3 jaar geleden

Door het donkere dal – de beoordeling van een geestelijke ziekte

Ook onder christenen komen herhaaldelijk geestesziekten voor. Deze christenen hebben op een bijzondere manier het gebed van de gelovigen nodig – en dat we hen onvoorwaardelijk accepteren. Prachtig, indien een dergelijke christen ervaringen heeft en daarmee anderen bemoedigen kan.

In het volgende wil ik de gebeurtenissen en ervaringen tijdens mijn geestelijke ziekte in 2006 weergeven. In deze tijd heeft de Heer Jezus toegelaten, dat ik door een donker dal van lijden en wanhoop werd geleid. Maar ik ben dankbaar dat Hij mij nooit alleen gelaten heeft in deze donkere tijd en de omstandigheden soeverein in Zijn machtige hand gehouden heeft. “Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, de Vader der ontfermingen en [de] God van alle vertroosting, die ons vertroost in onze verdrukking, opdat wij hen kunnen vertroosten die in allerlei verdrukking zijn, door de vertroosting waarmee wijzelf door God vertroost worden” (2 Kor. 1:3-4).

De voorgeschiedenis

Vaak ontstaat een geestelijke ziekte niet “van vandaag op morgen”, maar ze dient zich over langere tijd aan. Zo was het ook met mij. In de herfst van 2004 viel ik voor de eerste keer in mijn leven in een diepe depressie, die echter zeer snel met succes met een neurolepticum1 kon worden behandeld. Deze medicatie hielp mij uit dit dal van de depressie. Ik zat toen in de zevende klas van de hogeschool. Mijn schoolprestaties leden nauwelijks onder de depressie, omdat de acute fase2 in de vakantie plaats vond en ongeveer een week duurde, en de medicatie  heel snel werkte.

In de zomer van het jaar er op (2005) kreeg ik meer en meer last van een zogenaamd gevoel van duizeligheid. Ik had de indruk dat ik daardoor meer en meer het contact met de werkelijkheid verloor. Mijn mentale capaciteit begon af te nemen, wat ik vooral op school merkte. Ik maakte me ernstig zorgen over mijn gezondheid, omdat het gevoel van duizeligheid – het was een droomachtige toestand – voortdurend van week tot week toenam. Mijn wanhoop groeide en ik zag geen enkele reden waarom deze constante toename een keer zou stoppen. Ik zocht op een gegeven moment alleen nog naar de oorzaken van deze aandoening.

Tot slot kwam ik tot de overtuiging dat het droomgevoel (zoals ik het later noemde, dus de angst om permanent met de ziekte te moeten leven), dat mij steeds meer kwelde en waarvan ik mij niet kon voorstellen ermee te moeten leven, een gevolg van neuroleptica was. Door wanhoop om mijn toestand gedreven, stopte ik met de Neuroleptica’s van vandaag op morgen. Ik deed het in de hoop daarmee de oorzaak van het hele dilemma op te heffen. Maar al snel bleek dat dit een drogreden was. Na het stoppen met het geneesmiddel (eind 2005) veranderde het droomgevoel niets. Integendeel, het werd alleen maar erger. Daar kwam bij dat ik door de abrupte stopzetting in een heftige psychose met angst viel. Op dat moment wist ik nog niet, dat dit het begin van een ongeveer negen maanden durende periode van lijden zou worden, waardoor de Heer Jezus mij liet gaan.

In het donkere dal

In deze tijd van lijden, die ik nu graag kort beschrijven wil, voelde ik me vaak zo zoals je kunt lezen in de profeet Jeremia, toen hij klaagde: “En ik zei: Mijn kracht is vergaan, en wat ik van de HEERE verwachtte. Denk aan mijn ellende en mijn ontheemding, aan de alsem en de gal. Mijn ziel denkt er onophoudelijk aan, zij buigt zich neer in mij” (Klaagl. 3:18-20). Maar ik ben er zeker van dat de Heer Jezus mij bewust door deze tijd heeft doen gaan. Dankzij Zijn genade heb ik ook nooit het geloof in Hem en de praktische verbinding met Hem verloren. Hoewel mijn geloof in deze tijd op het nulpunt was – ik had geen hoop meer om ooit weer een normaal leven te kunnen leven, zo heeft Hij toch wonderbaar over de omstandigheden gewaakt en mij op het juiste moment de verlangde uitweg gebaand (verg. 1 Kor. 10:13)!

Er veranderde niets aan de toenemende intensiteit van het “droomgevoel”. Aanvankelijk had ik de indruk ’s ochtends nog steeds redelijk fris en helder te zijn, maar in de loop van de dag meer en meer door dit “droomgevoel” te worden besmet. Maar na verloop van tijd werd ik ’s morgens al wakker met dit gevoel. Mijn gedachten tolden alleen nog om deze ene zaak. Des te meer ik mij gedachten maakte, des te erger werd het “droomgevoel”, en ik begon te wanhopen. Het was voor mij een volstrekte onmogelijkheid met deze permanente beperking te leven.

De psychose, waaraan ik leed, was ook geleidelijk toegenomen. Door de intensieve omgang met mijn hoofd en mijn waarneming (ik was innerlijk voortdurend met mezelf bezig) ontwikkelden zich spoedig ook waarnemingsstoornissen, die – geloof ik – niets te maken hadden met het droomgevoel, maar psychotische oorzaken hadden. De psychose uitte zich in de volgende symptomen: angst, paranoia, permanente onveiligheid, veranderde zintuiglijke waarneming in horen en zien.

Mijn zelfvertrouwen nam op dat moment meer en meer af. Natuurlijk was het toen niet meer mogelijk om normaal naar school te gaan. Ik was ongeveer 8 weken helemaal thuis.

Om mij uit de psychose te helpen, schreef mijn toenmalig verantwoordelijk huisarts van de kinder- en jeugdpsychiatrie in Herborn mij een ander anti psychoticum voor. Al na een paar weken, ontvouwde de neuroleptica zijn effect en kwam ik stap voor stap uit de psychose. Echter werd mijn algehele toestand niet verbeterd. Bovendien was er het permanent toenemende droomgevoel, dat mij steeds meer tot wanhoop dreef.

In de dagkliniek

Ik zag mij op dat moment niet meer in staat met mijn normale schooldag verder te gaan. Ik kon niet meer met dit droomgevoel leven. Een opname voor een psychiatrische behandeling was de enige mogelijkheid die in aanmerking kwam.

Nadat ik met mijn moeder, mijn dokter en de toekomstige bevoegde arts van de Rehberg-kliniek  had afgesproken in de dagkliniek behandeld te worden, werd ik korte tijd later als patiënt in de kinder- en jeugdpsychiatrie in Herborn opgenomen. Van nu af aan werd ik ’s ochtends door een autodienst naar Herborn gebracht, was dan de hele dag daar en werd ’s middags tegen 17.00 uur weer afgehaald, om ’s avonds thuis te zijn.

Op deze locatie waren de oudere kinderen en jongeren gehuisvest. Ik maakte deel uit van een groep die bestond uit 7 jongeren tussen 12 en 17 jaar. Ik bracht daar in totaal ongeveer 11 weken in de psychiatrie door (de periode van 21 juni tot 8 september 2006).

In de polikliniek gold voor mij, net als voor alle andere patiënten, een vaste dagelijkse routine met geregelde behandelingen en therapieën, lokaal gerelateerde taken en diensten (zoals keukendienst), een lunchpauze, gezamenlijke maaltijden op de afdeling (ontbijt en lunch), en ik moest het schoolziekenhuis bezoeken. Daarnaast stonden regelmatig gezamenlijke excursies (bijvoorbeeld naar Gießen in het chocolademuseum of naar Olpe aan de Biggesee) op het programma.

Ondanks de geringe hoop dat er iets zou veranderen aan het droomgevoel, hoopte ik door de psychiatrie een optimale medicatie-aanpassing en daarmee het herstel van mijn denken en academische prestaties te bereiken – kortom, de beëindiging of vermindering van het droomgevoel waarmee ik niet verder leven kon.

Geen uitweg?

De meeste ruimte in mijn herinnering aan die tijd neemt het mentale leed in, dat mij onophoudelijk kwelde. Mijn gedachten hadden inderdaad weer normale structuren aangenomen, ook de angsten – kortom, de psychose was succesvol behandeld door de neuroleptica. Aan mijn zorgen nooit meer gezond te worden, was er verder niets veranderd. Dit idee werd in plaats daarvan alleen maar erger. Ik had het gevoel permanent met dit droomgevoel te moeten leven. Dit droomgevoel was voor mij zo erg en schadelijk, dat ik op een wonder van God hoopte, dat mij van dit gevoel bevrijden zou. Maar het geloof daarin viel mij ongelooflijk moeilijk, om niet te zeggen, dat ik helemaal geen geloof had. Dat verklaart mijn uitzichtloosheid en wanhoop.

Als iemand mij toen verteld had dat ik aan mezelf moest werken en proberen met deze stoornis te leven, zou dat een onmogelijkheid voor mij zijn geweest. Dat is waarom ik het noodzakelijk vond, dat ik van de buitenkant van dat gevoel zou worden bevrijd. De omstandigheden (dat wil zeggen de voortdurende stijging van de droomemotie) beloofden me eerder het tegenovergestelde. Ik wist dat wanneer aan de omstandigheden niets zou veranderen, ik het contact met de werkelijkheid op een bepaald moment geheel verliezen zou.

Echter alle behandelingen om het door mij beschreven droomgevoel door middel van medicatie onder controle te krijgen, bewerkten geen verandering. Het droomgevoel groeide gestaag, en daarmee ook mijn wanhoop en hopeloosheid. Een organische oorzaak kon men na het uitvoeren van een EEG (meting van hersengolven) en een oogheelkundig onderzoek uitsluiten, respectievelijk als onwaarschijnlijk uitsluiten.

Regelmatig had ik gesprekken met mijn afdelingsarts. Maar van gesprek naar gesprek kon ik haar niets anders meer vertellen, dan dat het droomgevoel verder toegenomen was. De last van het  voortdurend daarmee te moeten leven, in combinatie met de angst, dat ik mijn denkvermogen bij een gestage toename uiteindelijk mogelijk helemaal verliezen zou, bracht me naar de grens van mijn kracht. Ik was ervan overtuigd dat ik nooit meer naar school zou gaan, nooit in staat zou zijn een normaal leven te kunnen leiden. Ik was op weg terug te vallen tot het niveau van een klein kind. Dat wilde ik niet accepteren. Ik vocht er innerlijk tegen (met de kracht die mij nog overbleef), maar ik wist dat ik er niets tegen kon doen. Ik zag voor de toekomst geen hoop meer. De golven van angst en wanhoop, waarmee ik in deze tijd worstelde, schenen mij te overweldigen. Ik zag in die tijd geen uitweg, zoals de apostel Paulus schreef met betrekking tot zichzelf, “geen uitweg ziende …”, maar hij voegt eraan toe “maar niet geheel zonder uitweg” (2 Kor. 4:8b).

Licht aan het einde van de tunnel

Het was geen wonder in de zin van een bovennatuurlijke gebeurtenis, waardoor de Heer Jezus mij genas van mijn ziekte. Zelfs aan het droomgevoel veranderde niet werkelijk iets. Maar de Heer gaf mij opeens, toen ik mij met mijn droomgevoel bezig gehouden had, de kracht om daarmee te leven. Het droomgevoel belastte mij plotseling niet meer op de manier, zoals het tot nu toe het geval was geweest (ik denk dat dit als een wonder moet beschouwd worden). Ik was opeens in staat om ermee te leven. De wanhoop, de onmogelijkheid daarmee te moeten leven, veranderde op een onverwachte wijze. Het onmogelijke werd mogelijk.

Met het oog op de terugkeer naar school en om het leven thuis gemakkelijker te maken, leek het de beste oplossing om de eerste twee weken na de vakantie aan het schoolonderwijs van mijn oorspronkelijke thuisschool deel te nemen, om dan na schooltijd weer naar Herborn gebracht te worden. Tegen 17.00 uur werd ik dan van daar opgehaald en naar huis gebracht zoals voorheen het geval was.

Na deze twee weken van revalidatie, werd ik uit de kliniek ontslagen. De vertrekdatum werd vastgesteld op 8 september 2006. Deze dag was het einde van een totaal van 11 weken durend verblijf in het ziekenhuis.

Ik ben de Heer dankbaar dat Hij me door deze periode heen gedragen heeft en op het juiste moment de weg gebaand heeft, die ik in deze tijd niet zien kon.

“U had de sterveling over ons hoofd doen rijden. Wij waren in het vuur en in het water gekomen, maar U hebt ons uitgeleid naar de overvloed” (Ps. 66:12).

“… en God is getrouw, die niet zal toelaten dat u verzocht wordt boven wat u kunt [verdragen]; maar met de verzoeking zal Hij ook de uitkomst geven, zodat u ze kunt verdragen” (1 Kor. 10:13b).

NOTEN VERTALER:
1. Neuroleptica is een verouderde term voor een aantal nu antipsychotica genoemde middelen, en had oorspronkelijk betrekking op de middelen chloorpromazine en reserpine. Deze term gaf aan welk effecten deze middelen op de patiënten hadden, namelijk psychomotorische vertraging, verminderde interesse en initiatief, emotionele onverschilligheid en affectieve indifferentie. {Wikipedia}
2. De acute fase is de periode die aanvangt met het optreden van het trauma. In de acute fase wordt de diagnose gesteld en indien mogelijk de behandeling ingezet. Hoofddoelen van de behandeling in de acute fase zijn overleving van de patiënt, het voorkomen van secondaire schade aan de hersenen en andere complicaties, en het stabiliseren van de medische conditie. De acute fase loopt tot aan het moment dat de patiënt lichamelijk stabiel is en de acute interventie beëindigd is. {Kennisplein NAH}

 

Sascha Bastian, © www.bibelpraxis

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol