7 jaar geleden

Elia – Een profeet van de Heere (7)

Karmel – God geeft regen

Lezen: 1 Koningen 19 vers 1-8:

1 Achab vertelde Izebel alles wat Elia had gedaan, en hoe hij allen, te weten al de profeten, met het zwaard had gedood.
2 Toen stuurde Izebel een bode naar Elia om te zeggen: De goden mogen zó en nog erger met mij doen, als ik morgen om deze tijd uw leven niet zal maken als het leven van één van hen.
3 Toen hij dat zag, stond hij op en vluchtte voor zijn leven. Hij kwam in Berseba, dat aan Juda toebehoort, en liet zijn knecht daar achter.
4 Hijzelf liep echter een dagreis de woestijn in, ging onder een bremstruik zitten en bad om te mogen sterven. Hij zei: Het is genoeg. Neem nu mijn leven, HEERE, want ik ben niet beter dan mijn vaderen.
5 Hij ging onder een bremstruik liggen slapen, en zie, een engel raakte hem aan en zei tegen hem: Sta op, eet.
6 Hij keek op, en zie, aan zijn hoofdeinde lag een koek, op kolen gebakken, en een kruik water. Hij at en dronk en ging vervolgens weer liggen.
7 De engel van de HEERE kwam voor de tweede maal, raakte hem aan en zei: Sta op, eet, want de weg zou te zwaar voor u zijn.
8 Toen stond hij op, at en dronk, en liep door de kracht van dat voedsel veertig dagen en veertig nachten, tot aan de berg van God, de Horeb.

Elia had de goede belijdenis voor de goddeloze koning, de valse profeten en de volkeren die de afgoden dienden betuigd; nu moest hij de tegenstand van een heel ander karakter, namelijk van de goddeloze Izebel, ondervinden. De koning was zelfzuchtig en nalatig, omdat hij alleen de bevrediging van zijn lusten en genoegens zocht en tegenover de afgodendienst geheel onverschillig was. Izebel daarentegen was een zeer energieke vrouw, een religieuze fanaat, die de afgodendienst met onvermoeide ijver propageerde, die de priesters van Baäl beschermde en de dienstknechten van de Heere vervolgde. Om haar religieus doel te bereiken, probeerde zij de wereldlijke macht van haar man in haar voordeel uit te buiten.

Om deze reden wordt de naam van Izebel door de Geest van God als de belichaming van een corrupt religieus systeem gebruikt, dat, door satan aangespoord, zijn weg met hardnekkige ijver voortzet en de dienstknechten van God vervolgd of zich inspant, hen te verleiden en de wereldlijke macht voor  haar eigen doel uit te buiten (Openb. 2:20-23).

De vervolgingswoede van deze verschrikkelijke vrouw zou Elia nu tegenkomen. Zijn moed bezweek voor haar dreigingen, en hij vluchtte uit angst voor zijn leven. Door het land Juda kwam hij in Berseba in het uiterste zuiden aan de rand van de woestijn. Tot hier toe was hij op eht woord van de Heere opgebroken, zodat hij op de Karmel werkelijk zeggen kon: “… dat ik al deze dingen overeenkomstig Uw woord heb gedaan” (1 Kon. 18:36). Op zijn huidige weg echter werd hij niet door een woord van de Heere, maar door het dreigende woord van een vrouw gedreven. Elia had op dit ogenblik de goddeloze en machtige Izebel de kans gegeven, om zich tussen hem en God in te stellen. Zo kwam het dat de man, die namens God voor de koning, de valse profeten en geheel Israël gestaan had, nu voor de dreiging van een vrouw vlucht. Jakobus heeft werkelijk gelijk, als hij zegt, dat Elia een mens was net zoals wij. Bij dit alles denkt Elia niet aan God of aan het volk van God, maar alleen aan zichzelf. God had Elia naar de plaats van het openlijk getuigenis geleid, maar nu wankelt zijn geloof voor de tegenstand, die deze plaats met zich meebrengt. Hij geeft het pad van het geloof op en wandelt door aanschouwen. We lezen: “Toen hij dat zag, stond hij op en vluchtte voor zijn leven”. Tot hier toe werd Elia bij de grote gebeurtenissen, waaraan hij deel had, door het heldere geloofsoog op de levende God gesterkt, maar in deze nieuwe beproeving verloor zijn wankelend geloof de levende God uit het oog, en hij ziet alleen nog deze gewelddadige vrouw. Voor haar moorddadige dreiging vergeet hij geheel de God, die hem geleid en bewaard had, het meel dat niet opraakte, de olie die niet minder werd, de kracht van God, die de doden opwekt, die het vuur van de hemel en de regen gezonden had. Alles werd in een ogenblik vergeten, en de profeet ziet alleen een woedende vrouw en een gewelddadige dood regelrecht voor zich. “Toen hij dat zag, stond hij op en vluchtte voor zijn leven”. Van Petrus lezen we: “Maar toen hij op de sterke wind lette, werd hij bevreesd” (Matth. 14:30), en hij begon te zinken. De grote apostel zinkt, als hij door aanschouwen wandelt, en de grote profeet vlucht. Als de man van God op de zichtbare dingen ziet, is hij zwakker dan de mens van de wereld. Alleen in die mate, waarin wij in geloof wandelen, die Hem, de Onzichtbare, ziet, zullen we ook onder toenemende moeilijkheden en beangstigende omstandigheden standhouden.

“Hij vluchtte voor zijn leven”. Niet om zijn God, noch om het volk van God of om het getuigenis van de Heere, maar om zijn leven vluchtte hij. Omdat hij alleen zichzelf voor ogen had, vluchtte hij zo ver mogelijk van het toneel van het getuigenis weg. Hij verlaat het land van de belofte, keert het volk van God de rug toe en vlucht naar Berseba.

Ach, hoe snel kunnen ook wij in de tegenwoordigheid van een beproeving al datgene vergeten, wat de Heere voor ons in het verleden geweest is! De weg waarlangs Hij ons geleid heeft, de genade die ons bewaard heeft, het hart, dat ons lief gehad heeft, de hand die ons vastgehouden heeft, dat alles wordt in de tegenwoordigheid van een beproeving vergeten, die zo zeer reeel op onze zinnen afstormt. We zien de beproeving, we verliezen de blik op God; in plaats van voor de levende God te staan, vluchten wij voor een of ander voorbijgaande beproeving. We spannen ons meer in om de beproeving te ontgaan, dan in de beproeving de genade van God te zoeken, die ons overeind houdt, en de gedachten van God door haar te ervaren.

In Berseba aangekomen, laat Elia zijn knecht achter en gaat een dagreis ver de woestijn in. Op deze eenzame plaats neemt hij zijn toevlucht tot het gebed. Maar hoe geheel anders is dit gebed dan zijn vroegere gebeden. Toen had hij om de verheerlijking van God en om zegen voor zijn volk gebeden; nu vraagt hij voor zichzelf. En wat voor een vraag! Hij roept: “Het is genoeg. Neem nu mijn leven, HEERE, want ik ben niet beter dan mijn vaderen”. Hij heeft alleen zichzelf voor ogen. Zijn vlucht voor Izebel en zijn gebed in de woestijn tonen, dat alles alleen nog maar om hemzelf draait. Het is “zijn leven”, waarom hij vlucht, het is “voor hemzelf”, waarvoor hij bidt.

Dat alles spreekt van de grote moedeloosheid van de profeet. Hij had de heerlijke ontvouwing van de macht van de Heere op de berg Karmel gezien, hoe het volk zich met het aangezicht ter aarde had geworpen en erkend had, dat “de HEERE God is”. Hij had aan de profeten van Baäl het oordeel van uitgevoerd, hij had als antwoord op zijn gebed de regen zien komen, en ongetwijfeld had hij een grote opleving van aanbidding van de Heere en de zegen van Israël door zijn dienst verwacht. Blijkbaar was van dit alles niets geworden. Daarop was Elia niet voorbereid. Hij had gedacht, dat hij beter was dan zijn vaderen en dat onder zijn machtige dienst een waarachtige en verstrekkende omkeer naar de Heere plaatsvinden zou. Maar dat was niet het geval. De jaren van hongersnood, de vernietiging van de profeten van Baäl, de regen van de hemel, alles leek vergeefs te zijn geweest; zo zinloos, dat Elia – de man die voor God gestaan had – voor zijn leven vluchten moest. Arme Elia! Hij kon voor de koning, de profeten van Baäl en geheel Israël verschijnen, maar hij was er niet op voorbereid, het mislukken van zijn missie te doorstaan. Zijn hele inspanning, om het volk terug te winnen, was vergeefs geweest. Er was niets meer te doen, zijn leven was een mislukking. Daarom was het maar het beste, wanneer hij stierf. Zo zou hij dan van de vruchteloze, moeizame arbeid en hopeloze strijd rust kunnen vinden.

Hoe goed is het om je van de dienstknecht af tot de volmaakte Meester te wenden en Zijn oneindige volmaaktheid te zien, die op de dag van Zijn verwerping om Hem heen straalt. Na al Zijn wonderen van genade, Zijn woorden van liefde, Zijn daden van kracht, wordt Hij veracht en verworpen en een vraatzuchtig mens en drinker genoemd, en men beraadslaagt om Hem te doden. In die ogenblikken van uiterlijke verwerping en schijnbare mislukking van Zijn dienst wendt hij Zich tot de Vader en kan zeggen: “Ik dank U, Vader, … Ja, Vader, want zo was het Uw welbehagen” (Matth. 11:25-26).

Elia stierf niet en is nooit gestorven. God had een ander plan voor Zijn geliefde dienstknecht. Er was in dit plan niet opgenomen, Zijn dienstknecht als een teleurgesteld mens uit deze wereld te halen en onder een wolk van terneergeslagenheid in een of andere woestijn te laten sterven. Hij zou geheel anders naar de hemel gaan. Gods wagens wachtten de juiste tijd af om hem met heerlijkheid en eer naar de hemel te begeleiden. In de tussentijd is hij het voorwerp van de fijngevoelige zorg van God. Hij geeft Zijn geliefde slaap; engelen waken over hem; voor voeding wordt er gezorgd, en zijn dorst wordt gestild.

In de periode waarin zijn geloof krachtig is, kunnen de raven hem eten brengen, en de weduwe kan hem verzorgen; op de dag van zijn ontmoediging waken de engelen over hem, en God Zelf zal hem spijzigen. Wat voor een God hebben wij toch! Hij zorgt voor ons. “Zijn barmhartigheid zijn niet opgehouden”; “Want wanneer Hij bedroefd heeft, zal Hij Zich ontfermen naar de grootheid van Zijn goedertierenheid” (zie Klaagl. 3:22,32). Dat was de ervaring van Elia. Een engel wekte hem. “Hij keek op, en zie, aan zijn hoofdeinde lag een koek, op kolen gebakken, en een kruik water”.

Daarenboven: de HEERE van de tijd van Elia is de Heer Jezus van de tijd van het evangelie. Onder soortgelijke omstandigheden konden de discipelen de hele nacht door vissen en niets vangen, om dan te ervaren, dat de Heer van de heerlijkheid ‘s morgens op Zijn ontmoedigde dienaars wachtte, en wel bij een kolenvuur met vis daarop en brood, en een liefdevolle uitnodiging om te komen en te eten (Joh. 21:9,12).

Zo is het ook met ons. Ons geloof mag zwak worden; wij mogen door duidelijke mislukkingen in onze dienst terneergeslagen zijn, mogen in zulke ogenblikken van moedeloosheid en teleurstellingen de moed verliezen en bitter gedachten opkomen, onbedachtzaam bidden en zelfs over ons harde lot morren; maar Gods zorgvuldigheid eindigt nooit, Zijn barmhartigheid zijn niet opgehouden. Wij kunnen met recht zingen

Als kommer u kwelt,
als angst u beknelt,
brengt lijden Zijn harte u nader.
Hij weet wat gij lijdt,
hoe macht’loos gij zijt,
en opent u zeeg’nend Zijn armen.

Nadat de Heere Zijn knecht met slaap en spijs verkwikt had, geeft Hij hem nieuwe aanwijzingen. Hij ervaart dat hij op reis is; want de engel van de Heere zegt: “de weg zou te zwaar voor u zijn”. Wat een weg was de weg van Elia door deze wereld! Krith, Zarpath, Karmel, Horeb kenmerken de stations, en de wagen van vuur staat klaar, hem in macht en heerlijkheid op te heffen. Maar alle stations waren “te ver” voor Elia. De ontvouwde macht, de nodige moed, het noodzakelijk geloof, de grote weerstand, de velerlei ontberingen – dat alles was voor een mens “zoals wij” te veel.

Wanneer hij slechts een ogenblik de levende God uit het oog verliest, wanneer hij verzuimt in dagelijkse afhankelijkheid van God te wandelen, moet hij direct erkennen, dat hij niet beter dan zijn vaderen is en dat de weg “te zwaar” voor hem is.

Het is voor ons als christenen goed, wanneer wij erkennen, dat onze rust niet hier beneden is. Ook wij zijn op een weg die in de heerlijkheid eindigt, maar waarop wij tegenspoed ontmoeten, moeilijkheden overwinnen, getuigenis afleggen en tegenstand verdragen moeten. Daarom mogen ook wij zeggen, dat de weg “te zwaar” is en wij voor de weg te zwak zijn.

Maar wanneer de weg voor Elia te zwaar was, zo was hij voor de God van Elia niet te zwaar. In zachte liefde voorziet God in de behoeften van Zijn knecht; en “door de kracht van dat voedsel” – de spijs waarvoor God gezorgd had – zette hij zijn weg veertig dagen en veertig nachten voort tot aan de berg Horeb, de berg van God.

Bij God zijn alle dingen mogelijk. Als wij de lengte van de wegen en onze eigen ontoereikendheid nagaan, mogen we wel uitroepen: “Wie is hiertoe bekwaam?” Maar direct komt het antwoord: “Mijn genade is voor u genoeg, want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht” (2 Kor. 12:9). De gehele kracht van de opgestane Christus staat ons ter beschikking; daarom mogen wij ons voorwaarts spoeden “gesterkt in de genade die in Christus Jezus is” (2 Tim. 2:1).

Wordt D.V. vervolgd.

* De teksten worden nu in deze artikelenserie genomen uit de Herziene Staten Vertaling.

Hamilton Smith: “Elia – ein Prophet Jehovas”
© Ernst-Paulus-Verlag, Postfach 100856, D-67408 Neustadt
(www.ernstpaulusverlag.de)
Achtung: Geänderte Postleitzahl von 67434 auf 67408!!!

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol