2 jaar geleden

De schepping (les 6) – De planten

Om deze cursus* op Frisse Wateren te vinden, moet u zoeken op de titel: “De Schepping”.

“En God zei: Laat de aarde groen doen opkomen, zaaddragend gewas, vruchtbomen, die naar hun soort vrucht dragen, waarin hun zaad is op de aarde! En het was zo. En de aarde bracht groen voort, zaaddragend gewas naar zijn soort en bomen die vrucht dragen waarin hun zaad is, naar hun soort. En God zag dat het goed was. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de derde dag” (Gen. 1:11-13).

Nu het droge ontstaan is, waarop de mens leven zal, moet Hij nu nog voeding voor de dieren (behalve vissen) en vooral voor de mensen te voorschijn brengen.

1. De aarde wordt gevraagd om iets te produceren. We zien de volgende dagen nog twee keer zulke uitnodigingen aan de elementen. Hoe luiden deze?

a. Vers 20: ………………………………………………………………………………………………………….

……………………………………………………………………………………………………….……………….

b. Vers 24: ………………………………………………………………………………………………………….

……………………………………………………………………………………………………….……………….

2. Maar hoe wordt het gezegd bij deze en hoe bij de andere twee dagen bij de uitvoering?

a. Vers 12: ………………………………………………………………………………………………………….

……………………………………………………………………………………………………….……………….

b. Vers 21: ………………………………………………………………………………………………………….

……………………………………………………………………………………………………….……………….

c. Vers 25: ………………………………………………………………………………………………………….

……………………………………………………………………………………………………….……………….

Hebt u het verschil opgemerkt? Op de 5e en 6e dag schiep, respectievelijk maakte God de dieren, maar hier brengt de aarde voort. Het met “doen opkomen” vertaalde woord komt anders in het Oude Testament niet voor (behalve in een andere vorm in Joël 2:22). Dit ‘doen opkomen’ is werkelijk eenmalig, omdat het geen ‘doen opkomen’ uit eerder in de aarde gevallen zaden waren. Hier doet de aarde opkomen door de scheppende kracht van God zelf.

3. Uit welke delen bestaat volgens 1 Thessalonicensen de mens?

a. ……………………………………………….

b. ……………………………………………….

c. ……………………………………………….

4. Uit welke delen bestaat het dier?

a. ……………………………………………….

b. ……………………………………………….

5. Wat bezitten daarentegen alleen de planten?

……………………………………………………………………………………………………….……………….

In de taal van de Schrift behoren de planten, in tegenstelling met de biologie, niet tot de levende wezens, omdat ze geen bloed hebben, waarin volgens de Schriften de ziel, dat wil zeggen het leven, is (Lev. 17:11; Job 33:18).

6. In welke drie groepen deelt God in vers 12 de planten in?

a. ……………………………………………….

b. ……………………………………………….

c. ……………………………………………….

Dit is geen wetenschappelijke indeling (bovendien worden de lagere planten helemaal niet vermeld), maar een indeling overeenkomstig hun latere nut als voedsel voor mensen en dieren. We zien dit in de volgende drie vragen.

7. Aan wie God geeft het gras en zaaddragende kruid in vers 29-30 tot voedsel?

…………………………………………………

…………………………………………………

8. Wat moet vooral verstaan worden onder het zaaddragende kruid (Ps. 104:14)?

……………………………………………………………………………………………………….……………….

9. Het voornaamste doel van fruitbomen voor de mens is niet de zaadvorming, maar

……………………………………………………………………………………………………….……………….

10. Dus terwijl het zaaddragende kruid, dat wil zeggen vooral het graan, aan de mens als basisvoedsel wordt gegeven, zijn de vruchten van de bomen vooral voor ons genot gegeven (Pred. 2:25).

Wat zegt de bruid in Hooglied 2 vers 3 van de vrucht van de appelboom?

……………………………………………………………………………………………………….……………….

……………………………………………………………………………………………………….……………….

Merk op dat de uitdrukking “naar zijn (hun) soort” in deze verzen drie keer voorkomt. Dit is een sterk argument tegen de evolutietheorie, die beweert dat uit de soorten nieuwe soorten ontstaan. Het is alsof God hier vast wil houden, dat dit niet het geval is. Tarwe vormt altijd tarwekorrels, waaruit weer tarwe ontstaat. En een appelboom draagt appels, waar uit de zaden weer appelbomen opstaan.

11. Hoe groot is de verscheidenheid van wat God hier schept! Duizenden en duizenden verschillende planten zijn er vandaag de dag op nog onze planeet. Ze bewonen een breed scala van habitatten: woestijnachtige droge gebieden, warme en vochtige regenwouden, de koude toendra. Ze zijn gevestigd in de ondiepe delen van de zeeën evenals hoge, vijandige hooggebergten. En ze leven niet als individuen; ze vormen grote gemeenschappen waarin verschillende planten samen leven en vaak op elkaar aangewezen.

Waar bent u al eens geweest om dit te bewonderen?

……………………………………………………………………………………………………….……………….

12. Wat een goede God hebben wij toch! Als we over dit alles nadenken, kunnen we de schrijver van Psalm 92 begrijpen.

Noteer hier de verzen 5 en 6 van deze psalm:

……………………………………………………………………………………………………….……………….

……………………………………………………………………………………………………….……………….

……………………………………………………………………………………………………….……………….

……………………………………………………………………………………………………….……………….

……………………………………………………………………………………………………….……………….

* De volgende les zal DV binnenkort volgen.

 

© Bibelkurs.com

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol