11 jaar geleden

De Heere Jezus in het Mattheüs-evangelie (3)

Les 3

“… genezingen, wonderen en prediking; en welgelukzalig is hij die aan mij niet geërgerd wordt” (Mattheüs 11:5-6).

 

Beste cursist.

In deze les zien we een groot deel van de openlijke dienst van de Heere Jezus in Juda en Galilea. Alle zegen en goedheid die de mens zich maar kon wensen, stroomde in overvloed uit Zijn woorden en daden. Genezingen – alle ziekten en wonderen die alleen God maar kon werken, een prediking in waarheid en liefde.
Toch werd Hij verworpen door de oversten van het volk en door het volk Israël. Waarom dan toch? Omdat de mens helemaal niet goed wil. Hij houdt juist van wreedheid en slechtheid; hij houdt boven alles vooral van zichzelf. En wat doet God dan, als Zijn aanbod door het volk Israël niet wordt aangenomen? Trekt Hij Zich terug? Is de Heere Jezus verontwaardigd of beledigd? Nee, Hij gaat de genade van God daarna niet aan het volk, maar aan de enkeling aanbieden.

Sommigen van ons kennen de Bijbelse geschiedenissen al vele jaren, ook de wonderen van de Heere Jezus in de evangeliën. Toch kunnen wij niet met genoeg eerbied en dankbaarheid denken aan de woorden en werken van de Heere Jezus. Wij mogen onze God wel om genade vragen, dat we de geschiedenissen elke keer als nieuw lezen en overdenken. In de eerste geschiedenis van Mattheüs 8 vinden we daarvan, een prachtig voorbeeld. Dat hopen we te zien in de vragen 1 en 2.

Lees: Mattheüs 8:1-4 en 2 Koningen 5:1-19.

Vraag 1:

Wat zegt koning Joram van Israël in 2 Koningen 5 vers 7 over de genezing van een melaatse?

……………………………………………………………………………………………………………………….

……………………………………………………………………………………………………………………….

……………………………………………………………………………………………………………………….

Vraag 2:

Wat leren we als we die uitspraak van koning Joram vergelijken met het wonder van de Heere Jezus in Mattheüs 8:1-4?

……………………………………………………………………………………………………………………….

……………………………………………………………………………………………………………………….

……………………………………………………………………………………………………………………….

Hoofdzaak: Tweemaal slechts spreekt de Heer Jezus “Ik wil”. Beide keren wilde Hij iets voor de mens, niet voor Zichzelf. Door die wil, door de wil van God, zijn wij geheiligd (zie Hebreeën 10:10; Johannes 17:24; Lukas 5:13).

 

In het volgende gedeelte van Mattheüs 8 wordt de Heere geëerd door een heidense soldaat.
Lees: Mattheüs 8: 5-13 en Johannes 20:24-29.

Vraag 3:

Wat had de (Romeinse) hoofdman, wat Thomas (nog) niet had?

……………………………………………………………………………………………………………………….

……………………………………………………………………………………………………………………….

Deze gebeurtenis was een verkwikking voor de Heere Jezus. Waarom? Omdat er woorden werden gesproken die Hem eerden? Nee, omdat de mens Zijn God eert als hij Hem gelooft. Wij geven de Heere Jezus eer als wij Hem op Zijn woord geloven. We zeggen dan als het ware: “Heere, als u het zegt, dan zál het gebeuren!” Voor U is niets te groot en niets te klein, en Uw woord is een vaste rots. Hoe graag ziet Hij zo’n geloofsvertrouwen bij ons.

Hoofdzaak: Het geloof nu is de zekerheid (het vaste vertrouwen) van de dingen die men hoopt, de [vaste] overtuiging van de dingen die men niet ziet (Hebreeën 11:1).

 

Lees: Mattheus 8:14-27.

Vraag 4:

Schrijf uit dit gedeelte de “zelfstandige werkwoorden” eens op die bij de Heere Jezus horen, dat zijn de woorden die vertellen wat de Heere Jezus doet (woorden zoals “praten”, “geven”, “lopen”).

……………………………………………………………………………………………………………………….

……………………………………………………………………………………………………………………….

……………………………………………………………………………………………………………………….

Hoofdzaak: Wat zien we hier? We zien: “Waar Hij moet zijn, daar is Hij; wat Hij moet doen, dat kan Hij en dat doet Hij; wanneer Hij nodig is, is Hij er; Wie Hem zoekt, die vindt Hem”. Dit is ook nu nog waar, dit is ook voor u/jou waar. “Jezus Christus is, gisteren, heden Dezelfde en tot in eeuwigheid” (Hebreeën 13:8).

 

Lees: Mattheüs 8:28-34.
In deze geschiedenis zien we de ontferming van de Heere Jezus over de bezetenen te Gadara (het land der Gergesénen), en de toorn van de Heere Jezus over de boze geesten, die de mensen kwellen en pijnigen. Zo zag Hij ook ons: vol liefde zag Hij mij, de verloren mens. Vol afschuw zag Hij, de heilige God, onze zondenlast.

Vraag 5:

Wat heeft de Heere Jezus gedaan, opdat Gods liefde voluit kon stromen, én opdat aan Gods heilige eis werd voldaan?

……………………………………………………………………………………………………………………….

……………………………………………………………………………………………………………………….

……………………………………………………………………………………………………………………….

……………………………………………………………………………………………………………………….

 

Rechtvaardigheid drong aan op straf,
genade vroeg om vrijgeleide.
Hier trad Gods wijsheid tussenbeide,
die allebei voldoening gaf.
O wonderbare gunstbetoning,
O licht, dat zich van ‘t kruis verspreidt!
Hier schittert Gods gerechtigheid,
hier straalt genadige verschoning.

Danken we Hem, onze Heere, die alleen dit werk kon volbrengen en die het werk ten volle heeft volbracht.

Lees: Mattheüs 9:1-8; Markus 2:1-12; Handelingen 26:18 (vergeving van zonden … door geloof in Mij).

Vraag 6:

In Mattheüs 9:5 stelt de Heere Jezus een vraag: “Wat is gemakkelijker …………………

………………………………………………………………………………………………….?

Welk antwoord verwachtte Hij eigenlijk (“vergeving” of “genezing”)?

……………………………………………………………………………………………………………………….

……………………………………………………………………………………………………………………….

……………………………………………………………………………………………………………………….

Vraag 7:

Maar was dit ook makkelijker? Ja, om erover te spreken! Maar wat was nodig, opdat er vergeving kon zijn? (aanwijzing: Handelingen 16:1-8 en Hebreeën 9:22)

……………………………………………………………………………………………………………………….

……………………………………………………………………………………………………………………….

……………………………………………………………………………………………………………………….

We zien dus dat de Heere eigenlijk een véél grotere zegen uitsprak over deze verlamde, toen Hij tot hem sprak van zondenvergeving. Hoe zal deze verlamde man in de vele stille en donkere uren dat Hij alleen lag over zijn zonden hebben getobd. Wat zal er een steen van zijn hart zijn gevallen, toen hij de stem van de Heiland hoorde: “uw zonden zijn u vergeven”.

Jezus, mijn Heiland, groot is uwe liefde!

Vraag 8:

“… En toen Jezus hun geloof zag …” (Markus 2:5). Het geloof van wie eigenlijk?

……………………………………………………………………………………………………………………….

Hoofdzaak: Vrees niet, geloof alleen. Ga dan tot Jezus heen. Alles is mogelijk, voor een ieder die gelooft.

 

Dat dit een werkelijkheid in ons leven mag zijn of worden!

Lees: Mattheüs 9:9-13.
Hier zien we dat er bij de Heere Jezus geen aanzien des persoons is.

Vraag 9:

Hoe kwamen de tollenaars (landverraders) en zondaars er eigenlijk bij, dat ze welkom waren bij de Heere Jezus? Lijkt misschien een moeilijke vraag, toch staat het (makkelijke) antwoord in Mattheüs 9:9-13.

……………………………………………………………………………………………………………………….

……………………………………………………………………………………………………………………….

……………………………………………………………………………………………………………………….

……………………………………………………………………………………………………………………….

Hoofdzaak: Ja, Hij maakt Zijn woord waar: “Kom tot Mij, allen die vermoeid en belast bent, en Ik zal u rust geven” (Mattheüs 11:28).

 

Let ook op Mattheüs 9:13. Eén van de weinige teksten die 3x in de Bijbel voorkomen (ook Hoséa 6:6 en Mattheüs 12:7). Hoe mag het ons leren barmhartig te zijn voor hen die ons omringen, te getuigen in woord en daad van de genade van God. “Als kaarsjes, brandend in de nacht”, zegt een oud kinderliedje!

Lees: Mattheus 9:18-26.
Hier lezen we de bekende geschiedenis van “het dochtertje van Jaïrus” (uit Markus 5:22 weten we dat deze man Jaïrus heette).

Vraag 10:

Je hoort wel eens zeggen dat Jaïrus niet zo’n groot geloof had als bijvoorbeeld de hoofdman uit Kapernaüm. Als we echter 1 Korinthe 15:55-57 bij deze geschiedenis lezen, waaraan zien we dan, dat Jaïrus wel degelijk een groot geloof had?

……………………………………………………………………………………………………………………….

……………………………………………………………………………………………………………………….

……………………………………………………………………………………………………………………….

……………………………………………………………………………………………………………………….

“Hij helper uit de grootste nood,
breekt zelfs de banden van de dood,
Zijn naam is Vorst des Levens”.

Hoofdzaak: Als je uitgelachen wordt, denk er dan aan dat ook onze Heer en Heiland uitgelachen werd en dat Hij er helemaal niet boos om werd. Vlak daarna deed Hij bij Jaïrus dit geweldige wonder.

 

Lees: Mattheüs 9:27-31 en Romeinen 1:5.

Vraag 11:

Waaraan zie je, dat deze blinden werkelijk geloofden?

……………………………………………………………………………………………………………………….

……………………………………………………………………………………………………………………….

……………………………………………………………………………………………………………………….

Vraag 12:

Wat hoort ook bij geloof, wat ze niet lieten zien?

……………………………………………………………………………………………………………………….

Hoofdzaak: Gelooft u dat Ik dit kan doen? Dat vraagt de Heere Jezus ook aan ons! Goed over nadenken!

 

Lees: Mattheüs 9:35-38 en Johannes 4:34-37.

Vraag 13:
Noem tenminste drie dingen waarin wij kunnen meewerken op “het veld van de Heere”.

……………………………………………………………………………………………………………………….

……………………………………………………………………………………………………………………….

……………………………………………………………………………………………………………………….

Hoofdzaak: Doen we dat ook? “Een ieder dan die deze Mijn woorden hoort en ze doet …” (Mattheüs 7:24).

 

We hebben één stukje overgeslagen, namelijk Mattheüs 9:32-34. Dit heeft alles te maken met Mattheüs 12:22-37. Velen vinden dit een heel moeilijk gedeelte. Daarom behandelen we dit apart in de volgende les. Mochten er vragen over zijn dan kun men deze altijd stellen. U wordt dan persoonlijk en vertrouwelijk geantwoord.

Dit was al weer les 3. Hopelijk vindt u het niet “té taai”. Ik moedig u aan om door te gaan en te leren van Hem die zo graag in en door Zijn Woord tot onze harten wil spreken. Zijn zegen toegewenst!

Met een hartelijke groet en zo de Heere wil tot de volgende les.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol