2 jaar geleden

De schepping (les 8) – Waterdieren en vogels

Waterdieren en vogels

“En God zei: Laat het water wemelen van wemelende levende wezens; en laten er vogels boven de aarde vliegen, langs het hemelgewelf! En God schiep de grote zeedieren en alle krioelende levende wezens waarvan het water wemelt, naar hun soort, en alle gevleugelde vogels naar hun soort. En God zag dat het goed was. En God zegende ze en zei: Wees vruchtbaar, word talrijk, en vervul het water van de zeeën; en laten de vogels talrijk worden op de aarde! Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de vijfde dag” (Gen. 1:20-23).

Een nieuwe dag begint, een heel bijzondere dag, want nu moeten de voorbereide leefgebieden bevolkt worden met bezielde inwoners! Alles staat klaar:

• het water
• het luchtruim
• de aardbodem
• de zon

1. Eerst worden de waterdieren geschapen.

a. Welke bevel geeft God om de wezens in het water scheppen?

……………………………………………………………………………………………………….……………….

……………………………………………………………………………………………………….……………….

b. Hoe luidt het bevel om de bewoners van het luchtruim te scheppen?

……………………………………………………………………………………………………….……………….

……………………………………………………………………………………………………….……………….

Details volgen pas bij de uitvoering van het werk in vers 21.

2. In vers 21 vinden we de tweede keer de term “God schiep.” Waar vonden we het woord tot nu toe al?

……………………………………………………………………………………………………….……………….

……………………………………………………………………………………………………….……………….

Zoals God met de hemel en de aarde iets geheel nieuws geschapen had, komt hier met het mariene leven een heel nieuwe wijze van leven tevoorschijn. Zoals we in vraag 4 van Les 7 zagen, hebben de dieren in tegenstelling tot planten, een ziel. Daarom staat hier, bij de eerste tekenen van dit type wezens, “God schiep”, niet alleen “God maakte” of “en het was zo”. Bij de landdieren lezen we dat God ze “maakte”.

3. Waarvoor wordt de term “levende wezens” nog meer gebruikt in Genesis 1?

a. In de verzen 20 en 21: …………………………………………………………………………..

b. In vers 24: ………………………………………………………………………………………………

“Levende wezens” betekent letterlijk “levende zielen”. Daarmee bedoelt de Bijbel alle levende organismen, die bewustzijn en gevoelens bezitten. De ziel is de zetel van het natuurlijke leven, het gevoel en bij de mensen ook de persoonlijkheid.

4. Welke leefgebied is de tweede door leven vervuld?

……………………………………………………………………………………………………….……………….

……………………………………………………………………………………………………….……………….

Maar bij de uitdrukking «vogels» (letterlijk: gevleugelde), moeten we niet alleen denken aan vogels in de strikte zin, maar aan alle dieren die kunnen vliegen, waaronder insecten en de uitgestorven vliegende reptielen (vliegende sauriërs).

De vliegende vaardigheden van deze wezens zijn bewonderenswaardig. Een grote roofvogel kan zonder inspanning urenlang zijn cirkels in de lucht trekken. Hij gebruikt daarbij slim de thermiek. Een huisvlieg kan gemakkelijk uiteindelijk ondersteboven aan het plafond landen. Kolibries beheersen de zwevende vlucht en kunnen voor een bezoek aan bloemen in de lucht staan blijven. Sommige soorten libellen kunnen zelfs achteruit vliegen!

5. Bij de schepping van de in het water levende dieren noemt God in vers 21 twee groepen. Hoe heten deze?

a. ……………………………………………………………………………………………………….…………

b. ……………………………………………………………………………………………………….…………

Bij de grote zeedieren kunnen we aan de nog levende grote zeezoogdieren, de walvissen, denken of ook aan de grote haaien, maar misschien ook aan de nu uitgestorven hagedissen en aan de in het water levende dinosaurussen.

De tweede groep omvat de kleinere waterdieren, vooral vis.

6. In vers 21 vinden we tweemaal dezelfde uitdrukking. Welke is dat?

……………………………………………………………………………………………………….……………….

We hebben deze ook al ontmoet in vers 11 en 12 en zullen deze in vers 24 en 25 nogmaals aantreffen. Het komt in dit hoofdstuk 10 maal voor.

Zoals we al in hoofdstuk 6, punt 11, opgemerkt hebben, toont het scheppingsbericht heel duidelijk dat God de levenswezens in een grote verscheidenheid aan vormen geschapen heeft. De immense diversiteit van levende wezens is niet geëvolueerd uit een oercel. We merken echter op dat de term “soort” in de Bijbel dezelfde betekenis heeft als in de biologie.

7. God zegent de dieren. Welke drie opdrachten krijgen de waterdieren?

a. ……………………………………………………………………………………………………….…………

b. ……………………………………………………………………………………………………….…………

c. ……………………………………………………………………………………………………….…………

8. Welke opdracht ontvangen de vogels?

……………………………………………………………………………………………………….……………….

……………………………………………………………………………………………………….……………….

Bij de planten waren er dergelijke opdrachten niet omdat daar de vermeerdering niet opzettelijk gebeurt, ze hebben geen ziel. Het gaat bij het bevel dus om voortplanting, om vermeerdering en om uitbreiding. Voortplanting is ook mogelijk zonder vermeerdering, zoals we het vandaag de dag waarnemen bij de mensen in de geïndustrialiseerde landen.

Voorzeker, de val van de mens heeft een groot deel van de oorspronkelijke schoonheid van de schepping vernietigd (Rom. 8:19-22), maar toch zijn we altijd nog verbaasd, als we kijken naar de prachtige verscheidenheid en schoonheid van een koraalrif. En de kleurenpracht en de rijkdom aan vormen van de paradijsvogels en kolibries zijn ongekend.

Wij begrijpen dat God ook op deze dag vaststelde, dat het goed was.

Daarmee eindigt de vijfde dag. Nu ontbreken alleen nog de bewoners van het vasteland.

© Bibelkurs.com

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol