2 jaar geleden

God vertrouwen in moeilijke tijden (9)

Psalm 126-128

Het herenigen van de gelovigen

De pelgrimsliederen 126-128 beschrijven ons, hoe de beide groepen van de gelovige Joden weer herenigd worden. Wanneer de koning van het noorden Jeruzalem verovert, verwoest hij ook de tempel en het verschrikkelijke afgodsbeeld van het Romeinse beest. Daarop keren de gevluchte Joden uit den vreemde terug naar Jeruzalem en verenigen zich met met het kleine overblijfsel dat daar volhard heeft. Deze vereniging vindt helemaal aan het einde van de grote verdrukking kort voor de verschijning van de Heer Jezus en de oprichting van het duizendjarig rijk plaats. Daarmee begint God Zijn volk te zegenen. Deze zegen ontvouwt zich uiteindelijk in het vrederijk in zijn volheid.

De ontmoeting van de gelovige Joden in Jeruzalem bewerkt vreugde (Psalm 126). Het gemeenschappelijk deel, dat zij als volk van God nu weer verwerkelijken, is een grote genade van God (Psalm 127), maar brengt ook een ernstige verantwoording voor de gelovigen met zich mee (Psalm 128). De zegen van God is ook een uitvloeisel van Zijn genade. Het kan echter alleen verkregen worden doordat de gelovigen hun verantwoordelijkheid nemen. De genade is honderd procent en de verantwoording is eveneens honderd procent. Dit is wiskundig onmogelijk en gaat boven ons verstand uit. Maar het is niettemin waar. Wanneer er zegen voor dit overblijfsel is, dan is het alleen genade. Dat heft echter hun verantwoordelijkheid geenszins op.

Toepassing op ons

Ook als christenen moeten we de geloofsweg niet alleen gaan. We mogen elkaar altijd weer ontmoeten wanneer de Heer ons tot Zijn naam vergadert. Deze samenkomsten van de gemeente zijn een grote zegen voor ons. Soms zijn we verhinderd om deze gemeenschappelijke uren te beleven. Dan ervaren we, wat een verlies dat voor ons is.

Uit deze drie psalmen leren we:

  • dat het een vreugde is om gemeenschappelijk als gemeente samen te komen;
  • dat het alleen de genade van God is die ons het samenkomen tot de naam van de Heer mogelijk maakt;
  • dat wij in deze samenkomsten onze verantwoording moeten waarnemen.

* * *

Psalm 126:

1. Een pelgrimslied.
Toen de HEERE de gevangenen van Sion terug deed keren, waren wij als mensen die droomden.
2. Toen werd onze mond vervuld met lachen en onze tong met gejuich. Toen zei men onder de heidenvolken: De HEERE heeft grote dingen bij hen gedaan!
3. De HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan, daarom zijn wij verblijd.
4. HEERE, breng een omkeer in onze gevangenschap, zoals waterstromen in het zuiden.
5. Wie met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien.
6. Wie het zaad draagt en dat zaait, gaat al wenend zijn weg; maar hij zal zeker terugkomen met gejuich, en zijn schoven dragen.

Het samentreffen

Het eerste vers stelt ons de beide groepen van de trouwe Joden voor.
‘De gevangenen (of zij die terugkeren) van Sion’ zijn de gevluchten, die naar Jeruzalem terugkeren. ‘De mensen die droomden’ zijn zij die achterbleven. Zij hebben geloofd, dat degenen die gevlucht waren, allen in de woestijn omkwamen. Ze hebben niet geweten, dat God hen gekoesterd heeft. Zij zijn daarom ook helemaal verwonderd als ze weer in Jeruzalem aankomen. Het schijnt voor hen allereerst als een mooie droom te zijn.

Het lachen van het geloof

Maar toen het overblijfsel in Jeruzalem besefte, dat de Heer de ontheemden bewaard en teruggebracht had,  vervulde hun mond zich met lachen en hun tong met gejuich. De zegen van de hereniging maakt hun harten blij. Het woord in Job 8 vers 20-21 wordt bewaarheid: “Zie, God zal de oprechte niet verwerpen, en Hij grijpt kwaaddoeners niet bij de hand. Eens zal Hij je mond weer met lachen vervullen, en je lippen met gejuich”.

Er zijn verlosten die menen dat lachen niet bij een christen past. Daarom willen we overwegen wat de Bijbel daarover zegt. Zij spreekt van lachen van het ongeloof, van het lachen van het kleingeloof en van het lachen van het geloof.

  • In Genesis 21 vers 9 vinden we het lachen van het ongeloof: “En Sara zag dat de zoon die Hagar, de Egyptische, Abraham gebaard had, aan het spotlachen was”. Vol ongeloof verachtte Ismaël het plan van God met Izak en het goddelijke oordeel achterhaalde hem. Hij werd met zijn moeder weggestuurd (Gen. 21:9,14).
  • In Genesis 18 bezoekt de Heer met twee engelen de aartsvader Abraham. Hij kondigt hem de geboorte van Izaäk aan: “Ik zal over een jaar  zeker bij u terugkomen; en zie, dan zal Sara, uw vrouw, een zoon hebben! Sara hoorde dat bij de ingang van de tent, die achter Hem was” (Gen. 18:10). Toen Sara deze mededeling in de tent hoorde, lachte zij in zichzelf, dat wil zeggen in haar hart. Dat is een lachen van het kleingeloof. We kunnen dit lachen begrijpen. Abraham en Sara zijn beiden al te oud om kinderen te krijgen. De Heer legt de vinger op hun kleingeloof, doordat Hij vraagt: “Waarom heeft Sara toch gelachen en gezegd: Zou ik ook werkelijk baren, nu ik oud geworden ben?” (Gen. 18:13). Dan loochent Sara dat en zegt: “Ik heb niet gelachen …”. Maar zij heeft niet het laatste woord, want God antwoordt haar: “Nee, u hebt wél gelachen” (Gen. 18:15).
  • Toen Izak een jaar later geboren werd, lezen we: “Abraham gaf zijn zoon die hem geboren was, die Sara hem gebaard had, de naam Izak” (Gen. 21:3). Deze naam betekent “lacher”. Sara zegt in vers 6: “God heeft mij doen lachen; ieder die het hoort, zal met mij meelachen”. Hoe mooi: God heeft bij haar dit lachen van het geloof bewerkt.

Hier wordt ook duidelijk dat lachen aanstekelijk is. Dat hebben we zeker ook al wel eens beleefd: We hebben gelachen en anderen met ons, dus heeft de blijdschap zich verbreid.

Het is een zegen wanneer we als blijde christenen met elkaar de weg gaan en ook samen lachen. Deze vrolijkheid onder gelovigen is in de wereld een getuigenis voor God.

“De mond vervuld met lachen” spreekt van een gelukkige innerlijke toestand van een verloste, die in het geloof staat. “Een tong met gejuich” duidt op het loflied dat uit een gelukkig hart voortkomt. Hoe mooi wanneer in het gezin en in het volk van God vaak gezongen wordt. Ook het Nieuwe Testament moedigt ons op enkele plaatsen aan om te zingen.

Eenheid als getuigenis aan de wereld

“Toen zei men onder de heidenvolken: De HEERE heeft grote dingen bij hen gedaan!” De vereniging en eenheid van de tot dan toe gescheiden Joden is een indrukwekkend getuigenis aan de andere volken.

De woorden van de Heer Jezus in Johannes 17 vers 21 drukken dezelfde gedachten met het oog op de gelovigen uit de genadetijd uit: “opdat zij allen één zijn, zoals U, Vader, in Mij en Ik in U, opdat ook zij in Ons <één> zijn, opdat de wereld gelooft dat U Mij hebt gezonden”. De eenheid van de kinderen van God is een getuigenis aan de wereld.

Een voorbeeld daartoe: Ik reisde een keer met de trein en las in de Bijbel. De man die tegenover mij zat, sprak mij daarop aan. In het gesprek bleek, dat we beiden in Jezus Christus geloofden. Er ontstond een heel mooi gesprek. Een ongelovige man, die erbij zat, was onder de indruk van onze verbondenheid in het geloof, hoewel we elkaar nog nooit gezien hadden.

“Daarom zijn we verblijd”. Deze vereniging en eenheid is de reden van de vreugde van het overblijfsel. Dat nemen de andere volken waar.

Wanneer wij gelovigen gelukkig zijn in de Heer, dan toont zich dat in een vreugdevol leven. Vreugdevolle christenen zijn een getuigenis in hun omgeving. Wij allemaal, jong en oud, willen toch graag voor de Heer getuigen, opdat mensen tot geloof in de Heer Jezus komen. Maar dit  vreugdevol leven en getuigenis kunnen niet door een evangelisatie-training bereikt worden, maar ze zijn het uitvloeisel van een gelukkig hart, dat zich in de Heer verblijdt.

De geschiedenis van Abraham en Lot bevestigt dit feit. Abraham leefde afgezonderd van de wereld en in gemeenschap met God. Lot daarentegen hield zich in Sodom op temidden van de wereld. Misschien denken we dat Lot in Sodom meer gelegenheden dan Abraham had om van God te spreken. Maar we vragen ons af: Hoevelen zijn er door Lot en hoevelen door Abraham tot geloof in God gekomen? Dan staan we verwonderd, dat door het getuigenis van Abraham enkelen levend geloof in God vonden (Hagar, Ismaël, Izak, Eliëzer). Maar toen Lot zijn schoonzonen voor het oordeel waarschuwde, vatten zij het op als een grap. Waarom? Omdat zijn leven deze mededeling niet bekrachtigde.

Vereniging van het gehele volk van God

Twee groepen van gelovigen uit de beide stammen van Juda en Benjamin zijn al verenigd. Maar God heeft beloofd, dat van alle stammen een overblijfsel in Israël en Jeruzalem zijn zal. Daarom vragen zij: “HEERE, breng een omkeer in onze gevangenschap, zoals waterstromen in het zuiden”. Het zijn niet de gevangenen van Sion, maar zij die terugkeren. Het gaat om mensen uit de tien stammen van het voormalige noordelijke rijk van Israël.

De Joden verlangen ernaar, dat het gehele volk Israël zal worden samengevoegd, zodat zij gezamenlijk zegen van God ontvangen. We kunnen er zeker van zijn, dat God deze belofte aan het volk Israël vervullen zal, zoals Hij elke belofte in Zijn Woord waarmaakt.

Toegepast op ons: het gaat om het verlangen van de gelovigen, dat de kring van de verlosten groter wordt. Mochten wij toch allen de wens hebben:

  • dat nog veel mensen tot geloof in de Heer Jezus komen;
  • dat zich het getal vermeerdert van hen, die zich tot Zijn Naam vergadert.

Met tranen zaaien

De beide laatste verzen stellen ons een belangrijk feit voor: Het komt door tranen tot gejuich. Dat is heel bijzonder voor het joodse overblijfsel: Zij komen door tranen van de verdrukking tot gejuich. De getrouwen uit Israël wenen om verschillende redenen:

a) Tranen van heimwee

In Psalm 137 vers 1 klagen de verdrevenen: “Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij, ook weenden wij als wij aan Sion dachten”. Wat waren dat voor tranen? Dat waren tranen van heimwee.

Kent u ook deze tranen van heimwee naar het Vaderhuis? Of hebt u zich het op aarde al zo comfortabel gemaakt, dat u hier voor altijd zou willen blijven? Dan kent u geen heimwee naar de hemel.

God laat sommige nood op aarde toe, opdat ons heimwee sterker wordt. Een zuster in geloof was vele tientallen jaren met een liefdevolle echtgenoot gehuwd. Toen werd zij weduwe. Een bezoeker meende: “U mist toch uw man zeer”. Toen bekende zij: “Bij zijn ontslapen heb ik veel geweend, maar sindsdien heb ik mij meer van de aarde losgemaakt”. Deze gedachten vinden we in 2 Korinthe 5 vers 2 bevestigd: “Immers, in deze [tent] zuchten wij, terwijl wij vurig verlangen met onze woning die uit [de] hemel is, overkleed te worden”.

b) Tranen vanwege smarten van afscheiding

“Er is een stem gehoord in Rama, een rouwklacht, een zeer bitter geween: Rachel weent over haar kinderen. Zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, want zij zijn er niet meer” (Jer. 31:15). Deze uitspraak heeft geen historisch equivalent, omdat Rachel nooit heeft geweend over haar kinderen. Bij de geboorte van haar tweede zoon, Benjamin, is zij gestorven.

Enerzijds wordt dit vers in het Nieuwe Testament toegepast op de systematische kindermoord door Herodes (Matth. 2:18). Anderzijds spreekt zij van de scheiding in het volk van God. Onder de regering van Rehabeam werd het koninkrijk van Israël in een noord- en zuidelijk rijk verdeeld. De nakomelingen van Jozef, de eerste zoon van Rachel, bevonden zich in het noorden, de nakomelingen van Benjamin in het zuiden.

In 1 Koningen 15 vers 16-17 staat: “En er was oorlog tussen Asa en Baësa, de koning van Israël, al hun dagen. Want Baësa, de koning van Israël, trok op tegen Juda, en bouwde Rama uit, om niemand meer toe te laten het land uit te gaan en naar Asa, de koning van Juda, te gaan”. Aldus werd de scheiding in Rama gecementeerd {stevig gemaakt – vertaler}. Dat leidde tot veel tranen, want de smart is groot dat de kinderen van Rachel niet meer bij elkaar zijn.

Deze scheiding is tot op vandaag niet geheeld. Pas bij de oprichting van Zijn koninkrijk zal de Heer Jezus deze gescheiden stammen weer bij elkaar brengen. Tot dan toe weent het overblijfsel vanwege deze scheiding.

Kennen wij deze tranen van scheidingen in het volk van God ook? Doet ons de verdeeldheid onder de kinderen van God ook nog pijn? Wanneer het ons niet smart, dat wij niet met alle verlosten het brood kunnen breken – helaas gaat dat niet -, is het innerlijk verkeerd. De smart over deze scheiding is het bewijs, dat we ons de eenheid van de kinderen van God bewust zijn. Ik vind geen enkele aanwijzing in de Bijbel, dat deze scheiding hier op aarde hersteld wordt. Desondanks treuren wij erover en verootmoedigen we ons daaronder. Maar er zal een dag komen, waarop alle verlosten met elkaar verenigd zullen worden.

c) Tranen van berouw

Het joodse overblijfsel, die door de verkondiging van het evangelie van het koninkrijk tot erkenning van zijn zonden en tot bekering geleid wordt, verwacht de door God beloofde Messias. Een deel van het overblijfsel weet niet, dat de Heer Jezus de Messias is. Volgens Zacharia 13 vers 6 vragen zij Hem verwonderd: “Wat betekenen deze wonden aan uw handen?” Dan zal Hij zeggen: “Dat ik geslagen ben in het huis van hen die mij liefhebben”.

Wanneer Hij dan zo voor hen staat, worden zij zich ervan bewust, dat zij als volk Israël voor de kruisdood van hun Messias verantwoordelijk zijn. Dat brengt hen tot tranen van bittere wroeging en berouw: “Zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben. Zij zullen over Hem rouw bedrijven, als met de rouwklacht over een enig kind; en zij zullen over Hem bitter klagen, zoals men bitter klaagt over een eerstgeborene” (Zach. 12:10).

Heeft het feit dat uw Heiland vanwege uw zonden sterven moest, uw hart ook al treurig gemaakt? Zijn handen werden doorboord toen Hij gekruisigd werd. Aan het kruis hangend heeft Hij voor u geleden en het verlossingswerk volbracht.

We willen eens net als Paulus alle anderen terzijde laten: “De Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven” (Gal. 2:20). Daarmee zegt hij: Wanneer geen ander mens behalve ik, Saulus van Tarsus, gezondigd zou hebben, dan zou de Heiland Zich alleen voor mij persoonlijk overgegeven hebben. Zo groot was de liefde van de Heer voor u en voor mij.

Met gejuich maaien

De broers van Jozef die naar Egypte komen, zijn een mooi beeld van dit gelovige overblijfsel. Door de moeilijkheden die zij bij het kopen van het koren ondervonden, werden zij aan hun verschrikkelijke gruweldaad aan Jozef herinnerd en tot berouw gebracht. Daar zeggen ze tegen elkaar: “Werkelijk, wij zijn schuldig vanwege onze broer. Wij zagen zijn zielsbenauwdheid toen hij ons om genade smeekte, maar wij luisterden niet! Daarom komt deze benauwdheid over ons” (Gen. 42:21). Toen Jozef zich tenslotte bekend maakte, schrokken ze heel erg: Deze Egyptische heerser is hun broer, die zij als slaaf verkocht hebben! Maar op hetzelfde moment beantwoordt Jozef hun gewetensnood: “Maar nu, wees niet bedroefd en laat jullie ogen niet in toorn ontvlammen omdat jullie mij hiernaartoe hebben verkocht, want God heeft mij vóór jullie uit gezonden tot behoud van jullie leven” (Gen. 45:5).

Zo is het ook wanneer de gelovige Joden wenen, omdat zij de Messias doorstoken hebben. De Heer maakt hun duidelijk dat Hij juist aan het kruis de grondslag van alle zegen gelegd heeft. Dan veranderen hun tranen in gejuich.

Maleachi 4 vers 2 laat dat zo mooi zien. Wanneer de Heer voor de Israëlieten in heerlijkheid verschijnt, gaat Hij voor hen op als de Zon van gerechtigheid met genezing onder Zijn vleugels. Het resultaat daarvan is gejuich. Het overblijfsel zal dartelen van vreugde als kalveren uit de stal. Het gaat daar om mestkalveren, die uit de stal op de weide uitgelaten worden en met grote sprongen van hun vrijheid genieten.

Ook wij zullen ons verheugen, wanneer de Heer Jezus wederkomt en ons tot Zich in het huis van de Vader brengt. Dan zullen wij juichen, want onze vreugde zal nog veel groter zijn. De tijd van tranen zal voor altijd voorbij zijn. Bij Hem zullen we eeuwig gelukkig zijn. Verlangen we daarnaar? Verwachten wij Hem met vreugde?

De tranen van de Heer

“Wie het zaad draagt en dat zaait, gaat al wenend zijn weg”. Nu spreekt de Bijbel plotseling in het enkelvoud. Wie wordt er met “wie” bedoeld? Het is de Heer Jezus. Zo betekent dit vers: Hij gaat onder geween naar Golgotha. Door Zijn sterven aan het kruis draagt Hij het zaad om te zaaien. Hij komt in de toekomst terug naar Jeruzalem en brengt het overblijfsel als schoven thuis.

Ook het Nieuwe Testament bericht ons, dat de Heiland geweend heeft, en wel op drie schriftplaatsen:

  1. Hij weent over de stad Jeruzalem, omdat haar bewoners zich niet tot God bekeren willen (Luk. 19:41,42). Moet Hij ook over u wenen, omdat u uw zonden nog niet beleden en nog niet in Hem geloofd hebt?
  2. Aan het graf van Lazarus vergiet Hij tranen, omdat zij, die Hij verlost heeft, nog ziek worden en sterven kunnen (Joh. 11:35). Wanneer u ziek bent of om iemand treurt, kunt u er zeker van zijn, dat de Heer een diep medegevoel met u heeft!
  3. Ook in Gethsémané weent Hij. In Hebreeën 5 vers 7 staat, dat Hij met sterk geroep en tranen Zijn gebeden tot God bracht. Hij weende toen Hij het gehele lijden aan het kruis voor Zich zag. Heel bijzonder diep lijden bereidden Hem het weten, dat God Zich in de drie uren van duisternis van Hem zou afwenden.

De vreugde van de Heer

maar hij zal zeker terugkomen met gejuich, en zijn schoven dragen”. Dit betreft leerstellig het moment dat hij met de gelovige Joden Jeruzalem binnentrekt. Zij zijn de oogst die op aarde uit Zijn sterven op het kruis voortkomt. Hij verheugt Zich over een gewillig volk, dat Hem dan als Koning erkent.

De Heer verheugt Zich op de opname. Dan zal Hij de hemelse oogst binnenbrengen. Alle verlosten van de genadetijd zal Hij in het huis van de Vader invoeren. In 2 Thessalonika lezen we van de volharding van Christus (2 Thess. 3:5). Hij wacht met verlangen en vreugde op het moment, waarop Hij zal terugkomen om ons tot Zich te nemen. Hij heeft onder geween het zaad voor het zaaien gedragen. Hij heeft niet alleen het Woord verkondigd – daarvan spreekt het zaaien ook -, maar Zichzelf als zaad in de dood gegeven. In Johannes 12 vers 24 verklaart Hij: “… als de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij alleen; maar als zij sterft, draagt zij veel vrucht”.

We hebben ons eraan herinnerd, dat wij bij de opname juichen zullen. Maar hebben we er ook al aan gedacht, dat Hij jubelen zal? Wij mogen er zeker van zijn: Zijn verlangen om ons bij Zich te hebben, is veel groter dan het verlangen van alle kinderen van God om tot Hem te gaan. Hij drukt het in Johannes 17 zó uit: “Vader, wat [1] U Mij hebt gegeven – Ik wil dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, opdat zij Mijn heerlijkheid aanschouwen …”.

NOOT VERTALER:
1. A.l. die

Max Billeter, © Beröa Verlag

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol