5 jaar geleden

Elia – Een profeet van de Heere (11 – slot)

De Jordaan en de vurige wagen

Lezen: 2 Koningen 2:1-15

Zien we in deze mysterieuze reis niet de voorafschaduwing van de volmaakte weg van de Heer Jezus in het midden van Israël? In hem was er niets van de schande van Egypte te zien. Hij wandelde en woonde in het licht van de onveranderlijke trouw van God aan Zijn beloften. Hij waarschuwde het volk voor het komende oordeel, en ging de weg van de dood, brak alle banden met Israël naar het vlees, maar voor Zijn discipelen opende Hij de mogelijkheid om aan het op handen zijnde oordeel te ontkomen.

We zien in Elia de weg van de Heer Jezus door deze wereld naar de hemelse heerlijkheid aangekondigd, en wel op de weg van de dood. In Elisa daarentegen zien we echter een beeld van de gelovige, die zich oprecht eenmaakt met Christus, die in de Geest de weg gaat, die buiten deze wereld voert, en die, nadat hij in geloof Christus door de geopende hemel naar die nieuwe plaats van heerlijkheid heeft zien opvaren, terugkeert naar een wereld die onder het oordeel staat, om dan in genade voor de mensen te getuigen, die opgenomen zijn in heerlijkheid. In Elia’s dagen waren er vele zonen van de profeten in Bethel en Jericho, maar slechts één ging de weg van de profeet. De zonen van de profeten hadden veel kennis, ze konden Elisa zeggen wat er gebeuren moest, maar ze hadden niet in het hart om Elia te volgen. Tegenwoordig zijn er veel mensen die veel over Christus weten en zijn aangaande de Schrift goed geïnformeerd, maar ze zijn niet bereid om de plaats van Christus buiten de legerplaats in te nemen, en ze weten weinig over hun positie met Christus in de hemel.

We kunnen ons afvragen, door welke kracht dan een ziel in staat is om deze weg te gaan. Het verhaal van Elisa openbaart ons het geheim. Overwegen we een aantal stappen die Elisa er toe bracht Elia te begeleiden. In eerste instantie voelde hij zich aangetrokken tot Elia. Er kwam een ​​dag in zijn geschiedenis, waarop Elia “naar hem toe ging” en zijn mantel op hem wierp. En was het niet een geweldige dag in onze geschiedenis, toen de Heer Jezus bij ons kwam en wij de kracht van Zijn genade ervoeren en met vreugde “Hem naliepen” (Hooglied 1:4)? Maar hoewel we ons tot Christus voelden aangetrokken, waren er, net als bij Elisa, natuurlijke banden die ons ophielden. Onze nood en Zijn genade maakten dat we verlangden naar de Heer Jezus, maar hij had niet de eerste plaats in ons. Maar er kwam in de geschiedenis van Elisa het ogenblik, dat de natuurlijke banden werden verbroken, en dan lezen we: “Daarna stond hij op, volgde Elia en diende hem” (1 Kon. 19:21). Het betekent veel om gered te worden door Christus – als het ware om zich onder de bescherming van Zijn mantel  te bevinden – maar het is belangrijk om ook de volgende fase in ons leven te bereiken, waar we met beslistheid Hem volgen, om nuttig voor Hem te zijn – Hem te dienen. Betekent dat, dat we ons beroep verlaten om Hem te volgen, dat we huis en haard, vrouw en kinderen de rug toekeren? Niet per se. Maar het betekent, dat, terwijl we vroeger ons beroep alleen met egoïstische doelen uitoefenden, nu Christus ons doel is. Terwijl een onbekeerd kind uit natuurlijke liefde, en omdat het zo hoort, gehoorzaamzaamt, zal het bekeerde kind gehoorzamen, omdat het zo de Heer Jezus behaagt. En wanneer Christus zo de centrale plaats in ons hart heeft, kan in waarheid gezegd worden, dat wij Hem volgen en Hem dienen.

Maar in die mate dat wij Christus volgen, groeien wij in de kennis van Christus, en dit leidt ons naar de volgende stap in de geschiedenis van onze ziel: we worden vast met Hem verbonden. Dit wordt ons treffend geïllustreerd in het verhaal van Elisa. Op deze laatste reis kan hij drie keer tegen Elia zeggen, dat hij hem niet wilde verlaten. Dit is de taal van een hart dat wordt door genegenheid wordt beheerst. En de liefde is op de proef gesteld. In Gilgal, Bethel en Jericho wordt Elisa getest door de woorden van Elia: “Blijf toch hier”. Maar hij krijgt drie keer ten antwoord: “ik zal u niet verlaten”. Hoewel de weg van Elia naar Bethel, de stad van het gouden kalf, naar Jericho, de stad van de vloek, en tot aan de Jordaan, de rivier van de dood, leidde, wil Elisa toch in de kracht van de liefde volgen. Ook kon Ruth zeggen in vroeger dagen: “Want waar u heen gaat, zal ik ook gaan” (Ruth 1:16), en later zegt Simon Petrus, toen velen zich terug trokken en niet meer met Hem wandelden, “Heer, tot wie zullen wij heengaan?” (zie: Joh. 6:66-68). Genade had de twaalf tot Christus getrokken, en liefde hield hen bij Christus.

Bovendien leidt deze toewijding van het hart tot een zich geheel eenmaken met Elia. Drie keer op deze laatste reis gebruikt de Geest van God de woorden “zij beiden”. dat spreekt van een zich eenmaken. Jericho: “Zo gingen zij beiden verder” (vs. 2); aan de rivier: “en zij beiden stonden bij de Jordaan” (vs. 7), en toen het water werd verdeeld, “en zij gingen er beiden door, over het droge” (vs. 8). De liefde verheugt zich in het feit, dat we eengemaakt zijn met Christus op de plaats van het oordeel en in de wateren van de dood.

Maar nog meer. Toen we met Christus in de dood eengemaakt werden, zo gebeurde het, opdat wij in de opstanding waardevolle gemeenschap met Hem zouden mogen hebben, en ook dat is voorafgeschaduwd in dit prachtige verhaal. Want zoals zij door de rivier van de dood op de nieuwe bodem overgebracht werden, lezen we: “Het gebeurde, terwijl zij al sprekend verdergingen” (vers 11). Misschien zijn we al vele jaren bekeerd, maar wandelen wij nog steeds met Christus en spreken wij met Christus, terwijl wij de weg gaan?

Hoe gezegend wijst Elia de weg, waarop de gelovige geleid wordt, om Christus buiten de tot het oordeel  veroordeelde wereld naar Zijn nieuwe plaats in de opstandingsheerlijkheid te volgen! Door genade zijn wij tot Hem getrokken, door liefde aan Hem verbonden, in de dood met Hem eengemaakt, en in de opstanding genieten wij de gemeenschap met Hem.

Toen ze aankwamen aan de andere kant van de Jordaan en buiten het land waren, is gelijk alles anders. Alleen daar zegt Elia: “Vraag mij wat ik voor u doen zal” (vs. 9). De genade stelt de ganse kracht van een opgestane mens aan Elisa ter beschikking. De dood heeft de weg geopend voor de komst van stromen van soevereine genade. Ach, hoe weinig realiseren wij het diepe feit, dat alle genade en kracht van de opgestane Christus voor ons beschikbaar is! Wat een kans voor Elisa! Hij hoeft alleen maar te vragen om te ontvangen. Vraagt ​​hij om een ​​lange levensduur of rijkdom of macht of wijsheid? Oh, nee; zijn geloof dat boven alles uittorent, wat het natuurlijke hart begeert, vraagt ​​meteen om een ​​dubbel deel van de geest van Elia. Hij realiseert zich dat als hij op aarde op de plaats van Elia blijven moet, hij de geest van Elia nodig heeft. Voert dit voorval onze gedachten niet naar de bovenzaal van Johannes 14? De Heer stond op het punt om Zijn discipelen te verlaten, en op te varen naar de heerlijkheid, en hoewel Hij niet zegt “Vraag Mij wat Ik voor u doen zal”, zegt Hij om zo te zeggen ‘Ik zou voor u willen bidden’: “En Ik zal de Vader bidden, en Hij zal u een andere Trooster geven, opdat Hij bij u blijft tot in eeuwigheid” (Joh. 14:16). “Hoe weinig begrijpen wij, dat de goddelijke Persoon de hemel ingegaan is, en een goddelijke Persoon uit de hemel gekomen is om in de gelovigen te wonen. En de Persoon die naar beneden kwam is net zo groot als de Persoon die omhoog gevaren is. Wanneer wij op deze aarde achtergelaten zijn, om Christus, de verhoogde Mens te vertegenwoordigen, dan hebben wij, zoals iemand heeft gezegd, “een kracht, die overeenkomt met Hem” nodig.

Elisa had een moeilijke zaak gevraagd, maar het zal hem gebeuren, zegt Elia, “als u mij zult zien als ik bij u vandaan weggenomen word”. “Het gebeurde, terwijl zij al sprekend verder gingen, zie, dat er een vurige wagen met vurige paarden kwam, die tussen hen beiden scheiding maakte. Zo voer Elia in een storm naar de hemel. Elisa zag het” (vs. 10-12a). Hij ziet Elia naar de heerlijkheid opvaren; maar op aarde ziet hij hem “niet meer”. De apostel zegt: “… en al hebben wij Christus naar het vlees gekend, dan kennen wij Hem nu zo niet meer”. En wat is het resultaat voor de apostel, wanner hij Christus in heerlijkheid ziet? Hij antwoordt: “Daarom, als iemand in Christus is, is hij een nieuwe schepping: het oude is voorbijgegaan, zie, alles is nieuw geworden” (2 Kor. 5:16-17). En ook dát ligt in deze prachtige geschiedenis besloten, want wij lezen dat Elisa “zijn kleren greep en ze in twee stukken scheurde” (vs. 12b).

Maar hij scheidt zich niet alleen van het “oude” af, maar hij maakt het ook onbruikbaar. Hij vouwt de kleren niet voorzichtig samen en legt ze opzij, om ze in de toekomst bij gelegenheid weer aan te trekken, maar “hij greep zijn kleren en scheurde ze in twee stukken”. Het heeft er niets meer mee van doen. Vanaf dat moment hult hij zich in de mantel van Elia. Maar het is de mantel van de man, die op de weg over Jericho en de rivier de Jordaan de hemel in gegaan is. Hij is in beeld door het oordeel en de dood heengegaan, en daarom is God vrij om hem met een ​​boodschap van genade naar een volk te zenden, dat onder het oordeel staat. Maar opdat dit getuigenis kracht heeft, moet hij een ware vertegenwoordiger van de Mens in de hemel zijn.

Hoe gezegend was dit bij Elisa het geval; want nadat hij van de plaats van de opname naar Jericho terugkeerde, riepen de leerling-profeten onmiddellijk: “De geest van Elia rust op Elisa!”. Zij kwamen hem tegemoet en bogen zich ter aarde voor hem neer” (vs. 15).

Op dezelfde wijze is het ons voorrecht, wanneer we Christus boven gezien hebben en onze horizon met de heerlijkheden van de nieuwe schepping vervuld is, ons van het “oude” af te scheiden en in de kracht van de “Geest van het leven in Christus Jezus” zo de Mens, die naar de hemel gegaan is, vertonen, dat zelfs de wereld daardoor gedwongen wordt om te erkennen dat we “met Jezus” zijn, zoals ze het in de dagen van Elisa zeiden: “De geest van Elia rust op Elisa!”.

Slot

* De teksten worden in deze artikelenserie genomen uit de Herziene Staten Vertaling.
Hamilton Smith: “Elia – ein Prophet Jehovas”
© Ernst-Paulus-Verlag, Postfach 100856, D-67408 Neustadt
(www.ernstpaulusverlag.de)
Achtung: Geänderte Postleitzahl von 67434 auf 67408!!!

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol