7 jaar geleden

Gij doorgrondt en kent mij (4)

Psalm 139 vers 7-16

DEEL 2 SLOT

“Want Ú hebt mijn nieren geschapen, mij in de schoot van mijn moeder geweven” (vs. 13).

Daarmee komen we tot de verzen, die vele bijbellezers niet zo liggen. Ze worden graag door jonge ouders gelezen, die een baby gekregen hebben. Zij verheugen zich, dat het kind een perfect, klein mensje is. Dat is zeer verkwikkend, maar wij willen nog een ogenblik bij deze verzen stilstaan, om de diepere zin te begrijpen.

Deze veelomvattende uitspraak: “U hebt mijn nieren geschapen” stelt ons God als Schepper voor. En het betekent, dat God iets op het oog heeft, waar mijn natuurlijke ogen blind voor zijn. God ziet in deze duisternis, in dit verborgene van het menselijke lichaam. Of het nu mijn nieren zijn, die geen mens zonder technische hulp zien kan of het lichaam van een moeder, waarin insgelijks geen mens zien kan – God ziet het. Meer nog: Hij heeft ons zelfs daar gevormd. Dat is wonderbaar!

“Ik loof U omdat ik ontzagwekkend wonderlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn Uw werken, mijn ziel weet dat zeer goed” (vs. 14).

Het scheppingsproces van God in het lichaam van de moeder (vs. 13b) vindt verdere verklaringen in vers 14-16. Toch komt David allereerst tot verwondering. Het is de tweede keer (verg. vs. 6). Het komt recht uit zijn hart – en wij stemmen graag met de lofprijzing is: “dat ik ontzagwekkend wonderlijk gemaakt ben”. Dat komt overeen met de spontane uiting van dankbare jonge ouders, wanneer zij hun kleine kind in de armen houden. Dat begrijpt men zeer goed. De mens is zo de kroon van de schepping. Daarom verwonderen wij ons niet, dat David met lofprijzing begint. Hij denkt terug: Ik prijs U, U grote God, dat U dat gedaan hebt.

“Mijn beenderen waren voor U niet verborgen, – toen ik in het verborgene gemaakt ben en geborduurd werd in de laagste plaatsen van de aarde” (vs. 15).

Dat het lichaam zich in de eerste weken volgens een bepaald model zich in detail vormde, kon toen 3000 jaar geleden geen mens observeren. Het bleef een verborgenheid. Voor God natuurlijk niet. Voor Hem is alles licht en ontbloot.

Merkwaardig dat David hier van “de laagste plaatsen van de aarde” spreekt. Welk verband bestaat er tussen het vormingsproces van de mens in de eerste weken en de laagste delen van de aarde? Het gaat om een beeldspraak, die de Schrift op vele plaatsen gebruikt. De laagste plaatsen van de aarde zijn daarom niet letterlijk te verstaan, maar zijn een beeld van de verborgenheid van het moederlichaam.

“Uw ogen hebben mijn ongevormd begin gezien …” (vs. 16a).

David spreekt hier van een kiem of een kluwen respectievelijk een ongevormde massa, zoals men het ook vertalen kan. Hoe wist David dat? Het is niet voorstelbaar, dat men 3000 jaar geleden al zulke gynaecologische kennis had, om te beschrijven, wat er zich allemaal in de moederschoot voltrekt. Het is er een bewijs voor, dat David hier geïnspireerd door de Geest van God iets gezegd heeft, dat zonder twijfel boven de toenmalige kennis uitging. Men kan zich eenvoudig niet voorstellen, dat 3000 jaar geleden een ander, zonder de inspiratie van God zoiets had kunnen zeggen of denken. De nauwkeurigheid van de wijze van uitdrukken is indrukwekkend. Iets dergelijks vindt men terloops ook bij Job, als hij over dier- en sterrenwereld spreekt.

“… en zij allen werden in Uw boek beschreven, de dagen dat zij gevormd werden, toen er nog niet één van hen bestond” (vs. 16b).

Wat betekent hier boek? Moet God een boek bij Zich hebben? Neen! Dat boek is een beeld voor Gods absolute voorkennis. God kent alles, en dat vergelijkt de psalmist met een boek. Maar laten we nog iets nauwkeuriger kijken: Vers 16 gaat verder dan de verzen ervoor. Het grijpt verder terug in het verleden. Niet alleen ziet God het groeiende mensenkind in het lichaam van de moeder, neen, reeds in de fase vóór de geboorte kent God al alle dagen van de toekomst. Door onderzoek en techniek mogen tegenwoordig al sommige geheimen aan het licht gebracht zijn (bijvoorbeeld laat zich de “ongevormde klomp” door ultrasonore golven goed zichtbaar maken). Maar de persoonlijke toekomst zal de mensen altijd verborgen blijven. Alleen God heeft ze voor ogen. De profeet Jeremia was daarover duidelijk, toen hij sprak: “Het woord van de HEERE kwam tot mij: Voordat Ik u in de moederschoot vormde, heb Ik u gekend; voordat u uit de baarmoeder naar buiten kwam, heb Ik u geheiligd. Ik heb u aangesteld tot een profeet voor de volken” (Jer. 1:4-5). God kent het einde van het begin af aan.

Wij willen deze gedachten nog iets verder vervolgen, omdat er nog iets diepers achter zit, zoals dat zo vaak het geval is in de Schrift. Dezelfde David spreekt op een andere plaats van dezelfde gebeurtenis, in één zin samengevat: “Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren …” (Ps. 51:7). Stellen we ons dat voor! Past dat hierbij? Als zuigeling had hij toch geen zonde begaan! – Hij wil ermee uitdrukken, dat met het feit van de geboorte een treurige ontwikkeling inzet, die steeds erger wordt. We weten, dat ieder mens in principe verlamd, blind en arm, kortom – een treurige verschijning is. De profeet Jesaja bevestigt dat in zijn eerste hoofdstuk. De mens is van top tot teen bedorven. En dat willen we ons ook laten zeggen. De uiterlijk zo perfect geworden mens is innerlijk totaal verloren, allerminst mooi. Dat is waar. We vergeten het meestal, wanneer we een klein zoet kind zien. Maar het begin is er, en wij christenen weten, dat het kind evenzo het boze geërfd heeft, een boze natuur, het vlees. David kon dat zeker zo nog niet formuleren, tenminste wist hij dat nog niet zo nauwkeurig, zoals wij dat vandaag weten. Wij christenen weten, onderwezen door het Nieuwe Testament, dat ook een zuigeling de boze natuur van de ouders heeft. Zo zijn wij van nature. Maar door de genade van God zijn wij nieuwe mensen geworden. Er is iets volledig nieuws ontstaan. God heeft ons uitverkoren vóór de grondlegging van de wereld, en als wij later geboren werden, liet Hij ons het evangelie horen; Hij liet ons door geloof het heil aangrijpen. Zo beleefden wij de nieuwe geboorte waarvan de Efeze-brief zegt, dat wij Zijn werk zijn, geschapen in Christus Jezus (Ef. 2:10). Deze nieuwe geboorte, de nieuwe schepping, is een veel groter kunstwerk dan de natuurlijke geboorte. Wanneer we daarover nadenken – en de aanleiding daartoe was de natuurlijke geboorte van een mens – dan is men overweldigt en bidt God daarvoor van harte aan.

Een tweede punt, die ik bij dit vers wil noemen, is, dat deze plaats ook van Christus spreekt. We wijken nu een beetje van de hoofdlijn af, verwijden de gedachten en willen haar heel bewust vanuit het oogpunt van het Nieuwe Testament overdenken. Hebreeën 10 vers 5 spreekt ervan, dat God het lichaam van de Heer bereid heeft. Zo kan men zich voorstellen, dat het – in alle eerbied gezegd – geen lichaam was, die met grotere precisie gevormd was als dit lichaam, het lichaam van de Zoon van de maagd. Dit lichaam van het kind, waarvan geschreven staat: “Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven” (Jes. 9:5). Dat was eenmalig! De Zoon van God werd geboren! Waarom? Alleen om te sterven. Dat is de reden, die in Hebreeën 2 vers 14 genoemd wordt, waarom de Heer vlees en bloed aannam.

Deze gedachten neemt het Woord van God in Hebreeën 10 op, als we van het offer van Zijn lichaam lezen. Stellen we ons dat eens voor: Dit wonderbaar gevormd lichaam wordt dan weer geofferd. Dat waren nu precies de plannen van God, dat Hij dit Kind van Sion komen liet, dit wonderbaar Kind, dit van het begin af tot het einde toe gehoorzame Kind. Hij groeide op en was het voorwerp van haat en verachting van Zijn tijdgenoten en tenslotte ook het voorwerp van de slagen van Zijn tijdgenoten, dezelfde categorie van mensen die zo wonderbaar gemaakt waren, zoals Psalm 139 dat noemt. Kleine mensen werden “groot” en ontwikkelden zich tot vijanden van de Heer. Nog erger: Zij gedroegen zich als dieren, niet meer als mensen. Men kan als pasgeboren kind er nog zo mooi uitzien, maar dat beschermt je er niet voor, dat men zich als dieren gedragen kan, zoals Psalm 22 het ook heel duidelijk zegt. Dit kostbaar lichaam van onze Heer betekende voor deze mensen helemaal niets. Misschien denken we ook eens over Hem en Zijn lichaam na, als we deze tekst voor ons hebben.

Uit: © Folge mir nach. Naar een lezing van Klaus Sander.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol