6 jaar geleden

Elia – Een profeet van de Heere (6)

Karmel – God geeft regen

Lezen: 1 Koningen 18 vers 41-46.

Het oordeel baant de weg voor de zegen. Daarom volgt op het vuur van de hemel de regen van de hemel. Het geopende oor van Elia verneemt “het gedruis van een overvloedige regen”. Een geruis in de toppen van de bomen, onrust op de wateren – het diepe steunen van de aarde – verkondigen het luisterende oor van Elia, dat eindelijk de dag nabij is, waarop de HEERE regen op de aardbodem zenden zal.

Wanneer onze oren meer door een vertrouwelijke wandel met God meer afgestemd zouden zijn om Zijn zachte fluisteren te vernemen, en ons verstand meer verlicht zou zijn om het goed te duiden, zouden wij dan niet vaak in het diepe, treurige steunen dat uit deze onrustige wereld opklinkt, Zijn stem horen, die van komende zegeningen spreekt? Zouden wij niet bij de aanblik van een ziekbed of de klacht van een door een sterfgeval getroffene of de kreet van een teleurgesteld hart het ruisen van de komende zegen voor de door droefheid getroffen zielen waarnemen?

Zulk gedruis bereikte het oor van Achab niet. Verdiept in zijn eigen, zelfzuchtige genoegens, was zijn hart dik en zijn oor traag om te horen geworden. Alleen het geloof kan de tekenen van de tijden lezen en in het verborgene van de Heere indringen. Wanneer onder het volk van God alles als dood schijnt, wanneer de prediking van het evangelie geen zichtbaar resultaat meer brengt, wanneer er slechts weinig bekeringen onder zondaren en weinig groei onder de heiligen is, dan moet er werkelijk een wandel in innige gemeenschap met God zijn, om Zijn hand te zien werken.

Als toch de stem van God gehoord en Zijn hand gezien wordt, dan volgen onmiddellijk resultaten. Komt er regen? Dan zal Achab heengaan om te eten en te drinken, terwijl Elia, de man met het geopende oor, de top van de Karmel zal beklimmen, om te bidden.

Drie-en-een-half jaar lang werd de regen teruggehouden, en de hongersnood was zwaar in het land. Nu komt de regen, de hongersnood is voorbij. Zal Achab zich met dankzegging tot God wenden? Hij heeft de nietigheid van de afgoden, het in het licht komen van de valse profeten, het vuur van de hemel en het verschrikkelijke oordeel over de profeten van Baäl gezien. Ach, dat heeft allemaal geen indruk bij de koning gemaakt; God wordt in zijn gedachten niet gevonden. Hij maakt zich niet zo druk om de HEERE of Baäl, de profeten van de levende God of de vierhonderdvijftig profeten van Baäl. Zijn enige gedachte is: “Deze erge hongersnood is voorbij, de regen komt, nu kan ik mij eindelijk weer goed voelen”. Zo gaat hij verder om te eten en te drinken en feest te vieren. In de wereld is dat altijd zo. God legt in Zijn regeringswegen Zijn hand op de mensen, en een tijdlang worden zij door oorlog of hongersnood of epidemieën bezocht. Nauwelijks heeft Hij verlichting laten komen, of zij keren met nieuwe lust tot hun feesten, hun drinkgelagen en genoegens terug, en God wordt vergeten.

Hoe geheel anders is de uitwerking op de man van God. Hij hoort het ruisen van de komende regen en weet, dat het geen tijd is met de wereld feest te vieren, maar zich van de mensen terug te trekken, om met God op de top van de berg alleen te zijn. Als de wereld heengaat om feest te vieren, is het voor het volk van God tijd heen te gaan tot gebed. De natuur mag zeggen, dat, als het gedruis van een geweldige regen hoorbaar wordt, er geen noodzakelijkheid tot gebed is. Maar voor de geestelijke mensen is het een goddelijk oproep tot gebed.

Opdat toch het gebed werkzaam wordt, zijn er zekere voorwaarden waaraan wij moeten voldoen. Dat komt in deze wonderbare gebeurtenis naar ons toe. Ten eerste vereist een werkzaam gebed, dat wij ons door de haast en de drukte van deze wereld in een heilige stilte met God terugtrekken. Zoals Elia moeten wij naar de top van de berg gaan. De Heer Zelf onderwijst ons: “Maar u, wanneer u bidt, ga in uw binnenkamer, sluit uw deur en bid tot uw Vader”* (Matth. 6:6). Zoals zo vaak zijn onze gebeden vergeefs, omdat de “gesloten deur” ontbreekt. Om bewust in de tegenwoordigheid van God te zijn, is het nodig dat wij onze geest kunnen concentreren, onze dwalende gedachten verzamelen en de deur tot de wereld sluiten. Heilige afzondering en terughoudendheid is de eerste grote voorwaarde voor een werkzaam gebed.

Verder moeten wij onze plaats in het stof voor God innemen, en dit zien wij treffend in de profeet voorgesteld. Op de top van de berg aangekomen, daalt hij af in het dal van de vernedering. “Hij boog zich voorover ter aarde. Vervolgens legde hij zijn gezicht tussen zijn knieën” (vs. 42). Enkele uren daarvoor had hij namens God voor de koning, de valse profeten en het hele volk Israël gestaan, en het volk was op hun aangezicht gevallen. Nu zijn de valse profeten dood, de menigte was verstrooid, de koning is verder gegaan om feest te vieren, en Elia is met God alleen. Direct buigt hij zich op aarde neer en verbergt zijn aangezicht. Voor geheel Israël ondersteunt en eert God Zijn knecht, maar alleen met God moet hij zijn eigen nietigheid in de tegenwoordigheid van de grote God leren kennen. Daar heeft hij voor God voor zondaars getuigd en de koning, de profeten en het volk aanbevolen; nu is hij alleen en wacht als een biddende op God, en als zodanig moet hij gedachtig zijn, dat hij slechts stof is, geheel afhankelijk van de genade van God. “Zie toch”, spreekt Abraham, “ik heb het aangedurfd om tot de HEERE te spreken, hoewel ik stof en as ben!” (Gen. 18:27). Een oud godsman heeft gezegd: “Hoe dieper het hart afdaalt, des te hoger stijgt het gebed omhoog. God neemt ongelukkige (‘gebroken’) uitdrukkingen in ontvangst, wanneer zij uit een gebroken hart komen”.

Deze geschiedenis onthult ons nog een ander geheim van een werkzaam, innig gebed. We moeten niet alleen bidden, maar “waken en bidden”. Zoals de apostel ons vermaant: “Houd sterk aan in het gebed, en wees daarin waakzaam met dankzegging” (Kol. 4:2). Wederom lezen wij: “Terwijl u bij elke gelegenheid met alle gebed en smeking bidt in de Geest en daarin waakzaam bent met alle volharding …” (Ef. 6:18). In het gebed van Elia zien we dit waken, want hij zei tegen zijn knecht: “Klim toch naar boven en kijk uit in de richting van de zee”. Hij klom naar boven en keek en sprak: “Er is niets”. Hij waakte maar toch was er eerst niets te zien.. Hij hoorde het gedruis, dat hem tot gebed aanspoorde, en hij bad en waakte maar eerst zag hij niets. Hoe vaak is het met het volk van God vandaag net zo. Zij bidden en waken, maar God houdt het een tijdlang voor juist hen te laten wachten. God wil ons lessen leren, en zo laat Hij ons een poosje wachten. Wij geven acht om de hand van God te zien werken, en zie daar, wij zien niets. Leert ons dat niet, dat niets van God te zien is, omdat iets van onszelf onze blik vasthoudt? Wij moeten onze eigen nietswaardigheid leren zien, voordat wij God zien werken. Wij geloven, God zal ons wel verhoren vanwege de noodzaak van het geval, de vurigheid van ons gebed en omdat ons verzoek werkelijk gerechtvaardigd is. Maar God laat ons wachten, totdat wij ons bewust zijn, dat, hoewel wij in het oog van de mensen inderdaad om een rechtvaardige zaak verzoeken, wij voor God onwaardige smekelingen zijn, die niets te eisen hebben, maar alleen op de genade van God aangewezen zijn. Verder wil God ons leren, dat het gebed geen geheim middel is, dat wij op een of ander ogenblik zouden kunnen aanwenden, om direct de vervulling van onze beden te verlangen, maar de kracht van het gebed bij Hem ligt, tot Wie wij bidden.

Maar afgezien van hindernissen, die bij ons liggen, heeft God Zijn tijd en Zijn weg, op onze gebeden te antwoorden. Wanneer wij nu bidden en waken en toch met de knecht van Elia toegeven moeten, dat “er niets is”, wat kunnen wij dan nog doen? Deze vraag krijgt een heel bepaald antwoord; Elia zegt: “Ga terug, zevenmaal”. Met andere woorden, wij moeten aanhouden. De apostel vermaant ons niet alleen te bidden, maar tegelijk ook hierin te waken “met alle volharding”. We kunnen God niet dwingen. We denken aan dat wat ons dierbaar is; God denkt aan dat, wat tot Zijn verheerlijking is en tot ons voordeel strekt.

In het licht van dit feit moeten wij onze harten beproeven, of wij dicht genoeg bij God zijn, om zijn oproep tot gebed te horen, hoewel de hele wereld feest viert. En zijn wij tot heilige afzondering tot gebed, tot vernedering in het gebed en tot waken hierin met alle volharding bereid?

Wanneer aan deze voorwaarden voldaan is, kunnen wij dan niet op een antwoord op het gebed rekenen, wanneer het oog slechts een klein of zelfs geen teken van de komende regen ziet? Zo was het bij Elia; zijn volharding werd beloond. Hij wist dat de Heere op het punt stond, zijn gebed te beantwoorden, hoewel zijn oog slechts “een kleine wolk” zag, die niet groter was als “de hand van een man”. Maar achter de gelijkenis met een hand van een man kon het geloof de hand van God ontdekken. Met groot vertrouwen zendt Elia direct een boodschap aan Achab en laat hem zeggen: “Span in, daal af en laat de regen u niet ophouden”. Voor het natuurlijke oog was er geen aanwijzing voor de regen: de hemel was volkomen helder, behalve een wolk zo klein als de hand van een man. Maar het geloof wist, dat God achter die wolk was, en als God werkt, dat betekenen kleine dingen veel. Een handvol meel en een beetje olie kan bij God een heel jaar een huishouding in het onderhoud voorzien. Vijf gerstenbroden en twee kleine vissen kunnen bij God vijfduizend mensen spijzigen, en een kleine wolk kan, als God daarachter is, de hele hemel bedekken. Zo gebeurde het; terwijl Achab zijn wagen aanspant, werd “de hemel zwart werd van wolken en wind, en er kwam een hevige regen”.

“Achab reed weg en ging naar Jizreël”. Maar “de hand van de HEERE was op Elia”. De hand van de Heere was met de man, die op de top van de berg met God geweest was. En als de hand van de Heere op een mens is, dan zal hij alles goed en op de juiste tijd uitvoeren. Door de Heere geleid, had Elia voor de koning gestaan, en hem vanwege zijn afgoderij terechtgewezen, en nu, nog steeds door de Heere geleid, loopt de profeet voor de koning uit, om hem te eren en de autoriteit van de koning in de ogen van het volk overeind te houden. Elia is onderwezen, datgene, wat God toebehoort, hoog te houden, en anderzijds de mensen de passende achting te bewijzen. Op de juiste tijd openbaart hij zijn vrees voor God, en op de juiste tijd eert hij de koning (1 Petr. 2:17).

Wordt D.V. vervolgd

* De teksten in worden vanaf nu in deze artikelenserie genomen uit de Herziene Staten Vertaling.

Hamilton Smith: “Elia – ein Prophet Jehovas”

© Ernst-Paulus-Verlag, Postfach 100856, D-67408 Neustadt
(www.ernstpaulusverlag.de)
Achtung: Geänderte Postleitzahl von 67434 auf 67408!!!

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol