van buiten in de tent van samenkomst. Toch was het binnen helemaal licht, omdat de kandelaar licht verspreidde. Het is een beeld van de Geest van God die ons verstand geeft. We hebben werkelijk geen licht van buiten – van de wereld, van de theologie of filosofie – voor het samenkomen van de gemeente nodig. Laten we eraan denken: Het licht van buiten is duisternis.

Johannes herinnert de kinderen in het geloof aan de Heilige Geest: “… en u hebt [de] zalving vanwege de Heilige en u weet alles … de zalving die u van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en u hebt niet nodig dat iemand u leert …” (1 Joh. 2:20,27). Hier spreekt Johannes niet over “iemand” uit de wereld, die ons met menselijke gedachten over het christelijke leven onderwijzen wil. Dat zou licht van buiten zijn, dat we niet nodig hebben.

De stammen van de HEERE

“Daarheen trekken de stammen op, de stammen van de HEERE”. Nu denkt het overblijfsel, dat slechts de beide stammen Juda en Benjamin omvat, aan het hele volk Israël. Dat is altijd een kenmerk van de getrouwen: Zij hebben een hart voor het hele volk van God. Dat geldt ook vandaag voor de gemeenschappelijke weg van de gelovigen. Wanneer wij vergaderd zijn om het brood te breken, dan denken we eraan, dat dit ene brood van alle verlosten spreekt die op dit moment op de aarde leven. “Want wij de velen zijn één brood, één lichaam” (1 Kor. 10:17). Daar sluiten wij in geloof alle kinderen van God in onze harten bij in.

“… de getuigenis van Israël, om de Naam van de HEERE te loven”. Er is ook in de tijd van de genade op aarde een gemeenschappelijk getuigenis. Wanneer twee of drie tot de Naam van de Heer Jezus vergaderd zijn en Hij naar Zijn belofte in hun midden is, zo is dat een getuigenis of een representatie van Zijn gemeente. In alle nederigheid willen we daaraan vasthouden. Dit gemeenschappelijk getuigenis, dat wij door de verwerkelijking van de bijbelse gedachten over het samenkomen van de gemeente verwerkelijken, zal tot eer van de Heer zijn. In het laatste vers van Psalm 120 hebben we het persoonlijke getuigenis gevonden, hier gaat het om het gemeenschappelijke. Beide hebben hun plaats in ons leven.

Jeruzalem is de plaats waar de Naam van de Heer geprezen wordt. Zo biedt het samenkomen om het brood te breken ons de gelegenheid, onze God en Vader en onze Heer Jezus Christus te loven en te aanbidden. Dat is de eerste en belangrijkste opdracht van de plaatselijke gemeente.

De zetels van het recht

In Jeruzalem staan de zetels van het recht. Ook de plaats van samenkomen tot de Naam van de Heer Jezus Christus is een plaats van recht. Hoe is dat te begrijpen? Een duidelijke aanwijzing daartoe vinden we in Hebreeën 13 vers 11-13. De lichamen van het zondoffer werden buiten de legerplaats verbrand. Het verbranden duidt het oordeel aan. “Daarom heeft ook Jezus … buiten de poort geleden”, namelijk op Golgotha op de plaats van oordeel over de zonde. “Laten wij daarom tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, terwijl we Zijn smaad dragen”. Wanneer we tot Hem uitgaan, terwijl we ons tot Hem vergaderen om lofoffers te brengen, dan bevinden we ons op de plaats van het oordeel over de zonde. Dat heeft in de praktijk twee aspecten:

  • In 1 Korinthe 11 worden we opgeroepen vóór de maaltijd ter gedachtenis, onszelf te beproeven. Wanneer we ons tot de Heer Jezus vergaderen, is het ook nodig, dat wij ons steeds weer persoonlijk beproeven en alles veroordelen, wat niet met Zijn heiligheid overeenstemt.
  • 1 Korinthe 5 onderwijst ons over het gemeenschappelijk veroordelen van openbare zonde in de gemeente. Het boze – leerstellig of moreel – mag op deze plaats niet geduld worden. Daarbij mogen we niet vergeten, dat het om “de zetels van David” gaat. David is een beeld van de Heer Jezus. De plaatselijke gemeente heeft van God het gezag om te binden en te ontbinden (Matth. 18:18). Maar ze mag dit gezag alleen in onderwerping aan de Heer uitoefenen. We kunnen in een plaatselijke gemeente niet naar willekeur handelen, maar moeten in afhankelijkheid van de Heer en volgens de grondbeginselen van het woord van God beslissen.

De tempel, een huis van gebed

God zegt: “Mijn huis zal een huis van gebed genoemd worden voor alle volken” (Jes. 56:7). Ook de gemeente is een huis van gebed (1 Tim. 2). Daar komen we samen om gemeenschappelijk te bidden. “… als twee van u op de aarde iets, wat dan ook, eenstemmig verlangen, het hun ten deel zal vallen van Mijn Vader, Die in de hemelen is. Want waar twee of drie in Mijn Naam bijeengekomen zijn, daar ben Ik in hun midden” (Matth. 18:20,21). We willen over de samenkomst tot gebed niet gering denken, maar haar regelmatig bezoeken. Want de Heer heeft voor de gebeden van de gemeente een speciale belofte van verhoring gegeven.

Vers 6 en 7 stellen ons vier concrete gebedsonderwerpen voor:

  • “Bid om vrede voor Jeruzalem”. Dit komt overeen met het gebed om vrede in de plaatselijke vergadering. Daarbij willen we vasthouden: Er is geen echte vrede ten koste van de waarheid. Maar zonder vrede is er ook geen werkelijke zegen! Hoe belangrijk is dus het gebed om vrede in overeenstemming met God onder de gelovigen.
  • “… laat het goed gaan met hen die u liefhebben”. Dat is de voorbede voor de afzonderlijke kinderen van God. Dan denken we aan hun uiterlijk en innerlijk welzijn. De verlosten worden als zulken hier gekenmerkt, die de Heer liefhebben. Dat is het karakter van de gelovigen. Bovendien hebben zij de plaats van het samenkomen lief.
  • “Laat vrede binnen uw vestingwal zijn …”. Dat zijn de muren van de stad Jeruzalem. Wanneer wij ons tot de Naam van de Heer Jezus vergaderen, is er ook “een geestelijke muur” nodig.Het gaat om de afzondering van het kwaad, om een afweer tegen de invloeden van de wereld. Dat is absoluut noodzakelijk. Steeds weer probeert de vijand deze vestingwal te verwoesten, om kwaad en onwaarheden in te voeren. Daarom moeten wij voor deze “vestingwal” bidden. Maar ze zijn niet voor zichzelf daar, maar tot bescherming van de burchten.
  • “Rust in uw burchten!”. De burchten zijn een beeld van de heerlijkheden van de Heer Jezus, waarmee wij gedurende de samenkomsten bezig zijn.Dat is het werkelijke kernpunt wanneer we tot Hem vergaderd zijn: God wil de Heer Jezus groot maken in onze harten. Laten we erom bidden, dat wij op de gemeenschappelijke weg van de gelovigen steeds weer een geweldige indruk van de heerlijkheid van onze Verlosser krijgen!

Het welzijn van de broeders en zusters

Nogmaals neemt de Heer het woord. In vers 8 spreekt Hij over de broeders, in vers 9 over God.

“Omwille van mijn broeders en mijn vrienden spreek ik nu: Vrede zij in u!” De Heer Jezus schaamt zich niet om ons Zijn broeders te noemen (Hebr. 2:11,12). En Hij wenst dat het ons goed gaat.

Met hen, die de onderwijzingen in Psalm 120 tot 122 verwerkelijken willen, maakt de Heer Jezus Zich praktisch één. Dat heeft Hij altijd gedaan. “maar voor de heiligen die op de aarde zijn, en de machtigen, in wie ik al mijn vreugde vind” (Ps. 16:3). Hij verblijdt zich in de gelovigen die in getrouwheid, in godsvrucht en in vertrouwen op Zijn genade hun leven leiden.

Hij richtte zich eens tot de mensen, die zich echt bekeerden en zich door Johannes dopen lieten. Ook vandaag nog verbindt Hij zich met mensen die echte bereidheid tot bekering tonen. We denken allereerst aan onze eigen bekering. Toen wij onze knieën bogen en boete deden, heeft de Heiland ons gezien en Zijn zegel daarop gezet, doordat Hij ons nieuw leven en de Geest van God gegeven heeft. Maar dan volgt het dagelijks geloofsleven. Nu is het belangrijk dat we deze boetvaardige toestand van het hart bewaren. Altijd – als jongere, in het midden van het leven en ook na een lang leven als christen – moeten we bereid zijn ons over ons falen te verootmoedigen en de zaak met de Heer in orde te maken. Daartoe laat Hij Zich kennen. Maar Hij weerstaat de hoogmoedigen. Driemaal {1} staat er in de bijbel: “God keert Zich tegen de hoogmoedigen”.

Het huis van de HEER

Aan het slot wordt op het hoogtepunt van het samenkomen gewezen. Het gaat namelijk in de eerste plaats helemaal niet om ons, maar om God. Noch onze zegen, noch onze vreugde staan op de voorgrond. Het is het huis van onze God. Op deze plaats gaat het in de eerste plaats om Zijn aanspraken. Dat drukt de Heer Jezus hier door David uit: “Omwille van het huis van de HEERE, onze God, zal ik het goede voor u zoeken”. Wanneer wij dit aspect van het samenkomen van de gelovigen verstaan, krijgen we daartoe de juiste instelling. Daarop ligt een grote zegen.

NOOT VERTALER:
1. In de HSV kon ik er twee vinden, namelijk: Jak. 4:6 en 1 Petr. 5:5. Echter zie wel 2 Sam. 22:28 en Ps. 119:21.

Max Billeter, © Beröa Verlag

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol