11 jaar geleden

De zonen van Korach

De eerste maal, waar we iets van de zonen van Korach horen, is een korte opmerking maar toch zeer rijk van inhoud. “Maar de kinderen van Korach stierven niet” (Numeri 26:11). Hun vader, een Leviet uit de familie van de Kehathieten, had zich samen met twee vorsten uit de stam van Ruben en een hele rei handlangers tegen de door God gegeven leiderspositie van Mozes en Aäron verzet. God antwoordde met oordeel. De aarde opende zich en verslond de opstandelingen en hun gezinnen. Vuur verteerde hen, zodat zij tot een teken werden. Dit voorval wordt ons in Numeri 16 bericht. De zonen van Korach hadden zich – in overeenstemming met de oproep van Mozes – van de tenten van deze wetteloze mannen verwijderd, ook al waren zij door nauwe familiebanden met hen verbonden. Hun verbinding met hun God was sterker.

Over het verdere verloop van dit bericht uit de bijbel horen wij ongeveer 400 jaren niets meer van de nakomelingen van Korach. Pas ten tijde van koning David worden zij weer genoemd. David en Samuël vertrouwden enkelen van hen de leiding toe van het gezang in het huis van God. Sommigen kregen de opdracht als poortwachters hun dienst te vervullen en weer anderen zorgden voor de vaten van het heiligdom (1 Kronieken 9). In tijd na David en Salomo vinden wij naar mijn weten niet veel verhaald, tot zij tenslotte ten tijde van Nehemia nog eens in hun funktie als poortwachters genoemd worden (Ezra 2:42; Nehemia 7:45).

Een blik in het hart van de zonen van korach

Om te begrijpen, waarom de zonen van Korach door David en Samuël tot zo’n belangrijke opdracht uitverkoren werden, moeten we een blik werpen in de harten van deze mannen. Waar wordt ons nu iets bericht, wat in hun binnenste omging? In de meeste gevallen zeggen ons de psalmen iets van datgene, wat in het binnenste van verschillende godsmannen omging. Dat is ook bij de zonen van Korach zo. Tien pslamen dragen in het opschrift hun namen. Het zijn de psalmen 42; 44-49; 84; 85; 87 en 88. (Is het niet een aansporing deze psalmen in verbinding met dit artikel nog eens te lezen?)

Terwijl hun stamvader Korach zich verheven had, vinden we bij de nakomelingen een diep gevoelen van de genade van God, waardoor zij in het oordeel niet mee omgekomen zijn. Deze genade maakt hen dankbaar en laat hen de door God gegeven taken in nederigheid en toewijding uitvoeren.

Psalm 42 maakt ons daarmee vertrouwd, dat zij de zuivere wens hadden, God in trouw na te volgen. De lof van God temidden van het volk ging hen zeer ter harte. Zij wilden deze lof ook op een gepaste wijze voor God uitdrukken (Psalm 45:2). Verder lag hen het welzijn van de stad, die God uitverkoren had om daar onder Zijn volk te wonen, na aan het hart. Zij verstonden iets van de betekenis van de stad Jeruzalem in de gedachten van God (Psalm 48; 84; 87). Zochten zij de bron voor deze dingen in hun eigen harten? Neen. Zij wisten dat God hen dat in het hart gegeven had en beleden: “Al mijn bronnen zijn in U!” (Psalm 87:7). Zo’n gezindheid maakt hen tot werktuigen van God, om op profetsiche en ontroerende wijze iets van de gevoelens van de Heer Jezus op Zijn weg naar Golgotha uit te drukken (Psalm 88).

Hun dienst in het huis van God

Nadat wij nu gezien hebben, hoe het er in hun harten uitzag, willen we toch nog eens hun dienst nauwkeuriger in ogenschouw nemen.

De lofprijzing van God was de eerste opdracht van de nakomelingen van Korach. Nadat de ark van het verbond in Jeruzalem haar plaats gekregen had, verrichtten zij in het bijzonder deze dienst voor de tent der samenkomst en later ten tijde van Salomo in de tempel. Een bekende man onder hen is Heman, de zanger, die ook tot de raadgevers van David behoorde (1 Kronieken 6:31 e.v.). Hij was onder hen, die het transport van de ark uit het huis van Obed-Edom naar Jeruzalem met gezang en muziekinstrumenten begeleidden. Zij verblijdden zich erover, dat de ark van het verbond als een bijzonder getuigenis van het wonen van God onder Zijn volk nu de passende plaats verkrijgen zou. En aan deze vreugde gaven zij duidelijk uitdrukking (1 Kronieken 15:15 v.v.). De drijfveer was de Geest van God. Hij onderwees hen, dit op een met God overeenstemmende (een bij God passende) wijze te doen. De gewoonte in de tegenwoordigheid van God te leven en naar Zijn wil te vragen, maakte hen bekwaam ook andere taken nauwgezet en wijs uit te voeren. Op deze grond stelde David enkelen van hen aan tot zijn raadgevers.

Over hun verdere taken wordt ons in Kronieken 9 bericht. Ten eerste vinden we hen daar als poortwachters. Het is een verantwoordelijke opdracht. Zij hebben over alles te waken, wat in het huis van God in- en uitging. De belangrijkheid van deze taak wordt daardoor duidelijk gemaakt, dat zij uitgekozen [uitgelezen – Staten Vertaling) waren (vergelijk 1 Kronieken 9:22). Hun trouw en bekwaamheid waren beproefd (zie ook 1 Kronieken 26:8). Om deze taak nauwgezet na te komen, overnachtten zij rondom het huis van God. Elke morgen zorgden zij ervoor, dat de poort van de tempel open was. Ieder, die God een offer wilde brengen, moest ongehinderd toegang hebben. Anderszijds moest echter niets binnen komen, wat niet binnen behoorde. Zo was het dan ook niet zomaar wat, dat zij de verantwoording voor de vaten van de dienst en de vaten van het heiligdom droegen. Deze moesten immers op de juiste tijd voor gebruik van de priesters in de dienst voor God klaar staan.

Al deze taken verrichtten de ouderen samen met de jongeren, de vaders met de zonen (1 Kronieken 9:23). overeenkomstig de toenmalige omstandigheden werd de wil van God met betrekking tot de dienst door het lot bevraagd. En daartoe lezen wij, dat zowel de kleinen als de groten, de meester met de leerling, het lot wierp ((1 Kronieken 25:8; 26:13).

Hun trouw; ook in tijden van grote zwakheid

Gedurende een tijd van ca. 500-600 jaren wordt dan nauwelijks iets genoemd over de nakomelingen van deze mannen. Maar daarna vinden we enkele van hen ondr degenen, die de oproep van koning Kores (of Cyrus) opvolgden en met Zerubbábel naar Jeruzalem trokken, om de tempel weer op te bouwen (Ezra 2:42). Zij werden als geschikt gezien, om daar weer hun dienst als zangers en poortwachters te verrichten. Nehemía 11:19 laat de conclusie toe, dat zij, naar het voorbeeld van hun vaderen, in Jeruzalem en dus in de nabijheid van het heiligdom van God woonden. De principes van de uitoefening van hun dienst waren ook na de terugkeer uit de gevangenschap de voor honderden jaren door David en Salomo opgeschreven geboden van God (Nehemía 12:45). Daarbij hebben zij juist in deze tijd geen goede voorbeelden. De hogepriester Eljásib nam het met zijn verbindingen met ongelovigen, ja met de vijanden van zzijn volk, niet zo nauw. Integendeel, hij ruimde de kamer in de tempel leeg, waarin het spijsoffer, de wierook en onder andere ook de gaven voor de zangers en de poortwachters bewaard werden, om plaats voor de Ammoniet Tobía te maken.

Ik denk dat de taal dat het voorbeeld van deze mannen spreekt, duidelijk genoeg is om ons de juiste conclusies voor onze weg met de Heer Jezus te laten trekken. Het komt niet op onze afkomst en de omstandigheden, maar op ons hart aan. Wanneer de liefde tot Hem en de bereidheid om Zijn Woord gehoorzaam te zijn, ons hart vervult, dan zullen wij door de genade van God zo’n dienst voor de Heer Jezus ten nutte van onze medemensen kunnen uitoefenen.

“… de blijdschap des HEEREN, die is uw sterkte” (Nehemía 8:10).

Rainer Möckel, © Folge mir nach

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol