2 jaar geleden

Filippi 4 vers 8 en 9

“Overigens broeders, al wat waar, al wat eerzaam, al wat rechtvaardig, al wat rein, al wat beminnelijk, al wat welluidend is, als er enige deugd en als er enige lof is, bedenkt dat. Wat u geleerd, ontvangen, gehoord en gezien hebt in mij, doet dat; en de God van de vrede zal met u zijn”.

Er is veel schoonheid in de natuur, en de natuurlijke mens kan prachtige muziek en kunst en literatuur produceren en waarderen. Het boze van de wereld is echter altijd aanwezig, pronkend in het openbaar, omstandig verhaald door de dagbladpers, wijd verspreid op verschillende manieren. Het wordt met wellust bekeken in literatuur, afgebeeld in uitgaansgelegenheden, en uitgebuit voor gewin.

Hoe kan dan een christen voor de verontreinigende invloeden van zo’n wereld bewaard worden? Alleen door zijn geest bezig te houden met dingen die waar, eerzaam, rechtvaardig, rein en beminnelijk zijn; dingen die welluidend, deugdzaam en prijzenswaardig zijn. Deze dingen vinden hun perfecte uitdrukking in Christus en in Zijn volk in die mate waarin Christus gestalte in hen gekregen heeft. Christus is altijd onze bron om ons op te heffen boven de verontreinigende invloeden van een wereld zonder God. Het karakter wordt gevormd door wat de geest voedt. Vandaar het belang van de aansporing “bedenkt dat”.

Degene wiens geest bezig is met de dingen die moreel rein zijn, de dingen waaraan Christus welgevallen heeft, zal bereid zijn de dingen te doen die aangenaam voor Christus zijn. Daarom wordt het “denken” van vers 8 gevolgd door het “doen” van vers 9. Evenals de boze gedachten van het hart hun uitdrukking vinden in boze wegen, worden goede gedachten gevolgd door goed handelen. Het bedenken van de dingen die moreel schoon zijn en het doen wat God behaagt, geeft ons niet alleen de vrede van God in ons hart, maar ook dat de God van de vrede met ons is in onze wandel.

Hamilton Smith, © the Lord is near

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol