7 jaar geleden

De ruiters van de Apocalyps (2 – slot)

Na de Opname van de Gemeente, voorgesteld in Openbaring 4 vers 1-2, breekt er een zevenjarige periode van Goddelijke oordelen aan, opgetekend tussen Openbaring 6 vers 1 en 18 vers 24. Daarvan vormen de in Openbaring 6 vers 1-8 beschreven ‘ruiters van de Apocalyps’ het begin. Zoals we vorige keer hadden gezien, staan de tweede, derde en vierde ruiter voor respectievelijk oorlogen, hongersnoden, en epidemieën en menselijk geweld. Tezamen doden deze ruiters een kwart van de wereldbevolking.

Zoals vorige keer gezegd, willen we in dit tweede deel bij de eerste ruiter stilstaan. Waarop ziet deze ruiter?

Het eerste zegel: de ruiter op het witte paard

“En ik zag hoe het Lam het eerste van de zegels opende en ik hoorde een van de vier dieren met een stem als van een donderslag zeggen: Kom en zie! En ik zag en zie, een wit paard, en hij die erop zat, had een boog. En hem was een kroon gegeven en hij trok uit, overwinnend en om te overwinnen” (Openbaring 6:1-2).
Nadat Deze de boekrol uit Gods hand ontvangen heeft, opent het Lam het eerste van de zeven zegels. Daarmee wordt een ruiter op een wit paard de wereld in gezonden. Belangrijk om te zien is dat het bij deze ruiter om een andersoortig oordeel gaat dan bij de volgende ruiters. Het uitgaan van deze ruiter leidt namelijk niet tot sterfgevallen. Immers, deze ruiter is niet geschaard onder “hun die macht werd gegeven om te doden”. Zoals we vorige keer hadden gezien, ging het daarbij enkel om de tweede, derde en vierde ruiter. Ontegenzeglijk gaat het bij deze ruiter om een andersoortig oordeel met andersoortige gevolgen. Verder blijkt zijn tocht uiterst voorspoedig te verlopen. Immers, we lezen dat hem een kroon gegeven wordt en dat hem de overwinning wacht. Waarvoor nu staat deze ruiter?

Sommigen zeggen dat het daarbij gaat om een voorspoedige verbreiding van het Evangelie waardoor het op een wereldwijde opwekking uitloopt. Maar dat komt niet overeen met de tragische vaststelling die we viermaal in het verdere verloop van Openbaring vinden, namelijk dat de meerderheid van de mensen zich niet van hun boze werken tot God zullen bekeren (9:20-21; 16:9,11). Bovendien gaat het ook bij deze ruiter, ondanks dat de kleur van het paard wellicht de schijn wekt, niet om een zegen maar uitdrukkelijk om een oordeel.

Anderen houden het op Christus’ Wederkomst. Maar deze wordt pas in Openbaring 19 vers 11-21 beschreven.

Nog weer anderen zien in de zegetocht van deze ruiter de opkomst van de antichrist of de heerser van het hersteld Romeinse Rijk. Ondanks dat ik dat niet uit wil sluiten, ben ik er toch niet van overtuigd dat dat hier wordt bedoeld. Mijns inziens moet hier, zoals ook bij de volgende ruiters, niet aan een persoon maar aan een zaak worden gedacht. Naar mijn inzicht ziet geen van de ruiters op een persoon, maar zien ze alle vier zonder uitzondering op zaken. Mijns inziens is dat in lijn met de eenheid en harmonie die de Schrift kenmerkt. Bovendien vinden we de opkomst van de antichrist en van de heerser van het hersteld Romeinse Rijk in respectievelijk Openbaring 13 vers 11-18 en 13 vers 1-10.

Maar nu, aan wat voor zaak denk ik dan concreet? Voor zover ik heb begrepen, gaat het bij deze ruiter om de zegetocht van een bepaald vals evangelie. Meerdere Schriftplaatsen spreken daarover. Daarvan wil ik er twee bespreken, te beginnen met een passage uit 2 Thessalonicenzen 2. Daarna richten we onze blik weer op Christus’ eindtijdrede.

Een vals evangelie in de 2 Thessalonicenzenbrief

“Hem [de wetteloze, de antichrist – JCvdH], wiens komst overeenkomstig de werking van de satan is, met allerlei kracht, tekenen en wonderen van de leugen, en met allerlei misleiding van de ongerechtigheid in hen die verloren gaan, omdat zij de liefde voor de waarheid niet aangenomen hebben om zalig te worden. En daarom zal God hun een krachtige dwaling zenden, zodat zij de leugen geloven, opdat zij allen veroordeeld worden die de waarheid niet geloofd hebben, maar een behagen hebben gehad in de ongerechtigheid” (2:9-12).
Paulus legt hier uit dat er met de openbaring van de antichrist na de Opname van de Gemeente van Godswege een krachtige dwaling de wereld in wordt gezonden, ten oordeel voor degenen die de Heer Jezus voor de Opname van de Gemeente willens en wetens hebben afgewezen. Daardoor is het voor hen niet meer mogelijk zich te bekeren, maar in plaats daarvan zullen deze een bepaalde leugen – waarschijnlijk een vals evangelie – geloven en verloren gaan. Hetzelfde zien we bij de zondvloed. Er was geen tweede kans voor hen die de prediking van Noach afgewezen hadden. Hun genadetijd – de tijd dat God hun in genade de hand reikte – was voorbij. Nu wachte het oordeel. Zo ook hier. Degenen die de Heer Jezus voor de Opname van de Gemeente willens en wetens hebben afgewezen, kunnen Hem na de Opname van de Gemeente niet alsnog aannemen. “Wie na bestraffing halsstarrig is”, waarschuwt Spreuken 29 vers 1, “zal opeens gebroken worden, en er zal geen genezing meer zijn”.

Een vals evangelie in Christus’ eindtijdrede

Eerst lijkt het me nuttig even uit te leggen waarom ik telkens naar deze rede verwijs. De reden is even eenvoudig als belangrijk. Christus spreekt in dat deel van zijn rede namelijk eveneens over de periode van vlak na de Opname van de Gemeente. Daarbij hebben we het dan over de eerste helft van de laatste jaarweek van Daniël 9 vers 24-27. Feitelijk is de zogenoemde ‘rede van de laatste dingen’ niets anders dan een uitgebreid antwoord van de Heer Jezus op de vraag van de discipelen: “… wat is het teken van Uw komst en van de voleinding van de wereld [Grieks: eeuw]?” (Mattheüs 24:3b). In het Mattheüs-evangelie staat deze rede tussen 24 vers 4 en 25 vers 46 opgetekend. Christus richt zich in deze rede achtereenvolgens tot [1] het gelovig overblijfsel van Israël ten tijde van de zeventigste jaarweek (24:4 – 24:35), [2] de christenheid – oftewel het geheel van wedergeboren christenen en onbekeerde belijders – (24:36 – 25:30), en [3] de volkeren ten tijde van de reeds genoemde zeventigste jaarweek (25:31 – 25:46). Vervolgens is het eerste gedeelte ook weer in twee sub-gedeelten onder te verdelen. Het eerste loopt van 24 vers 4 tot 24 vers 15 en bespreekt de gebeurtenissen van de eerste helft van de zeventigste jaarweek; het tweede loopt van 24 vers 15 tot 24 vers 36 en bespreekt de gebeurtenissen van de tweede helft van de zeventigste jaarweek (oftewel de periode van de Grote Verdrukking). Zoals u kunt nagaan, komen alle tot nu toe geciteerde verzen uit het eerste sub-gedeelte. Christus noemt al deze dingen – de oorlogen, de hongersnoden, enzovoorts – in het achtste vers veelzeggend het “begin van de weeën”. Parallel daarmee staan de ruiters in de Openbaring voor het begin van de gebeurtenissen en ontwikkelingen die uitlopen op de Wederkomst van Christus en de oprichting van het Koninkrijk. Nogmaals, het gaat in beide gedeelten van de Schrift om dezelfde periode. Daarom heb ik ze zonder aarzelen telkens naast elkaar gelegd. Laten we met dat feit voor ogen naar ons betoog terugkeren.

“Pas op dat niemand u misleidt. Want velen zullen komen onder Mijn Naam en zeggen: Ik ben de Christus; en zij zullen velen misleiden” (Mattheüs 24:4-5).

Evenals Paulus voorziet ook Christus de voorspoedige verbreiding van een vals evangelie na de Opname van de Gemeente. Velen, stelt de Heer Jezus, zullen worden misleid. Maar waar Paulus enkel het feit van haar opmars benoemt, daar belicht Christus eveneens de inhoud van dat verdervende evangelie. “Want velen zullen komen onder Mijn Naam”, lezen we, “en zeggen: Ik ben de Christus”.

Jarenlang dacht ik dat Christus bedoelde dat er wellicht in elk land wel enkele valse messiassen zouden opstaan. Misleide zielen die beweren dat zij de beloofde Messias zijn en daardoor weer anderen misleiden. Maar na het lezen van een uittreksel uit het boek ‘For many shall come in My Name’ van Ray Yungen ben ik daarvan teruggekomen. Persoonlijk geloof ik niet langer dat Christus daarop doelt, dat deze uitleg recht doet aan Christus’ woorden. Yungen wees in zijn studie op twee belangrijke dingen. Ten eerste op de betekenis van het Griekse woord polus, hier vertaald met ‘velen’; ten tweede op de afwijkende lezing van deze voorzegging in de parallelteksten Markus 13 vers 6 en Lukas 21 vers 8.

Volgens Yungen is ‘velen’ een zwakke vertaling van het Griekse woord polus. Veeleer zou het gaan om vele miljoenen. Ik citeer: “Wat ik vond, ontsteld me. Het Griekse woord voor ‘velen’ in dit vers is polus en betekent een erg groot aantal, zoals miljoenen en miljoenen. Een term die afgeleid is van dit woord is hoi polloi, dat vertaald wordt als ‘het merendeel, de grote massa’”.

Verder, wat betreft de afwijkende lezingen van het Markus- en het Lukas-evangelie, staat daar in het oorspronkelijke Grieks niet: “Ik ben de Christus”, maar slechts: “Ik ben”. Opnieuw citeer ik Yungen: “Merk op dat in Markus 13 vers 6 en Lukas 21 vers 8 ‘de Christus’ in schuine letter is weergegeven. Dit betekent dat dit niet in het originele manuscript staat. De ver(her)talers van de (Herziene) Statenvertaling (evenals de King James Version) vonden het blijkbaar vreemd dat daar staat: “… velen zullen komen onder Mijn Naam en zeggen: Ik ben”. Waarschijnlijk hebben de ver(her)talers voor de duidelijkheid, en om consequent te zijn met Mattheüs 24, de term ‘de Christus’ in schuine letters toegevoegd. Maar het is erg interessant te zien dat New Agers naar zichzelf (hun hogere zelf) verwijzen als de ‘IK BEN’. Bemerk het volgende: “De eerste ervaring van eenmaking met het Christus-bewustzijn kan komen met een initiële overschrijding van de psychische barrière en contact met de Christus Zelf of IK BEN Zelf”; “Dit innerlijke Zelf wordt met velen namen genoemd, zoals God-zelf, Hogere-zelf, Christus-bewustzijn, IK BEN, Boeddha-natuur, en vele andere”; “Deze IK BEN is God … deze IK BEN bent U. Universum- en Individueel Bewustzijn. … God die Zichzelf kent als God, God Zichzelf kennend als U, en U Uzelf kennend als God”.

Indien het waar is wat Yungen stelt – persoonlijk acht ik het heel plausibel – dan roept dat een totaal ander beeld op. Niet het beeld van een aantal individuen dat zichzelf uitroept tot Messias, maar van een ontelbare menigte die beweert dat de mens in wezen God is. Het beeld van de leugen in het paradijs op mondiale schaal. Eindigt de duivel met dezelfde misleiding waarmee hij begon? Yungen concludeert: “Wegens deze uitspraken geloof ik beslist dat Jezus in deze teksten over de huidige New Age beweging profeteerde, wanneer deze haar volle verwezenlijking wereldwijd zal bereikt hebben. Hij stelde duidelijk dat net voor Zijn Wederkomst een enorm aantal mensen hun eigen goddelijkheid zullen verkondigen en velen zullen misleiden – niet enkelen, maar velen. Er was voor Hem een goede reden om deze profetieën te laten voorafgaan met de waarschuwing: “Pas op dat niemand u misleidt”. Deze mensen zullen een geestelijke boodschap aanbieden dat gelijkt op, voelt en klinkt alsof ze van Jezus Christus komt, maar het is misleidend bedrog”.

Doelde Christus daarop misschien? Oordeelt u voor uzelf, maar mij lijkt het, gezien de kracht van de argumentatie, alleszins aannemelijk. Mijns inziens lijkt deze uitleg veel meer te passen in Christus’ woorden dan de gangbare uitleg.

Bent u gereed voor de Opname van de Gemeente?

Concluderend stellen we vast dat de wereld vlak na de Opname van de Gemeente volgens de Schrift de ongekende zegetocht van een misleidend evangelie zal beleven. Zoveel is duidelijk. Maar is dat de inhoud van het eerste zegel? Is dat de identiteit van de ruiter op het witte paard? De tijd zal het leren. Uiteindelijk is er immers geen betere uitleg van de profetie dan de vervulling.

Voorafgaand echter – wie weet vandaag nog – zullen de profetieën over de Opname van de Gemeente worden vervuld. Wereldwijd zullen dan in een oogwenk alle gelovigen worden opgenomen. Tallozen meer echter zullen worden achtergelaten … Het moment van de Opname van de Gemeente is tevens een moment van scheiding tussen gelovigen en ongelovigen. Indien u, door uw ongeloof, nog tot de laatste categorie gerekend wordt, smeek ik u met de woorden van Paulus: “Laat u met God verzoenen. Want Hem Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem” (2 Korinthe 5:20b-21).

Slot.

© J.C. van de Haar

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol