7 jaar geleden

Door mijn Geest (4 – slot)

Christus, de enige ware vrijheid

Hoe ontving Paulus zijn apostelschap? We lezen: “Maar toen het Hem, die mij van de schoot mijner moeder aan afgezonderd en door zijn genade geroepen heeft, behaagd had, zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Hem onder de heidenen verkondigen zou …” (Gal. 1:15,16). En dan: “Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, dat is niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu nog in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God …” (Gal. 2:20:).

Het is belangrijk om te zien dat we in deze geestelijke ervaring van de apostel Paulus alle principes van de nieuwtestamentische bedeling terugvinden. Als wij ons afvragen wat echt christendom is, dan vinden we het antwoord in de geestelijke geschiedenis van deze man. Na met nadruk gezegd te hebben dat hij het niet van een mens ontvangen had, ook niet van de apostelen vóór hem, komt hij tot de kern en zegt: “Het behaagde God Zijn Zoon in mij te openbaren”. Dat geldt voor het hele christendom. Het is gebaseerd op een innerlijke openbaring van Jezus Christus. Paulus was vol van Jezus Christus. In alles zag hij Hem. Niet voor niets komt de naam Jezus Christus drieënveertig keer voor in deze brief. Eerst: “Het behaagde God Zijn Zoon in mij te openbaren”, en dan: “Ik ben gekruisigd met Christus. Ik leef niet meer, maar Christus leeft in mij”. In dat kruis is de mens Saulus opgehouden te bestaan. Het kruis heeft met hem afgerekend. En de opstanding heeft een ander soort mens gebracht en die mens is Christus. Dus Christus neemt de plaats van Saulus in. Dit is fundamenteel; het is de basis van het hele christenleven. Wat een immens verschil zou het maken als wij Christus zagen zoals Paulus Hem zag.

Paulus had gezien wie Jezus van Nazareth was. Op de weg naar Damascus zei hij: “Wie zijt gij, Heere?” Jezus antwoordde: “Ik ben Jezus van Nazareth”. Hij zei niet: “Ik ben de eeuwige Zoon van God”. Hij zei niet: “Ik ben God die vlees geworden is”. Hij zei: “Ik ben Jezus van Nazareth”. En Paulus viel op de grond, hulpeloos en blind. De glans van die heerlijkheid had hem ter aarde geworpen en zijn eerste besef was: “Deze heerlijkheid, deze kracht, Jezus van Nazareth?” Het is moeilijk voor ons om dit te begrijpen. In zijn brieven sprak hij over Jezus als van vóór de eeuwigheid in de gestalte van God en Gode gelijk, en in de brief aan de Kolossenzen gaf hij een weergaloos beeld van Christus. Hij zegt dat “Hij vóór alles is en alle dingen hebben hun bestaan in Hem, en in Hem zijn alle dingen geschapen die in de hemelen zijn en die op de aarde zijn, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij machten. Het heeft de ganse volheid behaagd in Hem woning te maken”. En dat is Jezus van Nazareth. Paulus had de betekenis van Gods Zoon gezien! Geen wonder dat hij bevrijd wilde worden van een systeem dat Jezus gekruisigd had. Geen wonder dat het woord “vrijheid” zo’n belangrijk woord voor hem was. Hij zegt in Galaten 1 vers 8: “Al zouden wij, of een engel uit de hemel, u een evangelie verkondigen, afwijkend van wat wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt!” Het evangelie was het evangelie van God aangaande Zijn Zoon! Daarom is Paulus zo fel in deze brief. Hij wijst resoluut elk compromis, zoals de besnijdenis, af.

Wetticisme kruisigt Jezus telkens opnieuw. Omdat wetticisme het belangrijkste woord in het christendom aan de kant zet; het woord genade, en daarvoor in de plaats de wet zet. Genade is het belangrijkste woord voor een christen. Weet u wat wetticisme uiteindelijk betekent? Het zet altijd de crucifix in de plaats van het lege graf. Het lege graf – leven uit de dood. Wetticisme heeft een dode Christus! Het brengt altijd de dood voort, terwijl het voornaamste van Christus de opstanding is – leven uit de dood. Dat was wat Paulus zag toen het God behaagde Zijn Zoon in hem te openbaren. En hij zei: “Ik wil niet langer onder het systeem van de wet leven. Jezus van Nazareth, die wij gekruisigd hebben, leeft! Hij heeft Zich geopenbaard aan mijn hart!”

De enige manier waarop we werkelijk vrij komen van alle vormen van wetticisme is door Christus te zien. Niets ter wereld kon Paulus vrijgemaakt hebben van het Judaïsme. Alleen het zien van Jezus. En dat geldt voor ons allen. Het doet er niet toe waaraan u gebonden bent – een dood traditioneel christendom of welke andere gebondenheid ook. Als u werkelijk de betekenis van de Heere Jezus ziet, bent u vrijgemaakt. Wij moeten niet tegen de mensen zeggen dat ze hier of daar uit moeten komen. Wat het ook is, het is niet aan ons om hun te zeggen dat ze ergens uit moeten stappen en ergens anders weer in. Dan maken we de zaak alleen maar erger. Het leidt tot verwarring en dat verheerlijkt de Heere Jezus niet!

Wij moeten ook niet de gemeente verkondigen in de eerste plaats. Dat is niet onze taak of onze roeping. We zullen nooit weten wat de gemeente is voordat we Jezus hebben gezien, want Jezus is de gemeente in corporatieve uitdrukking. Of omgekeerd: de gemeente is de uitdrukking van Jezus, ze is Zijn lichaam. We kunnen nooit begrijpen wat de gemeente is als we niet begrijpen wie Jezus is. Anders blijft de gemeente iets kleins, iets beperkts. Zo is Jezus niet. Wat is Hij groot! Wat is Hij heerlijk! Paulus zegt: “De gemeente is de volheid van Hem die alles in allen volmaakt” (vol maakt!).

Paulus was de grootste bijbelleraar van het Nieuwe Testament op het punt van de gemeente. Maar zijn kennis van de gemeente had hij verkregen doordat hij Gods Zoon gezien had. Het begon zo simpel: “Saul, Saul, waarom vervolg je Mij?” Paulus had kunnen zeggen: “Ik vervolg u niet, Heere. Ik vervolg de christenen”. Als hij dat gezegd had, zou Jezus geantwoord hebben: “Het is hetzelfde. Ik en de christenen zijn één lichaam. Je kunt geen lid van Mijn lichaam aanraken zonder Mij aan te raken”. We weten hoe dat is in het menselijk lichaam. Je doet je schoenen uit en loopt over de vloer en je trapt op een spijkertje dat in je kleine teen prikt, het uiterste, verste deel van je lichaam. En dat doet zeer. Hoe weet je dat? Omdat die teen een verbinding heeft met je hoofd. Als je zegt: “Dat doet me pijn”, dan zeg je dat met, je hoofd. Het hele zenuwstelsel van het lichaam vinden we in het hoofd. Zo is het ook met de Heere Jezus. “Raak één van mijn kleinsten aan en je raakt Mij aan”. Toen Paulus zag dat hij, als hij één van die simpele christenen aanraakte, de verheerlijkte Zoon van God aanraakte, was dat het begin van zijn inzicht in de gemeente.

Dit heeft niets met de wet te maken. Het is geestelijk. Als wij werkelijk de Heere Jezus zien, worden we vrij. Sommigen van ons waren in zo’n wettisch systeem. Toen kwam de dag dat de Heere onze ogen opende om werkelijk de betekenis van de Heere Jezus te zien. En dat hele systeem stortte in. Het was waardeloos geworden. We hoeven niet tegen mensen te zeggen: “Je moet daaruit komen”. Dat is het oude systeem, “je moet”. Het is een geestelijke openbaring, die je grijpt, waarvan Paulus gegrepen was: “Maar één ding doe ik; vergetende hetgeen achter mij ligt, en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is”.

Telkens wanneer God iets nieuws doet, is dat op basis van Zijn Zoon. Het begin van de bijbel is dat God een nieuwe wereld schept. Hij doet dat in en door Zijn Zoon. Hij is het instrument en het model van de schepping. Later, als God Abraham roept, is het leven van Abraham gebaseerd op Zijn Zoon. De climax was: “Neem nu uw zoon, die gij liefhebt, uw enige, en offer hem als een offer”. Dat was de climax van Abrahams leven. Met die stap komt Abraham recht in Gods hart. “Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft”.

De verlossing en roeping uit de slavemij in Egypte was op basis van het paasoffer, het bloed en het vlees van het Lam. Zo maakte God Zijn Zoon tot het begin van het volk Israël. De profeten profeteerden met het oog op de komst van de Messias en zo is het hele Oude Testament gebaseerd op de Zoon van God. Dan komt de tijd van het Nieuwe Testament.

Het begint met de vleeswording van Gods Zoon. En het gaat verder en laat ons de volle betekenis van de Zoon van God zien, geopenbaard door de gemeente. Alles met het oog op Jezus Christus. En dan in de eerste drie hoofdstukken van Openbaring zien we hoe Christus probeert de gemeente terug te roepen naar haar oorspronkelijke geestelijke positie. De Heere wil dat wat verloren is gegaan, terugbrengen. En daarom, zie je in het eerste hoofdstuk die weergaloze beschrijving van Christus! Het moet duidelijk zijn dat van Genesis af tot en met Openbaring God altijd werkt op grond van Zijn Zoon.

We komen nu terug bij Paulus; dit is een nieuw en machtig werk van God. Het is de bevrijding van een volk van de dood van het wetticisme. De mensen ten tijde van Christus waren evenzeer slaven van het wetticisme als Israël dat was in Egypte. En dezelfde God die tegen Mozes had gezegd: “Ik heb terdege gezien de ellende van mijn volk en hun gejammer over hun drijvers gehoord en Ik ben nedergedaald om hen uit de macht der Egyptenaren te redden … Nu dan, ga, Ik zend u tot Farao”, zag de slavernij van het volk onder dat wettische systeem, zag hen gebukt gaan onder het juk van het wetticisme. Dan wendt God Zich tot Paulus: “Kom. Ik zal u zenden”. Een uitverkoren werktuig voor de bevrijding van Zijn volk. Zo belangrijk is deze zaak voor God. We vinden dit samengevat in deze woorden: “Maar toen het Hem … behaagd had Zijn Zoon in mij te openbaren”. “Met Christus ben ik gekruisigd” voor het systeem van het wetticisme. Het is waar dat ik leef en toch ben ik dat niet, “maar Christus die in mij leeft”.

Wat is het christendom? Is het een wettisch systeem dat de mensen opgelegd is? Of is het een geweldig bevrijdend geestelijk ingrijpen van de hemel? Het antwoord ligt hierin: “Hebben we werkelijk de Heere gezien?” Alleen als dat zo is zijn wij een vrij volk.

De Heilige Geest schept een geestelijke orde

We hebben gezien dat de Galatenbrief de grote verandering beschrijft die plaats vond met de komst van de Heere Jezus. Christus staat tussen twee bedelingen in, en Hij is het die de scheiding maakt. Het hele Judaïstische systeem werd met Zijn komst aan de kant gezet. Wij willen nu zien wat het wezen van die grote scheiding is. Dit is van het grootste belang voor alle christenen, als ze dat maar zouden willen erkennen.

De aard van de oude Joodse bedeling was totaal op het terrein van de natuurlijke zintuigen. Alles was een zaak van zien met het natuurlijke oog, horen met het natuurlijke oor en voelen met de natuurlijke handen. Het was tastbaar; je kon je hand erop leggen. Het was ook een kwestie van de reuk. De offers en het reukwerk kon je ruiken. En ook de smaak speelde een rol bij de feesten.

Maar het bleef niet bij de natuurlijke zintuigen. Het had ook te maken met het terrein van de ziel. De ziel bestaat uit verstand, gevoelens en wil, en zo bepaalden lichaam en ziel de godsdienst. God gaf hun een tabernakel die ze konden zien; God gaf hun reukwerk dat ze konden ruiken enzovoort, maar ze waren blind voor de betekenis van deze dingen.

Nu naar het verschil in de nieuwe geestelijke orde. Wat is het wezen van datgene wat met Jezus Christus gekomen is? Het is een geestelijke orde en niet langer een kwestie van de natuurlijke zintuigen. De nieuwe orde begint ergens anders. We gaan terug naar Galaten. Het woord “geest” komt twaalf keer voor en dat is ook de belangrijkste sleutel tot deze brief. Het is niet langer naar het vlees, maar naar de geest. Het Nieuwe Testament is wezenlijk een geestelijke orde, die gekomen is met Christus. Denk aan het gesprek van Jezus met de Samaritaanse vrouw. De vrouw had gezegd dat de mensen op deze berg moeten aanbidden en de Joden zeggen dat men te Jeruzalem moet aanbidden. Dan zegt Jezus: “Geloof Mij, vrouw, de ure komt, dat gij noch op deze berg, noch te Jeruzalem de Vader zult aanbidden … God is geest en wie Hem aanbidden, moeten aanbidden in geest en in waarheid” (Joh. 4:21,23). Dat is het wezen van de nieuwe orde. Zoals we weten moet een mens eerst wedergeboren worden uit de Geest. “Wat uit het vlees geboren is, is vlees, en wat uit de Geest geboren is, is geest”.

In de Hebreeënbrief wordt gesproken over de Vader der geesten (Hebr. 12:9). Hij is niet de Vader van ons lichaam. Hij is niet de Vader van onze natuurlijke ziel. Hij is de Vader van onze geest. Wat gebeurt er als iemand wedergeboren wordt uit de Geest? Wat is eigenlijk de natuur van de nieuwe geboorte? Natuurlijk is dit nu juist de betekenis van de komst van de Heilige Geest. Hij kwam speciaal met het doel een geestelijke orde te scheppen. En Hij begint met het individu: “U moet wederom geboren worden”. Wat gebeurt er als we uit de Geest geboren worden? We ontvangen nieuwe geestelijke zintuigen. Ze komen overeen met de oude zintuigen wat hun functie betreft. Maar ze zijn geestelijk en niet lichamelijk.

Wij ontvangen door de Heilige Geest een nieuw gezichtsvermogen. U weet hoe vaak er in het Nieuwe Testament iets staat over geopende ogen. Jezus verwees naar dit principe door de ogen van blinden te openen. Hij illustreerde de grote geestelijke waarheid dat wij in de nieuwe schepping een nieuw gezichtsvermogen krijgen. En elk echt wedergeboren kind van God moet kunnen zeggen: “Eén ding weet ik, dat ik, die blind was, nu zien kan”. Hij heeft geestelijke ogen gekregen. Soms wordt het geestelijk onderscheidingsvermogen genoemd, ook wel geestelijk inzicht. Maar het betekent allemaal hetzelfde. Ik zie nu wat ik eerder onmogelijk kon zien wat betreft de ware betekenis van de dingen van God. Ik was blind, maar de Heilige Geest heeft me nieuwe ogen gegeven. Luister naar wat de apostel Paulus hierover zegt: “Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen … heeft God ons geopenbaard door de Geest (1 Kor. 2:9,10).

Het eerste dat je na je wedergeboorte ontvangt is het geestelijke gezichtsvermogen. Ziet u het verschil tussen de oude en de nieuwe bedeling? Israël had allemaal dingen die je met je natuurlijke ogen kon zien. De tabernakel, de tempel, de priesters en de offeranden, de feesten. Maar ze waren totaal blind voor de betekenis van deze dingen. En daarom kruisigden ze Hem die dat alles vervuld had. Ondanks alles wat ze met hun natuurlijke gezichtsvermogen konden zien, waren ze geestelijk blind.

Wat waar is van het zien, is het ook van het horen. In het Oude Testament hoorden ze alles aan met hun natuurlijke oren, maar ze waren doof voor de stem van God. Nu in het Nieuwe Testament, de orde van de Geest, hebben we een nieuw gehoor ontvangen. Wij zeggen: “De Heere heeft tot mij gesproken”. We bedoelen niet dat we met onze natuurlijke oren een stem hebben gehoord, maar dat we de Heere in ons hart hebben horen spreken. Een nieuw geestelijk horen. Het Nieuwe Testament is op dit principe gebouwd. Toen Jezus Zijn gelijkenissen vertelde, eindigde Hij met: “Wie oren heeft, die hore! “ (Matth. 11:15). En nadat Hij in Openbaring 2 en 3 tot de zeven gemeenten gesproken had, zei Hij elke keer: “Wie een oor heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt”.

Het was geen hoorbare stem, het was “wat de Geest tot de gemeenten zegt”. Zo hoeven we, als we een ander kind van God ontmoeten, niet veel met onze lippen te zeggen, maar we weten dat dit een kind van God is. Hun geest spreekt tot onze geest. We kunnen de geest in elkaar ontdekken. We hebben dat nieuwe vermogen om te horen wat de geest zegt. En dit geldt evenzeer voor alle andere zintuigen.

Weet u wat geestelijk reukvermogen is? Je hoeft maar ergens binnen te komen en je ervaart dat er iets niet goed is. Daar is geen leven, het is dood. De Heere is daar niet. Je ervaart dat met je geestelijk reukvermogen. Of je ontmoet iemand. Je hoeft niets te zeggen, maar je weet dat die persoon een vooroordeel heeft. Zijn hart is gesloten. Hij probeert je te bedriegen. Hij houdt iets achter voor je. Hoe weet je dat? Je “ruikt” het. Het is een geestelijk zintuig, maar erg belangrijk. Hierdoor voelen we wat van de Heer is en wat niet. Het reukwerk in het Oude Testament was een liefelijke geur. Zo ook dat geestelijke reukvermogen. Je weet dat dit iets is wat de Heere behaagt. Zo kunnen we weten wat geestelijk gezond is en wat ongezond. En net als in het Oude Testament de lichamelijke zintuigen van groot belang waren, zo zijn de geestelijke dat in de nieuwe bedeling.

Als u de eerste brief aan de Korinthiërs leest, ziet u dat de christenen in Korinthe leefden op basis van natuurlijke dingen, niet op basis van geestelijk onderscheidingsvermogen. “Een ongeestelijk (Eng. vert. natuurlijk) mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is. Hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is” (1 Kor. 2:14). En dan voegt Paulus daaraan toe: “Maar de geestelijke mens beoordeelt alle dingen, zelf echter wordt hij door niemand beoordeeld”. Een geestelijk mens is een mysterie voor de wereld, ze begrijpen hem gewoon niet. Paulus illustreert het als volgt: “Wie toch onder de mensen weet, wat in een mens is, dan des mensen eigen geest, die in hem is? Zo weet ook niemand, wat in God is, dan de Geest Gods. Wij nu hebben … de Geest uit God” (1 Kor. 2:11,12).

We komen nu bij een moeilijk gedeelte in Hebreeën (Hebr. 4:12). Daar staat: “Want het woord Gods is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en het dringt door, zó diep, dat het vaneenscheidt ziel en geest …”. Het heeft te maken met wat de schrijver daarvoor gezegd heeft. Hij sprak over Israël in de woestijn en dat het volk niet het beloofde land, de rust, kon binnengaan. En er staat: “Want indien Jozua hen in de rust gebracht had, zou hij niet meer over een andere, latere dag (rust) gesproken hebben” (Hebr. 4:8). Hij zegt dat Israël naar het vlees niet kon binnengaan in Gods rust, in datgene wat God voor hen bereid had. Ze zagen het doel van God niet waarvoor Hij hen uit Egypte geleid had. Die hele generatie, op twee man na, stierf in de woestijn. En ze zijn nooit binnengegaan in Gods doel en plan met hun verlossing. Na dit gezegd te hebben, zegt de schrijver dat het Woord van God levend en krachtig is, en ziel en geest vaneenscheidt. Wat betekent dit? Het oude Israël leefde volledig op basis van de natuurlijke ziel. En de schrijver zegt: “Zij zijn niet ingegaan vanwege hun ongeloof” ((Hebr. 4:6).

Het Woord van God scheidt ziel en geest vaneen. De gelovigen in het Nieuwe Testament die willen binnengaan in heel Gods voornemen, moeten een geestelijk volk zijn, geen “zielse” mensen. Ze moeten hun basis hebben in het geestelijke, niet in het natuurlijke. Deze hele brief aan de Hebreeën is gebouwd op het verschil tussen het oude en het nieuwe. Uitvoerig laat hij ons zien hoe het oude faalt, de oude wet, het oude priesterschap, de oude offeranden, de oude tempel en de tabernakel. Het was gedoemd te falen, omdat het gebouwd was op natuurlijke grond, die van de ziel. Dan beschrijft de brief de nieuwe orde. Een Hogepriester die in de hemel is, het ene offer dat voor altijd genoeg was, enzovoort. Dat is een geestelijke orde. En het Woord van God maakt scheiding tussen die twee. Als je bij hoofdstuk 12 komt, zegt de schrijver: “We hebben vaders naar het vlees gehad. Zij hebben ons naar hun beste weten getuchtigd en wij zagen tegen hen op” (Hebr. 12:9). Ik vraag me af of dat waar is bij ons allen. Toen onze aardse vaders ons een stevig pak slaag gaven, zagen we tegen hen op? We zeiden niet: “Dank u wel”. Het bracht ons op dat moment geen vreugde, maar smart. Maar toen we volwassen waren, zeiden we: “Vader had gelijk; die tuchtiging was voor ons bestwil”. Zouden we ons dan niet nog veel meer onderwerpen aan de Vader der geesten? Het geestelijke is zoveel hoger, “de Vader der geesten”! Dat gebeurt er als we wederom geboren worden. Niet onze ziel, maar onze geest wordt wedergeboren. Onze geest stierf met Adam, was van God gescheiden door de zonde van Adam. Zodat van nature alle kinderen van Adam dood zijn in. geestelijke zin. Onze geest stierf met die van Adam.

In Christus zijn we weer levend geworden. Onze geest is levend en God is de Vader van onze geest. We zijn geen kinderen van Adam, maar kinderen van God. Wat een verschil! Over dat verschil spreekt Paulus in de Galatenbrief. Hij zegt: “O, onverstandige Galaten, wie heeft u betoverd … Gij zijt begonnen met de geest, eindigt gij nu met het vlees?” Jullie zijn uit de oude bedeling gekomen en binnengegaan in het nieuwe leven van de Geest, en gaan jullie nu terug? O, onverstandige, dwaze Galaten!

Maar vergeet niet, beste vrienden, dat het christendom waar wij mee vertrouwd zijn, grotendeels gebaseerd is op de oude bedeling. Ziet u hoe het christendom nu te werk gaat? Het begint met het bouwen van een religieus gebouw. Ze noemen dat een kerk, maar de Kerk is geen gebouw met handen gemaakt. En dan maken ze een soort orde van eredienst en stellen bepaalde mensen officieel aan om het werk te doen. En als ze dat alles geregeld hebben, vragen ze de Heere of Hij daar wil wonen. Eerst komt de organisatie, het uiterlijke. Er wordt gebouwd op het beginsel van de ziel. Het is allemaal een kwestie van verstand, emotie en uitvoeren. Dat is Judaïstisch christendom.

Met Gods methode is het net andersom. Waar begint God? God begint niet met kerken of gemeenten. Hij begint ook niet met de liturgie of met een bepaalde menselijke kerkorde. Een bijeenkomst, een gemeente is niet Gods begin. God begint met een werk van de Heilige Geest in individuele mensen. Misschien maar met één en dan een tweede en een derde. En als deze twee of drie in dezelfde plaats wonen, komen ze bij elkaar. Niet omdat ze het christendom aanvaard hebben, maar omdat ze die ene Geest in zich hebben. Dat is het begin van de gemeente in die plaats.

Wat voor het begin geldt, moet ook gelden voor alles wat daarna komt. Mensenhanden moeten afblijven van de dingen van de Geest. Als de Heilige Geest iets begonnen is, is Hij volkomen in staat om te vormen wat Hij wil. Onze verantwoordelijkheid hierin is door de Geest geleid te worden, altijd de leiding van de Geest te zoeken. Zolang we niet zeker zijn dat de Heilige Geest ons werkelijk leidt, blijven onze handen eraf. Wij doen niets. Dit werk moet uit de Geest zijn. Dit is de orde van de nieuwe bedeling.

Ziet u het verschil tussen het begin en dat wat wij vandaag hebben? In de eerste dertig jaar van het christendom werd het evangelie over heel de toenmalige wereld verspreid. Bijna in elk land waren er gemeenten. Vele duizenden werden door de Here toegevoegd. Het was een machtig werk. Daar was maar dertig jaar voor nodig. Wij hebben tweeduizend jaar kerkgeschiedenis achter de rug. We hebben talloze zendelingen uitgezonden, miljoenen dollars besteed. We hebben keihard gewerkt, maar in die tweeduizend jaar is er niets dat vergeleken kan worden met die dertig jaar.

Waarom is het niet doorgegaan? Omdat ze alles weer terug hebben gebracht op een zielenbasis en niet op een geestelijke. Wanneer de dingen uit handen van de mensen blijven en in de handen van de Heilige Geest, gebeurt er iets! Mijn grote verlangen is dat er nu zo’n werk plaats vindt als in het begin. Als het werk geheel van de Geest is, zie je iets gebeuren en de vijand komt in actie daartegen. Dat is altijd een goed teken. Als de duivel voelt dat er iets is waartegen hij moet vechten, weet hij dat dit betekent dat zijn koninkrijk in gevaar komt.

Ik besef dat dit een uiterst belangrijk woord is voor deze tijd. Het laat ons de volledige verandering zien van het oude naar het nieuwe, van het natuurlijke naar het geestelijke in de dingen van God, van het menselijke naar dat wat van God is.

Slot.

T. Austin-Sparks

Publicatie met toestemming van: Stichting “De Gouden Kandelaar” te Twello, van der Duyn van Maesdamstraat 89, 7391 VK Twello. Het wordt op aanvraag gratis toegezonden en heeft geen abonnementsprijs. Doel van deze publicaties is: Gods volk in onze tijd bewust te maken van de hemelse roeping van de gemeente van Jezus Christus, opdat Hij bij Zijn komst een toebereide bruid zal vinden.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol