8 jaar geleden

Elia – Een profeet van de Heere (3)

“Of weet gij niet wat de Schrift zegt [in de geschiedenis] van Elia?” (Rom. 11:2)

Zarfath – het huis van de weduwe

(1 Kon. 17:8-24)

De beek was uitgedroogd, maar de HEERE bleef. Zijn dienaar werd niet vergeten. Hij kende zijn behoeften en had het uitdrogen van de beek gezien. Maar er kwam geen boodschap en geen nieuwe aanwijzing, voor de beek uitgedroogd was. De liefde van de Heere zal aan de nooddruft van Zijn heiligen tegemoet komen; maar de weg, die Zijn wijsheid inslaat, moet hen op het pad van het geloof houden.

Daarenboven is het plan, dat de HEERE ontvouwt, zo merkwaardig en alles tegenovergesteld, wat zich ook de profeet zou hebben kunnen voorstellen, zo tegen zijn religieuze opvoeding, zijn natuurlijke overleggingen en geestelijk gevoel in, dat wanneer aan de profeet het plan voor het uitdrogen van de beek onthuld zou zijn, hij misschien niet zo bereidwillig gehoorzaamheid getoond zou hebben. Zoals een profeet in later dagen, toen hij naar een andere heidense stad gezonden werd, zo zou hij misschien in verzoeking zijn gekomen, in tegenovergestelde richting te ontvluchten. Elia was een mens van gelijke natuur als wij, en het mag, precies zoals bij ons, zijn, dat de druk van de omstandigheden nodig was, hem tot gehoorzaamheid gewillig te maken en hem voor hem als natuurlijk mens zo’n ongunstig pad te laten gaan.

Nee, hoe uitzonderlijk het lijken mag, de profeet wordt bevolen zich op te maken en naar Zarfath te gaan en daar zelfs te blijven. Hij moet het beloofde land verlaten en naar een stad van de heidenen trekken, en daarbij naar een stad die tot Sidon behoort – het vaderland van de Baäl, wiens verering het verval over het land gebracht had – en daartoe naar het thuisland van de goddeloze Izebel, die de verering van de Baäl ingevoerd en de profeten van de HEERE vermoord had. En nog uitzonderlijker is het, dat de profeet, in dat vreemde land aangekomen, voor zijn dagelijks levensonderhoud op een weduwe aangewezen zou zijn. Want de HEERE sprak: “Zie, Ik heb daar een weduwvrouw geboden om u te onderhouden”. Als de HEERE de profeet geboden had, om de weduwe te onderhouden, dan zouden wij dat passender gevonden hebben. Maar neen, Gods plan is, dat de weduwe de profeet onderhouden moet. Er waren andere steden en andere landen, die Israël omringden en verreweg schuldelozer waren dan Sidon. Er waren “vele weduwen” in Israël in net zo’n treurige positie. Maar zij zouden in het plan van God niet gepast hebben. Hoe heeft God Christus altijd voor ogen; want duizend jaren later wilde de Heer in de stad Nazareth een toelichting van de onbeperkte genade geven, en daartoe moest de profeet Elia naar een arme weduwe in het driemaal schuldige land Sidon gaan (Luk. 4:14-26). God heeft een doel bij elk onderdeel van het pad, die Hij voor Zijn dienaar plant, hoewel duizend jaren voorbij mogen gaan, voordat Zijn doel openbaar wordt.

Het geloof van de profeet heeft onverdeelde gehoorzaamheid ten opzichte van het Woord van de HEERE tot gevolg. “Vervolgens stond hij op en ging naar Zarfath” (vs. 10). Door geloof in beweging gezet, door de voorliggende omstandigheden misschien gedwongen, gehoorzaamt hij de HEERE en gaat zijn eenzame weg naar de verre stad in Sidon.

Bij de poort aangekomen, staat hij voor de weduwe. Voor het natuurlijke oog en het menselijk verstand schijnt het onmogelijk, dat dit de weduwe zijn kan, door wie hij onderhouden moet worden. In volledige armoede is deze eenzame, honger lijdende vrouw met haar hulpbronnen aan het einde. Met slechts een handvol meel en een beetje olie in de kruik sprokkelt zij een paar stukken hout op, om voor zichzelf en haar zoon een laatste maaltijd te bereiden en dan op de dood te wachten, die een einde aan haar lijden maakt. Hoe kan zij voor dat, wat alleen nog voor één enkele maaltijd voldoende toereikend is, ook nog voor de profeet zorgen? De weduwe spreekt wel is waar van de levende God; maar het is de God van Elia, want zij zegt “uw God”, niet “mijn God”. Zij had geen persoonlijk geloof in de levende God: haar hoop was met het beetje meel en de kruik olie verbonden, en als dit op was, dan stond niets anders voor haar dan de poort van de dood. God heeft toch een andere weg dan de dood voor de weduwe. Zijn onbeperkte genade biedt aan, dat leven – opstandingsleven – haar huis met zegeningen vervullen zou. Wat Elia betreft, zo moest hij op de door God bepaalde tijd in de heerlijkheid komen, niet door de dood, maar met een vurige wagen en vurige paarden. Intussen moest hij een tijdlang in Zarfath wonen. Zarfath betekent de plaats van de vurige smeltoven. De profeet is door de beproeving van de uitgedroogde beek Krith gegaan, nu moet hij het vuur van de beproeving in Zarfath doorstaan. Maar dit is de weg van God naar Karmel. Moet hij vuur van de hemel roepen? Dan moet hij eerst door het vuur op aarde gaan. Moet hij voor de levende God voor geheel Israël staan? Dan moet hij eerst in het verborgene de ondersteunende kracht van God in het vuur van de beproevingen ervaren. De vertroostende beek Krith en het louterende vuur in Zarfath zijn stappen op de pelgrimsweg naar Karmel en naar de wagen van vuur.

Maar hoe vernederend voor de trots, door een weduwe verzorgd te worden; hoe breken de kwellende omstandigheden alle zelfvertrouwen af. Maar de eenzame weduwe, het handvol meel, de kruik olie en de boven alles zwevende dood dienen slechts daartoe, dat Elia de hulpbronnen van de levende God ontdekt. En wanneer de uiterste zwakheid en de uitzichtloosheid van de omstandigheden openbaar geworden zijn, is God vrij de hulpbronnen van Zijn genade te onthullen. De vraag van Elia om “een beetje water” en om “een stuk brood” brengen de toestand van de weduwe aan het licht. En wanneer de waarheid in stand gehouden wordt, kan zich genade ontvouwen. Hoe rijk is de genade die het huis van de weduwe vult! Alle angst wordt verdreven, want de eerste woorden van de genade waren: “Wees niet bevreesd!”.

Dan volgt de zorg van de genade. “Het meel in de pot zal niet opraken en in de kruik zal het aan olie niet ontbreken” (vs. 14). Aan haar nood wordt tegemoet gekomen, en de dood wordt uit het huis gedreven.

Verder hebben we in deze mooie gebeurtenis het onderwijs van de genade, want genade brengt voor de hulpbehoevenden niet alleen redding, maar leert ons ook, hoe wij leven moeten. Het door de genade verleende leven is een afhankelijk leven. Het zou niet een kruik meel of een kruik olie beloven. De hulpbronnen van de genade zijn inderdaad onbegrensd. Maar de genade stelt geen voorraad ter beschikking, zoals de natuur haar graag bezitten wil. De belofte was, dat het meel in de kruik niet zou opraken, noch dat het aan olie in de kruik zou ontbreken. Voor elke dag zou genoeg voorhanden zijn, maar geen voorraad voor de volgende dag. Genade leert ons in de afhankelijkheid van de Gever van de genade te leven.

Tenslotte is er de hoop van de genade; want genade schenkt een gezegend uitzicht: “de dag”, de grote dag, de gelukzalige dag zal komen, omdat de HEERE regen geven zal op de aardbodem. Hoe gelukkig het huis, al is het ook slechts de hut van een weduwe, dat door de voorziening van de genade onderhouden, door het onderwijs van de genade geleid en door de hoop van de genade bemoedigd wordt!

In een veel groter volheid wordt dezelfde genade op deze dag, de dag van de genade, geopenbaard. In het huis van de weduwe bevinden wij ons onder beelden; maar nu bezitten wij de werkelijkheid, sinds de Ene volle genade en waarheid gekomen is. Gedurende de dagen van de pelgrimsreis in deze wereld van nood hebben ook wij een pot meel, die niet opraakt, en de kruik olie, die niet leeg raken zal. Spreekt niet het meel – het fijne meel – tot ons van Christus, van Wie gezegd wordt: “maar U blijft” en “maar U blijft Dezelfde”? (Hebr. 1:11,12). Anderen verlaten ons. Maar Hij is Dezelfde. En spreekt niet de olie van een andere zaakwaarnemer  de Heilige Geest – Die gekomen is om bij ons te blijven tot in eeuwigheid? (Joh. 14:16). Aardse stromen drogen uit, maar met de levende Christus in de heerlijkheid en de inwonende Geest op aarde bezit de Christen nooit afnemende hulpbronnen.

Daarbovenuit onderwijst ons de genade, die ons redding gebracht heeft, “ingetogen, rechtvaardig en godvruchtig in deze tegenwoordige eeuw” te leven (Tit. 2:12). Zulk een leven kan alleen door dagelijkse afhankelijkheid van Christus in de kracht van de Heilige Geest geleefd worden.

En de genade die ons redding gebracht heeft en ons onderwijst, hoe wij leven moeten, heeft die gelukzalige hoop voor ons gesteld, de verschijning van de heerlijkheid van onze grote God en Heiland Jezus Christus. De verschijning van de genade gaat aan de verschijning van de heerlijkheid vooraf (Tit. 2:11,13). Dan worden inderdaad de noden van de heiligen gestild, hun beproevingen voor eeuwig voorbij en aardse hongersnoden voor altijd beëindigd zijn.

Maar de familie in Zarfath wachten verdere openbaringen van de heerlijkheid van de levende God. God heeft andere opdrachten voor Elia en diepere oefeningen voor de weduwe. God wil Zich niet alleen als de Onderhouder van het leven, maar ook als de Gever van het leven openbaren. Om voor de grote dag op de Karmel toegerust te zijn, moet Elia God als de God van de opstanding leren kennen. Om in vredevolle betrekkingen tot God ingevoerd te worden, moet de weduwe God als de God zowel van de waarheid als ook van de genade leren kennen, en daartoe moet het geweten opgewekt, haar zonden in gedachtenis geroepen en geoordeeld worden.

Met het oog op dit hoge doel wordt de schaduw van de dood toegestaan, op het huis van de weduwe te vallen. Haar enige zoon wordt ziek en sterft. Vele dagen heeft zich de weduwe in eenvoudig geloof van de goedertierenheden, waarmee God hen verzorgd had, verheugt. Maar ten laatste wordt in de tegenwoordigheid van de dood haar geweten gewekt, en zij herinnert zich haar zonde, want de dood is het loon van de zonde. Zolang het leven rustig verloopt en onze dagelijkse behoeften gelenigd worden, mogen we weinig over dat, wat in Gods ogen zelfoordeel vereist, geoefend zijn. Maar in een bepaalde, bijzondere beproeving wordt het geweten werkzaam, het oog gezuiverd, en veel wat in het verleden aan gedachten, woorden, gewoonten en wegen verkeerd geweest was, erkend en in de tegenwoordigheid van God geoordeeld.

Ook Elia heeft in deze zware beproeving lessen te leren. Het werd een nieuwe gelegenheid voor de oefening van zijn geloof in de levende God. Zeer mooi kijkt hij achter de ziekte en de macht van de dood en ziet in het ongemak, dat over hen gekomen was, de hand van de levende God. Vanuit dit gezichtspunt is het niet de ziekte, die het kind doodde, noch de dood die er achter gezeten heeft, maar het is God, die de zoon van de weduwe gedood heeft. Als dit het werk van de ziekte of de dood geweest zou zijn, zou er geen hoop zijn; want zij konden het kind wel wegnemen, maar zij konden het niet weer terugbrengen. Maar wanneer God het kind gedood heeft, dan kan God het kind weer tot leven wekken.

Het geloof van Elia stelt God tussen zich en de treurige omstandigheden. Maar Elia erkent, dat hij in zichzelf geen kracht heeft. Dit wordt daardoor aangeduid, dat hij zich over het kind uitstrekt. Hij maakt zich volkomen één met het dode kind; hij mat zich met hem, zoals een andere variant zegt, en verwerkelijkte, dat hij, net als het dode kind, geen kracht had. Elia is in de tegenwoordigheid van de dood krachteloos. Maar wanneer het kind ook dood is, God leeft. Wanneer Elia ook geen kracht heeft, Elia kan bidden. Daardoor, dat hij zich over het kind strekt, maakt hij zich met de krachteloosheid van het kind één; door het gebed brengt hij zich in contact met de machtige kracht van de levende God.

De “mens van gelijke natuur als wij” trekt wederom door het gebed de kracht van God naar beneden. “HEERE, mijn God, laat toch de ziel van dit kind in hem terugkeren”. Tot Iemand, met Wie hij in bewuste betrekking staat, Die hij wel kent en op de proef gesteld heeft, kan hij met groot vertrouwen zeggen: “Mijn God”. Zijn geloof erkent, dat het in de kracht van de levende God ligt, het dode kind op te wekken, en met nog groter geloof bidt hij, dat het gebeuren mag. Heeft ooit een mens, voor of na die tijd, een grotere vraag in zo’n eenvoudige taal en een zo kort gebed tot God gericht? Zeer duidelijk is het, dat het werkzame, vurige gebed noch zorgvuldig noch langdradig is.

Het gebed wordt verhoord en de wens ingewilligd. God openbaart Zich als de God van de opstanding. God is niet alleen de levende God, Hij is niet alleen de bron van het leven, maar Hij kan ook aan de doden leven schenken. Hij breekt de macht van de dood en berooft het graf van de overwinning door de machtige kracht van de opstanding.

Elia stelt geen eisen aan het opgestane kind, maar brengt het naar zijn moeder terug. De vrouw erkent direct, dat hij “een man Gods” is. Wij weten bovendien, dat Elia “mens van gelijke natuur” was als wij, en de mens van mens van gelijke natuur werd door het feit, dat hij een “man van gebed” was, in een “man Gods” veranderd.

Wordt D.V. vervolgd.

Hamilton Smith: “Elia – ein Prophet Jehovas”
© Ernst-Paulus-Verlag, Postfach 100856, D-67408 Neustadt
(www.ernstpaulusverlag.de)
Achtung: Geänderte Postleitzahl von 67434 auf 67408!!!

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol