7 jaar geleden

Elia – Een profeet van de Heere (4)

“Of weet gij niet wat de Schrift zegt [in de geschiedenis] van Elia?” (Rom. 11:2)

Obadja, de bewindvoerder van het koninklijk huis

Lezen: 1 Kon. 18:1-16

Eindelijk waren de jaren van hongersnood ten einde, en het woord van de HEERE kwam tot Elia: “Ga, vertoon u aan Achab, want Ik zal regen geven op de aardbodem” (vs. 1). In het begin van het jaar van de droogte had de HEERE tegen Elia gezegd: “Ga weg vanhier, keer u naar het oosten en verberg u”; nu luidt het woord: “Ga, vertoon u”. Er is een tijd om te verbergen en een tijd om te vertonen; een tijd om het woord van de Heer van de daken te roepen en een tijd zich terug te trekken “op een woeste plaats alleen” en een beetje uit te rusten; een tijd “als onbekende” door het land te trekken, en een tijd ‘als bekende” zich onder het volk te mengen (2 Kor. 6:9). Zulke veranderingen zijn meestal het lot van alle ware dienaars van de Heer. De Doper was in zijn dagen “als onbekende” in de woestijn tot op de dag, dat hij zich aan Israël “als bekende” vertoonde, om zich dan in de tegenwoordigheid van Hem, van Wie hij zeggen kon: “Hij moet meer, maar ik minder worden” (Joh. 3:30), van de openlijke opmerkzaamheid terug te trekken. Deze genade, te weten wanneer men naar voren te komen en wanneer men zich terug te trekken heeft, vindt haar meest volkomen uitdrukking op het pad van de Heer Jezus Zelf. Hij kon als Een, die “bekend” is, de hele stad aan de ingang van het huis, waar Hij zich ophield, verzamelen en als “onbekende” lange tijd voor het aanbreken van de dag opstaan en zich op een woeste plaats terugtrekken.

Maar zulke veranderingen op de weg van de dienaar vereisen, als zij met bereidwillige gehoorzaamheid ervaren wil worden, ootmoed en groot vertrouwen op God. Aan deze geloofsdeugden ontbrak het Elia niet. Zonder een bezwaar te uiten, “ging hij op weg om zich aan Achab te vertonen”. De beproeving in de eenzaamheid had hem op de nieuwe taak voorbereid. In de ogen van de koning was Elia een vogelvrijverklaarde, een onruststoker in Israël; zich aan de vorst te vertonen, zou vanuit het oogpunt van menselijk verstand eenvoudigweg onzinnig zijn. Kon God geen regen op de aardbodem geven zonder Zijn dienaar aan de toorn van de koning bloot te stellen? Ongetwijfeld kon Hij het; maar de regen was op het woord van Elia in de tegenwoordigheid van de koning teruggehouden, en de komst van regen moet daarom evenzo door bemiddeling van de profeet van God in de tegenwoordigheid van de koning afhangen. Was de regen zonder het openlijke getuigenis van Elia teruggekeerd, dan zou hij direct als een valse profeet en grootspreker afgedaan worden, en – wat nog erger geweest zou zijn, de redding zou aan de profeten van Baäl hun god toegeschreven worden.

We worden over de morele positie van de koning niet in twijfel gelaten. Terwijl Elia op het woord van de HEERE en ter verheerlijking van de HEERE uit Zarfath vertrekt, onderneemt de koning uit pure zelfzucht en met geen hoger doel dan het onderhoud van de paarden, een reis. Want drieëneenhalf jaar lang is er noch regen gevallen noch dauw geweest – de hongersnood is sterk in het land – en het volk moet ervaren, dat het boos en verkeerd is, de HEERE GOD te vergeten en afgoden te vereren. Maar hoe reageerde de koning? Heeft deze zware tegenspoed zijn hart week gemaakt en berouw voor de HEERE bewerkt. Trekt hij door zijn koninkrijk en zoekt hij de bekommernis van zijn geplaagde volk te verlichten en allen op te roepen, tot God te roepen? Ach, zijn gedachten zijn meer met zijn paarden en muildieren bezig dan met zijn honger lijdende volk; en ver verwijderd van God te zoeken, is hij op zoek naar gras.

Een zwakke, egoïstische man, die door een een vastberaden vrouw beheerst wordt, is de leider van de afval en de verklaarde vijand van de man Gods geworden. Onder de verschrikkelijke bezoeking van de droogte en hongersnood bleef hij onaangeroerd. Hij staat op het punt zijn zelfzuchtig en lichtvaardig leven voort te zetten, zonder zich om het lijden van zijn volk en de eisen van God te bekommeren. Zo wordt in de koning het beeld van het menselijk verderf voorgesteld.

Maar op deze plaats komt nog een ander karakter voor ons naar voren. Obadja1 was een man, die de HEERE vreesde en in de afgelopen tijden voor de profeten van de HEERE een zeer behoorlijke dienst uitgevoerd heeft. En toch, hoe vreemd, dat hij een rentmeester van het koninklijk huis is. Wat een onding is het, dat een man die de HEERE vreesde, in vertrouwde omgang met de afvallige koning gevonden wordt. Niet dat hij slechts tijdelijk verleid of zijn weg tijdelijk bevlekt werd, neen, zijn leven toont een mens met gemengde principes.

Elia en Obadja waren beiden heiligen van God; maar hun ontmoeting wordt meer door terughoudendheid dan door gemeenschap gekenmerkt. Obadja is vol achting en ijverig, Elia koel en terughoudend. Welke gemeenschap kan er tussen de vreemdeling van God en de dienaar van Achab bestaan? Een broeder heeft juist opgemerkt: “We kunnen niet de wereld dienen en achter de rug de gelovigen op de wegen van de wereld voorgaan en dan wensen om als heiligen samen te komen en ons in een lieflijke gemeenschap te verheugen”.

Obadja probeert een opdracht, die in zijn ogen met louter gevaren verbonden is, te ontlopen. “Wat heb ik gezondigd”, zo vroeg hij, “dat u uw dienaar in de hand van Achab geeft om mij te doden?” Maar Elia had niets over zonde gezegd. Had Elia niets van zijn behulpzaamheid ten opzichte van de profeten van de HEERE in de voorbijgegane tijd ervaren? Maar van slechte of goede daden was helemaal geen sprake; de oorzaak van de onrust van Obadja was de verkeerde positie, waarin hij zich bevond. Hij was een mens in een ongelijk juk.

De Geest van God toont ons door dit feit de ernstige gevolgen van het ongelijke juk van gerechtigheid en wetteloosheid, licht en duisternis, Christus en Belial, een gelovige en een ongelovige (2 Kor. 6:14-18).

  1. Obadja ontvangt zijn instructies van de afvallige koning. Elia krijgt zijn opdrachten van de HEERE en handelt daarmee in overeenstemming. Obadja, hoewel hij de HEERE waarachtig vrezen mag, wordt niet in de dienst van de HEERE gebruikt en krijgt geen opdracht van de HEERE. Achab is zijn heer, Achab moet hij dienen, en van Achab ontvangt hij zijn opdrachten. Zo verkwanselt hij zijn tijd in deze jaren van nood onnuttig met de dagelijkse arbeid, gras voor de dieren van zijn heer te zoeken.
  2. Hij leeft op een laag geestelijk niveau. Als hij onderweg is om boodschappen voor zijn heer te doen, “zie, Elia kwam hem tegemoet”. In de tegenwoordigheid van de profeet valt Obadja op zijn aangezicht en spreekt hem met “mijn heer Elia” aan, wat toont, dat hij zich het lage niveau, waarop hij zijn leven leidt, bewust is. Obadja mag in het paleis van de koning wonen, Elia op een eenzame plaats op aarde, in gemeenschap met de weduwe en de vaderloze knaap; niettemin weet Obadja zeer goed, dat Elia de grotere man is. De hoge positie in deze wereld mag aardse eer met zich meebrengen, maar geestelijke waarden kunnen ze niet verlenen. Elia wil nog niet eens erkennen, dat Obadja een dienaar van de HEERE is. Voor hem is hij slechts een dienaar van de goddeloze koning, want hij zegt: “Ga, zeg tegen uw heer: Zie, Elia is hier”.
  3. Het klaaglijke antwoord van Obadja openbaart duidelijk, dat hij in lafhartige angst voor de koning leeft. De dienaar van een zelfzuchtig alleenheerser schrikt voor een missie terug, die de toorn en wraak van deze naar zich toe zou kunnen trekken.
  4. Deze onheilige verbinding houdt Obadja niet alleen in angst voor de koning, maar zij sloopt zijn vertrouwen op God. Hij geeft toe dat de Geest van de HEERE Elia voor de wraak van de koning beschermen kan; maar voor zichzelf heeft hij geen geloof, op de bescherming van God te rekenen. Een verkeerde positie en een onrustig geweten hebben hem van alle vertrouwen op de HEERE beroofd.
  5. Omdat hem vertrouwen op de HEERE ontbreekt, is hij niet bereid, door de HEERE gebruikt te worden. Hij schrikt voor een opdracht terug, die hem in levensgevaar zou kunnen brengen. Driemaal herhaalt hij, dat Achab hem doden zou. Hij probeert zich aan een opdracht te onttrekken, doordat hij enerzijds de goddeloosheid van de koning en anderzijds zijn eigen goedheid als uitvlucht gebruikt.

Hoe geheel anders is daarentegen de houding van Elia. Hij wandelt afgezonderd van het kwaad en is met heilige dapperheid vervuld. Hij vertrouwt echter niet op zichzelf of op zijn afgezonderde wandel, maar op de levende God. Hij kan tegen Obadja zeggen: “Zo waar de HEERE van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, voorzeker, vandaag zal ik mij aan hem vertonen!” Hoe ernstig, dat Elia genoodzaakt is, een heilige van God op precies dezelfde wijze aan te spreken, zoals hij de afvallige koning aangesproken had (1 Kon. 17:1; 18:15). Obadja staat voor de koning en is met doodsangst vervuld; Elia staat voor de levende God en is met rust en heilig vertrouwen vervuld. In het geloof in de levende God had hij de koning voor de komende droogte gewaarschuwd; In het geloof in de levende God kan hij nogmaals voor de koning treden, doordat hij zonder de geringste angst zegt: “vandaag zal ik mij aan hem vertonen”.

Obadja was niet door zulke oefeningen gegaan. Zijn pad was meer een pad van gemakzucht dan van geloof. Hij gedroeg zich als de hofmeester aan het hof van de koning en niet als een trouw dienaar van de HEERE op een eenzame plaats van de aarde. Zijn werkkring was het prachtige paleis van de koning, niet het bescheiden huis van de weduwe.

Hoe begerenswaardig is in de ogen van de natuurlijke mens de positie van Obadja met geriefelijkheid en welstand en hoge rang, hoe moeizaam daarentegen het eenzame pad van Elia met armoede en ontberingen! Maar het geloof houdt de smaad van Christus voor groter rijkdom dan de schatten van Egypte (Hebr. 11:26). Elia vond grotere rijkdommen in de armoede van het huis van de weduwe, dan Obadja temidden van de pracht van het koninklijk paleis genoot. Kunnen wij niet zeggen dat in Zarfath “de onuitsprekelijke rijkdom van Christus” voor de ogen van de profeet onthuld werd in het meel, dat niet opraakte, in de olie die niet afnam, en in God, die de doden opwekte? Geen van zulke zegeningen viel Obadja ten deel. Weliswaar ontging hij de smaad van Christus, maar hij ontbeerde ook de onuitsprekelijke rijkdom van Christus. Hij ontging de oefening van het geloof en verloor de beloning van het geloof.

Van Mozes in vroegere dagen kon gezegd worden: “Door het geloof verliet hij Egypte en vreesde de toorn van de koning niet; want hij bleef standvastig, als zag hij de Onzienlijke” (Hebr. 11:27). Zo kunnen wij hier in waarheid van Elia zeggen, dat hij de wereld de rug toekeerde en de toorn van de koning niet vreesde; zijn blik was op de levende God gericht. Zo hield hij standvastig vol, als zag hij de Onzichtbare. Dit alles ontbrak Obadja. Hij mag God in het verborgen gevreesd hebben, maar in het openbaar vreesde hij de koning. Hij brak nooit met de wereld en beleefde geen verschijning van de levende God.

Gescheiden van de wereld, in heilige afzondering voor God, is de profeet Elia met de hemel in beroering en ziet het wonder van de genade en de kracht van God voor zijn ogen onthuld. Van deze hemelse wonderen weet Obadja niets. Omdat hij zich aan de wereld aanpast en met de afvallige koning verbonden is, kan hij zich alleen met aardse dingen bezig houden; zo zoekt hij gras voor paarden en muildieren, terwijl Elia de heerlijkheid van God en de zegen van Israël zoekt.

Nadat Obadja de boodschap van Elia uitgevoerd had, verdwijnt hij uit de geschiedenis, terwijl Elia ter hernieuwde eer als getuige van de levende God voortgaat, om tenslotte in een wagen van vuur in de heerlijkheid geleid te worden.

Wordt D.V. vervolgd.

NOOT VERTALER:
1 Obadja was hofmeester. Dat was vroeger een ceremoniemeester aan een hof; deftig huisknecht.

Hamilton Smith: “Elia – ein Prophet Jehovas”
© Ernst-Paulus-Verlag, Postfach 100856, D-67408 Neustadt
(www.ernstpaulusverlag.de)
Achtung: Geänderte Postleitzahl von 67434 auf 67408!!!

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol